Wat er vroeger al eens kon gebeuren, is dat er iemand sorry tegen je zei, bijvoorbeeld als hij in de supermarkt hetzelfde merk ketchup als jij wilde en je hem vlotte toegang tot de flessen versperde door je fysieke aanwezigheid.
...

Wat er vroeger al eens kon gebeuren, is dat er iemand sorry tegen je zei, bijvoorbeeld als hij in de supermarkt hetzelfde merk ketchup als jij wilde en je hem vlotte toegang tot de flessen versperde door je fysieke aanwezigheid. Tegenwoordig gaat dat anders. Wie op dezelfde plek in tijd en ruimte wil zijn als jij, maakt dat duidelijk door je ongedurig te verdringen, zonder boe of bah en al zeker zonder iets wat lijkt op een verontschuldiging. Het duidelijkste waarop je mag hopen, is een giftige blik in je richting omdat je het lef hebt daar te staan en te ademen. Mocht je het aantal keren tellen dat per dag iemand sorry tegen je zegt, of pardon excuseer neemmeniekwalijk, dan durf ik er gif op in te nemen dat dat, met statistische significantie, minder vaak gebeurt dan pakweg tien of twintig jaar geleden. De beleefdheid is al een tijd op haar retour, terwijl zij een graadmeter is van de kwaliteit van een samenleving zodat je zou kunnen vermoeden dat die ook op haar retour is, wat eigenlijk iedereen al wist die eens een krant openslaat of een bus neemt door de grootstad. Je hebt dan niet echt de indruk dat je op weg bent naar properder, goedertierlijker tijden met vriendelijke dieren die vanachter vederwolken naar je kijken. Ik pas mij daaraan aan, met die wonderlijke eigenschap die levende wezens onderscheidt van zeg maar zwerfkeien. Ook ik loop vaker op ramkoers door de straten, als een pantserwagen van vlees en bloed, de luiken dichtgelast, de oren verdoofd en de blik op oneindig. Een eenzame wolf die andere eenzame wolven kruist die eveneens verdiept zijn in hun smartphone, berichten uitwisselend met hun ver- snipperde roedel dat door gsm-masten wordt bijeen- gehouden. Laatst, toen de sneeuw zich eens te meer opstapelde (het weer doet erg zijn best om met snijdende wind en vrieskou de crisissfeer te onderstrepen), zat ik met enkele honderden andere reizigers opgesloten in een trein richting Brussel. Anderhalf uur stonden we stil, op een plek waar Satan War War in graffiti op een muur was gespoten en een reusachtige spin op beverige poten. Op een plat dak was een kinderauto door de sneeuw verrast ; de batterijen van de reizigers waren bijna leeggelopen door hun verwoede pogingen de trein weer in gang te krijgen door hun smartphone te knijpen en te aaien. Toen ze beseften dat ze het restje stroom maar beter konden sparen, keken ze op van hun scherm, lachten schaapachtig en deden wat de moderne reiziger slechts doet als er echt geen andere optie meer openstaat : met een vreemde een gesprek aanknopen. Het ging over hoe lang de ene had gedaan over de halve kilometer van zijn huis naar het meest nabije bushok, en over wat een flurk van een baas de andere had. Je voelde iets wat je lang niet meer gevoeld had namelijk een soort verbondenheid tussen de mensen, men zou bijkans zeggen solidariteit - al klinkt dat woord zo duur dat je je een onnozele hals voelt als je het gebruikt in een wereld waarin, met hetzelfde gemak als destijds de nazi's, de waanzin van de markten wordt omarmd. Dan komt de trein weer in beweging, er is sprake van een smartwatch van Apple en van een bril van Google, die alles zal kunnen filmen wat zijn drager ziet. Nog even en je weet je in de publieke ruimte nergens meer onbespied. Niemand die daar last van schijnt te hebben, integendeel, we verwelkomen dat met kloppend hart. Het meest overschatte goed van de laatste honderd jaar is de nood van de mens aan privacy. Veel sterker is zijn behoefte om opgemerkt te worden, als het niet kan met grootse daden dan desnoods maar met barbaarse of door dagelijks tientallen gevatte onbenulligheden de wereld in te spuwen, wat ook een vorm is van rage against the dying of the light. Alles is goed om te ontsnappen aan dat gevoel te verdwijnen in de tijd en in de massa. Privacy krijg je à gogo als je dood bent, zoals die vijftigduizend skeletten die onlangs zijn opgegraven in Londen. Pestdoden, neemt men aan, zonder naam en zonder gezicht, anoniem en onderling inwisselbaar, zoals ook hun tot stof en gas vergane hartstochten en driften. De dood is niet het licht uitdoen, maar de lamp doven omdat de dageraad aanbreekt.Ik las dat op de rouwbrief van een mij onbekende 'ere-tandheelkundige verpleegster', met Scotch Tape vastgeplakt aan het venster van een funerarium waar ik passeerde, op weg naar het café waar ik vergeten groenten afhaal op dinsdagavond. Het was een intrigerende zin, die door mijn hoofd bleef dwalen toen ik in de nacht oploste met warmoes en koolrabi. Jean-Paul Mulders - jp.mulders@skynet.beNog even en je weet je in de publieke ruimte nergens meer onbespied. Niemand die daar last van schijnt te hebben