Achttien is Lies wanneer haar beide ouders omkomen in een verkeersongeluk. Een spookrijder, zwaar dronken. Elf jaar later staat ze een mantel te passen in een winkel, goedgemutst. Tot naast haar een meisje vanuit het pashokje haar moeder roept om te vragen wat die ervan vindt. Een snijdende pijnscheut, directe vlucht uit de winkel, alleen maar moeders en dochters op de terugweg, en eenmaal thuis een lange huilbui. "Misschien moet je toch maar eens een psychiater zien", suggereren vrienden. "Na elf jaar is dat toch niet normaal."
...

Achttien is Lies wanneer haar beide ouders omkomen in een verkeersongeluk. Een spookrijder, zwaar dronken. Elf jaar later staat ze een mantel te passen in een winkel, goedgemutst. Tot naast haar een meisje vanuit het pashokje haar moeder roept om te vragen wat die ervan vindt. Een snijdende pijnscheut, directe vlucht uit de winkel, alleen maar moeders en dochters op de terugweg, en eenmaal thuis een lange huilbui. "Misschien moet je toch maar eens een psychiater zien", suggereren vrienden. "Na elf jaar is dat toch niet normaal."Rouwspecialist en klinisch psycholoog aan de Leuvense universiteit Manu Keirse zucht. Een veelzeggend voorbeeld, vindt hij, voor hoe bitter weinig we weten over rouw. "Natúúrlijk is dat normaal. Ja, zelfs na elf jaar. Ik vergelijk het verdriet om een afscheid met je schaduw. Die is er altijd. Op elk moment. Soms zie je hem niet, soms ligt hij achter je, soms voor je. En soms gebeurt het, zoals wanneer je een hoek van de straat omslaat en je schaduw plots langgerekt voor je ligt, dat ook je verdriet zich ineens weer groot en zwart voor je uitstrekt wanneer je een hoek van het leven omslaat. Dat is volkomen normaal.""Het leven is afscheid nemen. Het begint met afscheid van de duisternis, het eindigt met afscheid van het licht", schrijft journalist Laurens De Keyzer in zijn boek Afscheid nemen. Ook tussendoor rijgen we het ene afscheid aan het andere. Afscheid van levenshoofdstukken (vooral de jeugd blijkt een lastige om definitief uit te zwaaien), afscheid van plaatsen, van vriendschappen, relaties, van ideeën ook. En verlies, dat geeft verdriet. Willens nillens. Verdriet en geluk zijn zowat een twee-eenheid. Zonder geluk en zonder liefde ook geen verdriet. Alleen wie graag ziet en wie durft gelukkig te zijn, kan worden gekwetst. Wiskundelogica. Of nog : " Happy, but for so happy, ill secured", zoals de Engelse dichter John Milton het ooit wondermooi benoemde in Paradise Lost. Gelukkig, maar precies door dat geluk, slecht verzekerd. De enige doeltreffende manier om verdriet in de kiem te smoren ? Het hart harnassen tegen elk spatje geluk. Een absurd en onleefbaar idee, uiteraard. Conclusie : verdriet hoort bij het leven. Is het leven, voor een groot stuk. Hoe komt het dan, als verdriet er toch zo onlosmakelijk bij hoort ? Hoe komt het dat we zulke analfabeten zijn als het op rouwen aankomt. Zowel als het op onze eigen rouw aankomt, als op die van anderen. "Vreemd vind ik het", zegt rouwtherapeute en auteur van talrijke boeken over rouw en troost Claire Vanden Abbeele. "Communicatie is zo'n toverwoord tegenwoordig. Maar in tijden van rouw zijn we volslagen sprakeloos en opeens mijlenver van elkaar verwijderd. Stuntelig zijn we en onbeholpen. We vinden geen woorden om ons eigen verdriet te duiden, nog minder vinden we woorden van troost.""We hebben het gewoon niet geleerd", meent Keirse. "Er zijn bepaalde lessen die je het best als kind met de paplepel binnenkrijgt. Omgaan met verdriet bijvoorbeeld. Inzien dat de dood bij het leven hoort. Toen de meeste mensen, een tweetal generaties geleden, nog thuis stierven, gebeurde dat vanzelf. Er was bovendien ook een duidelijke rouwperiode, afgebakend door zwarte rouwkleding. Nu sterven mensen in bejaardentehuizen of in ziekenhuizen. De dood is uit het dagelijkse leven gebannen. Kijk naar de reden vaak waarom mensen een euthanasieverklaring tekenen : omdat ze niet willen 'sterven'. Toch niet bewust, geen plaats voor de dood in hun leven. En neen, ik predik geen 'vroeger was het beter'. We kunnen alleen maar blij zijn dat de geneeskunde levens kan redden in bejaardentehuizen en ziekenhuizen. Alleen moeten we naar manieren zoeken, vind ik, om opnieuw te leren omgaan met afscheid en verdriet. Ik pleit er zelfs voor om het een volwaardig vak te maken in het onderwijs. Het is nu eenmaal zo belangrijk. Vroeg of laat hebben we er allemaal mee te maken. Bovendien : hoe meer we erover weten, hoe minder angstig we zullen worden voor dood, rouw en verdriet. En dat is alleen maar een goede zaak."We hebben het niet geleerd. Maar we voelen wel een diepe behoefte om erover te leren, zo blijkt. Toen Manu Keirse zijn eerste boek Helpen bij verlies en verdriet uitbracht, stond hij erop dat de prijs zeer bescheiden bleef - rouwende mensen zijn angstig om geld uit te geven, had hij ontdekt. Dus overhaalde hij de uitgever om 5000 in plaats van de voorziene 1500 exemplaren ("wie leest nu graag over rouw ?") te laten drukken - wat overbleef, zou hij zelf terugkopen. En zie : één boekenbeurs en alle vijfduizend exemplaren waren de deur uit. Intussen is het boek aan zijn achttiende druk toe. Bijzonder veelzeggende cijfers. "Mensen hunkeren echt naar iemand die uitlegt wat er gebeurt bij verliesverwerking. Wat ze zullen voelen, wat ze mogen voelen." Is een rouwproces dan een universeel gegeven ? Rouwen we allemaal op identiek dezelfde manier ? "Ik vergelijk het met een vingerafdruk : er zijn duidelijke overeenkomsten die hem herkenbaar maken, maar als het erop aankomt, is elke vingerafdruk uniek. Zo ook rouwen. Ik spreek trouwens graag van rouwarbeid. Het is echt arbeid : het vergt energie, je kunt het bovendien opnemen en daarna weer even laten liggen, en anderen kunnen je erbij helpen of hinderen. En anderen hinderen al eens vaker dan dat ze helpen. Met de beste bedoelingen dan wel, begrijp me niet verkeerd. Door onmacht gewoon. Of onbegrip."In het rouwproces, of de rouwarbeid, blijken vier grote fases of 'taken' te onderscheiden. De eerste : de werkelijkheid van het verlies onder ogen zien. "Een heel lastige. Die heel veel tijd vergt en waar velen vaak blijven sputteren", zegt Keirse. "Bij een deurklink die naar omlaag gaat, hopen rouwenden vaak : 'Kijk, daar is hij weer'. Soms menen ze zelfs de overledene te zien, te ruiken, te horen. 'Ik word gek', denken velen dan. Ze durven het niemand te vertellen, en glijden nog dieper weg. Terwijl het een heel normaal fenomeen is in het rouwproces. Niets geks aan. Bij die eerste taak kun je het best helpen door de rouwende telkens opnieuw zijn of haar verhaal te laten doen. Opnieuw en opnieuw. De rouwende heeft daar nood aan, en het helpt hem of haar om de werkelijkheid in alle vezels te laten doordringen. Verdriet onder woorden brengen helpt om er vat op te krijgen."De tweede taak is het ervaren van de pijn van het verlies. En daarbij geldt : de enige weg naar verwerken is recht door de pijn heen. "Verlichten of verzachten van pijn is eigenlijk niet meer dan een verlenging van het rouwproces. Mijn schoonmoeder is net verhuisd naar een bejaardentehuis en heeft diep verdriet om haar verloren onafhankelijkheid. Iedereen wil ze sussen en verstrooien om dat verdriet te vergeten, maar ik smeek iedereen : geef ze toch wat tijd. Láát ze verdrietig zijn. Waarom mag dat niet ? Bij het meeste wat we zeggen om te troosten, lijken we vooral de pijn te willen wegduwen. Iemands vader die gestorven is op zijn tachtigste : 'Een mooie leeftijd uiteindelijk, hij heeft een schoon leven gehad. ' Waarom zeggen we niet : 'Het doet pijn, natuurlijk wel, je verliest je vader maar één keer.' We bedoelen het allemaal goed, maar we laten de pijn zo weinig toe. Bij die tweede fase komt overigens heel wat kijken : boosheid en agressie, tranen en verdriet, lichamelijke klachten, schuldgevoelens, concentratiemoeilijkheden... Al die verwarrende en soms paradoxale gevoelens zijn eigen aan het rouwproces van normaal functionerende mensen. Alleen al wéten dat dat normaal is, kan helend werken."De derde en vierde fase liggen dicht bij elkaar : aanpassen aan de omgeving zonder de overledene - de eerste belastingbrief alleen, de eerste keer oudercontact alleen - en daarna, helemaal als laatste, opnieuw leren genieten van het leven. "Helemaal aan het einde van de rit pas. Hoewel de rouwende zelf, en vooral de omgeving, dat al veel vroeger verwacht. Maar genieten kan pas als de eerste drie fases 'afgewerkt' zijn. En kan het lang duren voor dat 'genieten' terugkeert ? Absoluut. Twee jaar is niet te lang, meestal. Bij rouw om een verloren kind kan dat zelfs oplopen tot zeven jaar." Tijd heelt uiteindelijk alle wonden ? "Niet de tijd op zich, wel wat er in die tijd gebeurt. Zoals een open wonde ook niet alleen maar door tijd heelt, maar veel verzorging nodig heeft, anders verzweert ze. Zo ook verdriet : dat moet echt aangepakt en verzorgd worden. En nog eens : het verdriet verdwijnt nooit helemaal. Verwerkt wil niet zeggen 'vergeten'."Troosten doe je volgens rouwtherapeute Claire Vanden Abbeele het best door er gewoon te zijn. "Mensen niet dwingen om hun verhaal te laten doen, ze ook niet overstelpen met raad en sussende woorden, gewoon even laten weten dat je er bent en dat ze je mogen roepen elke keer ze je nodig hebben." In haar atelier ontvangt Vanden Abbeele ook veel kinderen die rouwen, om een vader of moeder vaak. "Het is niet makkelijk om kinderen over hun verdriet te laten spreken. Meestal vraag ik ze te schilderen of te boetseren. Waarover ze maar willen. Ik sta soms versteld van de symboliek in hun creaties. Vaak zijn die dan dé aanleiding om ze aan de praat te krijgen. Een middel ook, merk ik, om er nadien met hun vader of moeder over te spreken. Kinderen rouwen heel diep. Op hun manier. We mogen ze daar absoluut niet in onderschatten."Wat we evenmin mogen onderschatten : de rouw om een afscheid, los van de dood. Om het verlies van een job bijvoorbeeld. Of de diepe rouw bij een scheiding, of van een moeder die haar kinderen het nest ziet verlaten. "Dat zijn absoluut volwaardige rouwprocessen", zegt Keirse. "Waar je dezelfde vier fases ziet opduiken." En dus is rouwen misschien wel dagdagelijkser dan we denken. Lopen we vaker met tranen in het lijf rond dan we beseffen. En nee, wij zijn geen cultuur, geen maatschappij die de tranen graag en uitbundig in de open lucht laat vloeien. Of die luid klagend de pijn uit de borst klopt. Zo is dat nu eenmaal, en zo zal het ook blijven. Niets mis mee ook. Maar misschien mogen we wel wat liever zijn voor ons verdriet. Het eens over de bol aaien, zelfs koesteren. Net als die herinneringen, die erbij horen. Ook al is dat dan in muisstille stilte.+Helpen bij verlies en verdriet, Manu Keirse, Uitgeverij Lannoo. www.clairevandenabbeele.be +Door Guinevere Claeys / Illustratie Liesje Mentens