Mijn eerste noemenswaardige kennismaking met het werk van Marcel Wanders was een snottebel. De kennismaking dateert van 2001, en ze vond plaats op de meubelbeurs van Milaan. De snottebel van Wanders had een prominente plek op de stand van Cappellini, in die periode 's werelds invloedrijkste meubelmerk. De Snotty, vervaardigd van hard plastic, was een ietwat subversief, maar terzelfder tijd ook bijzonder schattig vaasje. Er hoorde een brochure bij waarin werd uitgelegd hoe je van je eigen snot voorwerpen kon maken (hoe precies, ben ik vergeten ; dat ik het nooit heb geprobeerd, weet ik wel zeker).
...

Mijn eerste noemenswaardige kennismaking met het werk van Marcel Wanders was een snottebel. De kennismaking dateert van 2001, en ze vond plaats op de meubelbeurs van Milaan. De snottebel van Wanders had een prominente plek op de stand van Cappellini, in die periode 's werelds invloedrijkste meubelmerk. De Snotty, vervaardigd van hard plastic, was een ietwat subversief, maar terzelfder tijd ook bijzonder schattig vaasje. Er hoorde een brochure bij waarin werd uitgelegd hoe je van je eigen snot voorwerpen kon maken (hoe precies, ben ik vergeten ; dat ik het nooit heb geprobeerd, weet ik wel zeker). Het was een van de opvallendste voorwerpen dat jaar in Milaan. Misschien omdat het zo klein was (nog geen negen centimeter hoog), op een moment dat de meubelindustrie leed aan collectieve grootheidswaan, om niet te zeggen overmoed. Maar het vaasje was ook apart door de vorm : die was eerder wulps en organisch dan minimaal, de trend van dat moment. Enerzijds paste de snottebel in de traditie van designers als Noguchi of het echtpaar Eames, met uit de natuur gecalqueerde vormen. Anderzijds blikte Wanders al vooruit naar de door 3D-printers gegenereerde prulletjes die momenteel zo populair zijn. De snottebel was overigens niet de eerste hit van Wanders : hij had in 1995 al indruk gemaakt met zijn Knotted Chair, een loungestoel van geknoopt touw (macramé, zeg maar) met een zekere art nouveau-esthetiek. De stoel werd in productie gebracht door het toen bijzonder hippe Nederlandse bedrijf Droog Design, en veroverde zo de wereld (of toch die van gespecialiseerde tijdschriften en websites). Het voorbije anderhalf decennium heeft Wanders gewerkt voor zowat alle belangrijke designfabrikanten : Alessi, Baccarat, B&B Italia, Bisazza, Boffi, Cappellini, Christofle, Droog, Flos, Kartell, Magis, Moroso, Poliform, om er maar enkele te noemen. Hij heeft een neus voor zaken. In 2001 hielp hij het merk Moooi mee op te richten. Hij bracht er als artistiek directeur een groot aantal van zijn eigen belangrijkste ontwerpen onder, en verzorgde de vaak spectaculaire presentaties van Moooi tijdens de designweek van Milaan. Ik herinner me een stand waar een acrobate aan een reusachtige luchter bengelde. Het kunnen er ook twee zijn geweest. B&B Italia verwierf de helft van het bedrijf, en de voorbije jaren is het rustiger geworden rond Moooi. De opvallendste hit van het label is een ontwerp van het Zweedse collectief Front : een protserig, levensgroot paard van zwart plastic, met kitscherige lampenkap. Dat paard is dus niet van Wanders, maar het is tegelijk redelijk typisch voor zijn stijl : opzichtig en amper functioneel. Je kunt er eventueel een keer om lachen, en daarna nooit meer. Het is een onnozele, dure grap, neergeplant in de lobby's van honderd en een (en hopelijk niet meer) mislukte designhotels. Wanders heeft in de meubelsector de barok geherintroduceerd. Of beter gezegd : een zekere esthetische overdaad. Zijn stijl is met de jaren decoratiever geworden : pompeuze kroonluchters, druk bedrukt behang, clubfähig zwart, goud voor de nieuwe markten. Hij geeft geen moer om goede smaak. Dat is, in zekere zin, een verdienste. Het vergde immers moed om in te gaan tegen het minimalisme dat sinds de jaren vijftig de ontwerpersgilde in zijn ban heeft. Wanders trok ten strijde tegen het less is more-dogma van Ludwig Mies van der Rohe. Minder is niet gezellig. Meer imponeert. "Ik zit niet vast aan honderd jaar minimalisme", verklaarde hij enkele jaren geleden in Volkskrant Magazine. "Ik heb me bewust altijd afgezet tegen wat zogenaamd goede smaak is, ik vind het heerlijk om naar kitsch te kijken." En verder : "Die goede smaak van ons is ooit bedacht door een industrie die nog niets kon. Voor die tijd hadden mensen meubelen met mooie gedraaide poten, houtsnijwerk, engeltjes erop. Maar toen kwam er een industrie die een plank kon zagen en een buis kon buigen, en niet veel meer. En dat werd gepropageerd als nieuwe stijl." Wanders noemt zichzelf een holist, eerder dan een technocraat. Uit de biografie op zijn website : "In Marcels universum is het koude van industrialisme vervangen door de poëzie, de romantiek en de fantasie van verschillende tijdperken, tot leven gebracht in het hedendaagse moment." "Marcel heeft het zijn missie gemaakt," heet het, "om een omgeving van liefde te creëren." Misschien moeten we hem maar zien als ontwerper van courante sprookjeskastelen (geen wonder dat hij zo geliefd is bij hoteluitbaters). Wanders is zonder twijfel een van de meest prominente designers van zijn generatie. Hij was eerst een would-be superster. En daarna een echte, zoals Philippe Starck, tot dan de enige designer waarvan de faam ver voorbij de grenzen van de designsector reikte. "Ik ben al content als ik in zijn schaduw mag staan", zei Wanders over Starck in het Nederlandse blad Eigen Huis & Interieur. "Die man is een superheld. De absolute nummer één. Daarna komt er heel lang niks en dan, op een gegeven moment, hoop ik óók ergens op die lijst te staan." Wat hem dus relatief snel gelukt is. Wanders, die letterlijk boven iedereen uitsteekt, bleek een geboren showman, een clown bijna (het tijdschrift Time noemde hem "de Lady Gaga van het design"). Net als zijn vader, een middenstander (hij verkocht huishoudelijke artikelen) die graag operazanger was geworden, en zijn kinderen leerde voor een publiek te spreken. Hij had concurrentie in de race naar universele roem. Bijvoorbeeld van Karim Rashid, een Canadees met een zwak voor shocking pink. Zowel Wanders als Rashid maakte personages van zichzelf, karikaturen bijna. Wanders gebruikt als logo een gestileerd portret van zichzelf met clownsneus. "Je moet er geen clown in zien, maar een hofnar", zei hij daarover in Paris Match. Wanders en Rashid hadden nog iets gemeen : beide ontwerpers waren jarenlang hyperproductief. De Nederlander heeft naar eigen zeggen sinds het begin van zijn carrière meer dan 1400 projecten gesigneerd. Meubilair en voorwerpen, maar dus ook interieurs, van South Beach in Miami tot de Prinsengracht in Amsterdam, waar hij vorig jaar een hotel onderbracht in een oude bibliotheek. In Amsterdam heeft hij ook zijn hoofdkwartier, het Westerhuis. De hofnar werd dit jaar vijftig, ondanks een zwak hart, en zit niet stil. We horen en zien hem misschien iets minder dan vroeger. Maar dat komt omdat de appetijt van meubelindustrie en media voor sterdesigners fel is afgenomen. De tijden zijn veranderd. Design heeft niet langer dezelfde coolfactor als tien, vijftien jaar geleden, toen de hele sector met wassen vleugels gevaarlijk dicht bij de zon vloog. Maar Wanders stelt het wel. Hij jongleert werk voor de meubelindustrie met het artistiek leiderschap van Moooi en opdrachten van onder meer grote supermarkten. Marks & Spencer, de Bijenkorf en de Amerikaanse supermarktketen Target zijn klanten. In februari van 2014 wijdt het Stedelijk Museum een grote tentoonstelling aan de man en zijn werk, Marcel Wanders : Pinned Up. Op het affiche zien we hem met een speld vastgeprikt in een ouderwetse lijst. De dartelende, vrolijke vlinder van de meubelindustrie, gereed om onder de loep te worden genomen. DOOR JESSE BROUNS"Er kwam een industrie die een plank kon zagen en een buis kon buigen, en niet veel meer. Dat werd dan maar gepropageerd als nieuwe stijl"