"Het is voorbij, jullie kunnen weer kijken", zeg ik voor de derde keer in tien minuten tijd. Mijn dochter haalt haar handen voorzichtig van voor haar ogen, mijn man draait zijn blik langzaam weer naar het scherm. Plots krijsen ze in koor. Mijn verlossende woorden bl...

"Het is voorbij, jullie kunnen weer kijken", zeg ik voor de derde keer in tien minuten tijd. Mijn dochter haalt haar handen voorzichtig van voor haar ogen, mijn man draait zijn blik langzaam weer naar het scherm. Plots krijsen ze in koor. Mijn verlossende woorden bleken net iets te vroeg uitgesproken. We kijken nochtans niet naar een horrorfilm. Het tv-journaal toont zijn dagelijkse compilatie van mensen, jong en oud, die wereldwijd hun mouw opstropen om een naald in hun bovenarm geploft te krijgen. De ene kijkt strak voor zich uit, de andere lacht zonder te verpinken. Mij doen die beelden weinig, maar voor twee derde van mijn gezin is het een dagelijkse marteling. Geërfd van vader op dochter. Ook al is het een natuurlijke reactie, je kind afschermen voor angst is op de lange termijn niet opportuun, lees ik op pagina 12. "Het moet erdoor. Als je niet in het water springt, kun je niet leren zwemmen." Dit schooljaar waagde mijn dochter zich al tweemaal aan zo'n sprong. Van de eerste moeten de huisarts en ik nog altijd bekomen, de tweede ging - na dagenlang inlepelen van moed en de meelevende assistentie van een klasgenoot - al verrassend rustiger. Maar de prikbeelden blijven telkens opnieuw zout in de wonde strooien. Ik blijf haar daarom nog even waarschuwen voor naalden. En zij mij voor indringende neuswissers.