Kunsthistorisch is dit een boeiend moment, want de 20ste eeuw wordt in kaart gebracht. Opeens komen fascinerende achtergrondfiguren op het toneel van wie we het belang jarenlang hebben onderschat. Meer dan ooit beseffen we hoe rijk aan talent die eeuw wel was en hoe moeilijk het in de toekomst wordt om nieuwe wegen te bewandelen. Jean Prouvé (1901-1984) is daar een mooi voorbeeld van, want al in de jaren dertig voorspelde hij wat er in de fifties en sixties zou gebeuren. Als zoon van kunstschilder Victor Prouvé en kleinzoon van de beroemde glaskunstenaar Emile Gallé, beiden stichters van de Ecole de Nancy, was hij een bevoorrechte erfgenaam. Hij begon zijn creatieve carrière trouwens in Nancy, de stad die dit jaar tal van tentoonstellingen over hem organiseert.
...

Kunsthistorisch is dit een boeiend moment, want de 20ste eeuw wordt in kaart gebracht. Opeens komen fascinerende achtergrondfiguren op het toneel van wie we het belang jarenlang hebben onderschat. Meer dan ooit beseffen we hoe rijk aan talent die eeuw wel was en hoe moeilijk het in de toekomst wordt om nieuwe wegen te bewandelen. Jean Prouvé (1901-1984) is daar een mooi voorbeeld van, want al in de jaren dertig voorspelde hij wat er in de fifties en sixties zou gebeuren. Als zoon van kunstschilder Victor Prouvé en kleinzoon van de beroemde glaskunstenaar Emile Gallé, beiden stichters van de Ecole de Nancy, was hij een bevoorrechte erfgenaam. Hij begon zijn creatieve carrière trouwens in Nancy, de stad die dit jaar tal van tentoonstellingen over hem organiseert. Prouvé begon als kunstsmid. In zijn geboortestad zijn er nog tal van deuren, balkons en tuinhekken te zien van zijn hand, gemaakt in een simpele art-decostijl die de abstracte architectuurstijl van de jaren twintig voorspelt. Toch trachtte hij rond zijn dertigste de band met de artisanale traditie te verbreken: destijds een vrij voorspelbare evolutie. Door zijn contacten met avant-garde architecten als Mallet-Stevens, Jeanneret en Le Corbusier zag ook hij rond 1925 in dat zowel de bouw- als de meubelindustrie een industriële revolutie ondergingen. Prouvé maakte zelf de evolutie door van kunstsmid tot metaalconstructeur. Daardoor verkeerde hij in een bijzondere positie, want hij had nauwere banden met de industrie dan de meeste moderne architecten en meubelontwerpers van toen. Later heeft hem dat nadeel berokkend, omdat hij lang in de schaduw bleef van grote namen als Le Corbusier: Prouvé werd meer beschouwd als een fabrikant dan als een authentieke ontwerper. In de jaren twintig maakte hij nog decoratief smeedwerk voor villa's, maar vanaf 1932 bouwde hij in Parijs moderne gebouwen: een grote stap. Na zijn experimenten met geprefabriceerde metalen bouwmaterialen, zoals steunbalken en stalen golfplaten, kon hij goedkoop en snel gebouwen optrekken. Dit resulteerde in 1937 in de bouw van de Aéroclub Roland Garros en één jaar later van het Volkshuis en de overdekte markt van Clichy. Daarvoor had hij zich professioneel goed geëquipeerd. In 1930 richtte hij in Maxéville een groot constructieatelier op, waar van alles en nog wat werd gemaakt, tot en met liftkooien. Tot 1966 hebben zijn ateliers ook prefab materialen en constructieonderdelen gemaakt voor veel andere opdrachtgevers. Prouvé had dus definitief gekozen voor industriële serieproductie. Hij legde zich net na de oorlog toe op de aanmaak van 1100 geprefabriceerde noodwoningen voor de streek van Nancy. Dat idee werkte hij in 1955 verder uit voor prefab woningen voor daklozen.Met vaste modules werken, wat hij al voor de oorlog deed, werd zeer actueel in de jaren vijftig en zestig. Zo concipieerde hij ook bezinestations, tentoonstellingspaviljoenen en bouwmaterialen voor gevelbekleding. Prouvé leverde dus zowel de constructieve onderdelen voor gebouwen als de afwerking. Daarvoor heeft hij ook geëxperimenteerd met aluminium gevelplaten. Tot zijn belangrijkste creaties worden onder meer het paviljoen gerekend voor de Centenaire de l'Aluminium in 1954 en de voorgevels van het Unesco-gebouw in Parijs, opgetrokken in 1969. De prachtige deuren van dat paviljoen worden momenteel getoond op de Parijse tentoonstelling. Het is niet te verbazen dat de vader van de prefab architectuur een rol speelde bij het tot stand komen van het Centre Pompidou in Parijs: in 1971 was hij de voorzitter van de wedstrijdjury. Jean Prouvé was niet enkel een soort van uitvinder en fabrikant, hij was ook een echte designer. Veel van de constructietechnieken die hij later voor gebouwen ontwikkelde, waren aanvankelijk bedacht voor meubelen. Het resultaat oogt soms wat vreemd. Vanaf 1929 ontwierp hij veel meubels van hout en geplooid metaal: ware serieproducten. Ze waren zuiver functioneel, en bestemd voor scholen of andere openbare gebouwen. Dit meubilair wijkt af van de buismeubelen die toen populair waren. Qua stijl staan ze dichter bij de vormgeving van de jaren vijftig, ook al werden ze twintig jaar eerder ontwikkeld. Het is trouwens via deze meubels dat Prouvé werd herontdekt. Parijse designantiquairs diepten zijn meubilair op in de vroege jaren negentig, wat tot een herwaardering leidde van heel zijn oeuvre. Omdat hij veel voor anderen werkte, bleef hij lang onbekend. Bovendien was hij een autodidact, destijds een reden om hem minder au sérieux te nemen. Hij werkte als ingenieur en architect, maar bezat geen diploma's. Misschien schuilt daarin het geheim van zijn vernieuwende kracht.Tentoonstellingen- Nancy: van 13 juli tot 15 oktober. Drie tentoonstellingen: in het Museum voor Schone Kunsten, de Galerie Poirel en het Parc de la Pépinière. Eventueel kan de eigen woning van Jean Prouvé in groep worden bezocht. Er worden ook rondleidingen in de stad georganiseerd. Meer info: Office de Tourisme, place Stanislas, BP 810, 54011 Nancy. Tel. +33-3-83 35 90 09. www.ot-nancy.fr. - Parijs: tot 31 augustus. Jean Prouvé et Paris, Pavillon de l'Arsenal, 21 bd. Morland. Tel. +33-1-42 76 31 28. Piet Swimberghe