Had België een Route 66, dan liep die door Zeebrugge. De desolate havencafés rond de Oude Vismijn zouden het hoofd van elke motard op hol brengen. Maar als tweede stuurman bij rederij Euro-Line heb ik echter andere zorgen. Bak- en stuurboord uit elkaar houden lukt nog wel, twee linkerhanden verstoppen is een ander paar mouwen.
...

Had België een Route 66, dan liep die door Zeebrugge. De desolate havencafés rond de Oude Vismijn zouden het hoofd van elke motard op hol brengen. Maar als tweede stuurman bij rederij Euro-Line heb ik echter andere zorgen. Bak- en stuurboord uit elkaar houden lukt nog wel, twee linkerhanden verstoppen is een ander paar mouwen. Kapitein Gilbert (52) stopt me meteen een emmer en een borstel toe: het dek moet geschrobd worden, want de party cruises en polderexcursies van de River Palace laten hun sporen na. "Ge moet u niet inhouden", moedigt Gilbert me aan. Toegegeven, eelt op mijn handen zou hier niet misstaan. Niet zo lang geleden was het maritieme themapark Seafront nog gewoon een houten barak, waar ruige zeebonken luidkeels hun 's nachts vergaarde schelvis en wijting aan de man brachten. Zonder de luxeschuiten in de jachthaven en de geur van paling in 't groen, zou ik me in een vergeelde postkaart wanen. Jaarlijks schepen ruim 30.000 passagiers in voor een tocht in de haven van Zeebrugge. Postbodes en bankdirecteurs, Chiro-groepen en bejaardenverenigingen, de golfclub van Knokke: Gilbert heeft ze zien komen en gaan. Hij zegt het met een zekere afstand, want een zeeman heeft maar één thuis: het water. "Aan de wal leef ik niet, ik moet kunnen voaren. Stop mij in een fabriek en ik word zot. Mijn schip is mijn vrijheid, hier ben ik de baas", zegt hij bij onze derde sigaret. "Ik ben geboren en getogen op de binnenvaart. Net als mijn ouders en hún ouders. Zat ik niet op het pensionaat, dan wel op het schip. Duitsland, Nederland, Frankrijk, overal ging ik, want van een zeevaartschool was toen nog geen sprake." Dat hij nu plots examens moet afleggen, zint Gilbert niet: "Zelfs voor het bedienen van de boordradio moet je tegenwoordig naar Brussel. Daar werk ik al jaren mee! Joeng, wat ze daar in hunne kop krijgen." We hebben een risicotocht voor de boeg: de Ecole Européenne uit het groothertogdom Luxemburg is op zeeklas, en 250 uitgelaten kinderen aan boord, dat wil wel eens voenken, weet Gilbert. Toen een schelm ooit een reddingsboei in het water smeet, maakte Gilbert prompt rechtsomkeer en werd het schip ontruimd. Vandaag trekt hij voor alle zekerheid zijn uniform aan, zegt hij met tegenzin, net voor hij me een stuurmanspet op het hoofd drukt. "Daar passen wel twee matrozen onder", wil ik nog protesteren, maar Gilbert is alweer verdwenen. Bon, de heilige Petrus, beschermer van de schippers, zal me wel redden. SpokenEen tweede stuurman is een manusje-van-alles, blijkt. "Een meid voor alle werk", lacht Gilbert. "Het dek, dat is uw terrein. Ge ziet zelf wel wat u te doen staat: schilderwerk, een raam lappen, aan- en afmeren of het roer overnemen als ik naar het toilet ben." De gedachte alleen al doet me huiveren. Gilbert heeft me wel geleerd het kompas te lezen en koersafwijkingen op te sporen, maar ik hoop dat hij niet nodig moet.Na het stofzuigen en het aanvullen van de bar, stuurt Gilbert me de machinekamer in. Het water- en oliepeil moeten gecontroleerd worden. Moeilijk is dat niet, heeft Gilbert me gezegd: " Steekt uwe vinger erin; voel je niks, dan giet je er wat meer bij." Eerst moet ik nog de doppen vinden op de twee dieselmotoren. Gilbert herkent aan hun geronk het ganse vaartuig, maar ik krijg er kop noch staart aan. Bovendien is de machinekamer niet alleen een duister hol, het is er spekglad en bloedheet. De indringende geur van brandstof en smeerolie bezorgt me de ene niesbui na de andere. Om maar te zwijgen van de motoren zelf: twee minuten naast die ondingen volstaan om levenslang oorbeschadiging op te lopen. "Ge hebt precies een spook gezien", lacht Gilbert als ik weer op het dek stuif. De eerste klassen zijn ondertussen aangekomen. De Italiaanse, Spaanse en Portugese leerlingen zijn opvallend rustig en gedisciplineerd, de Nederlandse en Franse daarentegen een ware nachtmerrie. Zo meteen slaan ze elkaar het hoofd in, denk ik bij mezelf. Hun gejoel verstomt pas na het ontkoppelen van de walvoeding en het losgooien van de trossen. Ze kijken zodanig op mijn vingers dat ik er zenuwachtig van word. De tocht van veertien kilometer is begonnen. Terwijl het schip de garnalensloepen in de vissershaven achter zich laat, legt de gids uit dat Zeebrugge niet alleen een belangrijk transportcentrum is, maar ook 's lands belangrijkste visserijhaven. De helft van de Belgische vloot, nog amper tweehonderd schepen, heeft er zijn thuishaven. De uitleg boeit de jeunesse maar matig, zodat ik me strategisch opstel achter de bar op het benedendek. Al snel komen enkele Spaanse jongens schuchter om een cola vragen. Twee Nederlandse bengels pakken het anders aan: ze rukken de flesjes zowat uit mijn handen. Ik laat hen begaan, want achter mijn rug beginnen de bierglazen vervaarlijk te rinkelen. Bovendien klinkt uit de speakers plots filmmuziek van Titanic. Vast toeval, al zou het ook eigenzinnige zeemanshumor van Gilbert kunnen zijn. Gelukkig zorgen de reusachtige schepen rond de River Palace voor afleiding. De logge zeemonsters zijn makkelijk driehonderd meter lang, maar ze schrijden gracieus door de buitenhaven. "Zeebrugge ontvangt jaarlijks 10.000 tankers, 850.00 containers en 40 miljoen ton goederen", verneem ik met een half oor. Het gestommel op het buitendek doet vermoeden dat ik de enige ben die het hoort. Met de bar zo goed als verlaten, moet ik Gilbert gelijk geven. De deining van het water, de zeemeeuwen boven het kielwater, het Latijns kruis voor de vissers die hier hun laatste rustplaats vonden - ik word er zowaar melancholisch van. "De Zee, waarin mijn ziel zichzelf weerspiegeld ziet. Zij is een levend schoon en kent zich-zelve niet..." Zelfs de fregatten van de Belgische marine liggen erbij als in het liefelijke zeemansgedicht van Willem Kloos. Eenzaam"Zeg, zijde gij in slaap gevallen?" vraagt Gilbert na een halfuur door de intercom. De leerkrachten houden een onderonsje op het binnendek en dus moet ik buiten een oogje in het zeil houden. De ravage blijkt mee te vallen: vooral de meisjes zijn in de ban van de containerterminals, windturbines en pijpleidingen. De jongens zijn lastiger klanten. Alleen een parking vol blinkende BMW's - jaarlijks worden hier één miljoen wagens verscheept - wekt even hun belangstelling. Verder staren ze verveeld voor zich uit, laten ze zich op het ritme van de deining neervallen op het dek of ze houden een wedstrijdje spuwen. Slim hoor, op een vaartuig. Ik krijg verdorie zelf bijna een fluim in de ogen! Gelukkig hoef ik alleen vermanend vanonder mijn pet te kijken om ze te bedaren. "Een nachtje in de machinekamer?" wil ik nog voorstellen, maar ze zien me al niet meer staan: tweehonderd wuivende passagiers aan boord van de Queen Elisabeth, daar kan ik niet tegenop. Op de terugweg loop ik langs bij Gilbert, die onverstoorbaar over het water tuurt. Op de boordradio ontwikkelt zich een geanimeerd gesprek tussen de controletoren en een van de naburige schepen. Een schuine mop in het West-Vlaams, vermoed ik. "Morgen vaart de Methania binnen", zegt Gilbert geheimzinnig. "Aardgas uit Algerije." Is het hier nooit eenzaam, vraag ik voorzichtig. Het antwoord is even verbeten als kort: "Of er nu een barbecue op het dek staat, een fanfare of een bruidspaar, hier ben ik op mijn gemak." Bij het aanmeren stroomt de hele Luxemburgse school toe om te kijken hoe ik de touwen aan de kade bevestig. Hoe simpel de knopen op het eerste gezicht ook zijn, op een haar na draai ik er mijn vingers mee tussen. Gelukkig waagt niemand zich aan een venijnige opmerking. Terwijl de leerlingen alweer joelend op de kade stappen, ruim ik snel het binnendek op. Over nauwelijks een uur krijgt de River Palace voetbalfans over de vloer voor een avondexcursie. "Goed volk," zegt Gilbert, "maar meer geïnteresseerd in den tap dan in de haven. Voor drie uur vannacht zijn we niet terug." Rond de aanlegsteiger maken vissers hun sloepen op voor hun nachtelijke tocht. Ze steken hun hand op en kijken me stilzwijgend aan met een blik van herkenning. Dat ik een onbekende ben, maakt geen verschil.Volgende week werkt Wim Denolf op de toeristische dienst van Antwerpen.Wim Denolf