Het is 7 juli wanneer we bij Monica Ali thee drinken, ergens in een groene vlek in de Londense rand. Net één jaar na de metro- en busaanslagen. Al is er niets wat daarop wijst in Waterloo Station. Behalve de lichtkrant die meldt dat het Londense transport over de middag enkele minuten halt zal houden. Ik vertel het Ali wanneer ze beleefd naar onze reis polst. En of zij er al bij stilgestaan had, vraag ik. Zomaar, een losse flodder, om wat warm te kouten terwijl ze thee inschenkt. Dat was toch de bedoeling. Maar Ali krijgt er blijkbaar het koude zweet van. Ze zucht diep, en zegt streng "dat we maar beter bij de les blijven en over het boek praten". Een ietwat overtrokken reactie die de temperatuur van het gesprek prompt even onder nul laat zakken en die doet vermoeden dat Ali koste wat het kost níét de woordvoerder wil zijn van multicultureel Londen. Een rol die ze nochtans - en niet heel onlogisch - toebedeeld kreeg na haar debuutroman Brick Lane waarin ze de Londense Bengaalse gemeenschap een gezicht gaf.
...

Het is 7 juli wanneer we bij Monica Ali thee drinken, ergens in een groene vlek in de Londense rand. Net één jaar na de metro- en busaanslagen. Al is er niets wat daarop wijst in Waterloo Station. Behalve de lichtkrant die meldt dat het Londense transport over de middag enkele minuten halt zal houden. Ik vertel het Ali wanneer ze beleefd naar onze reis polst. En of zij er al bij stilgestaan had, vraag ik. Zomaar, een losse flodder, om wat warm te kouten terwijl ze thee inschenkt. Dat was toch de bedoeling. Maar Ali krijgt er blijkbaar het koude zweet van. Ze zucht diep, en zegt streng "dat we maar beter bij de les blijven en over het boek praten". Een ietwat overtrokken reactie die de temperatuur van het gesprek prompt even onder nul laat zakken en die doet vermoeden dat Ali koste wat het kost níét de woordvoerder wil zijn van multicultureel Londen. Een rol die ze nochtans - en niet heel onlogisch - toebedeeld kreeg na haar debuutroman Brick Lane waarin ze de Londense Bengaalse gemeenschap een gezicht gaf. In de boekenkast bij Ali alvast namen die we konden verwachten, genre Hanif Kureishi, Zadie Smith (met wie ze van bij haar debuut vergeleken werd) en Robert Fisk. Veel tekenfilms en speelgoed ook, van haar twee kinderen Felix (7) en Shumi (5). Monica Ali zelf is 39. Voor ze begon te schrijven, werkte ze op de marketingafdeling van een design- en brandingagentschap. Haar moeder had haar vader, een Bengaalse student, ergens op een feestje ontmoet in Noord-Engeland. Ze trokken samen naar Bangladesh, trouwden er, kregen er dochtertje Monica en ze zouden er gebleven zijn als de burgeroorlog er niet was uitgebroken. Terug naar Engeland dus, waar het gezin lange tijd een snuisterijenwinkeltje uitbaatte - juwelen, porseleinen beeldjes, rugzakken. Veel later behaalde haar vader nog een geschiedenisdiploma en ging de man lesgeven. "Een leuke kindertijd", zegt Ali erover. "Ik was me er trouwens altijd van bewust dat ik ergens op een kruispunt stond tussen twee culturen. Niet dat ik me ooit een trieste buitenstaander heb gevoeld, maar ik heb het leven altijd wel vanuit een 'ander', een 'dubbel' perspectief bekeken. Ook 'anders' aangevoeld."De schrijverscarrière van Ali stond nog maar amper op de benen, toen ze al bij de hand werd genomen voor een heuse sprint. De maandag nadat ze de eerste afgewerkte hoofdstukken van haar debuut Brick Lane had laten lezen door een vriend "die zijdelings in de uitgeverswereld werkte", kreeg ze al het contract van een popelende uitgeverij onder de neus. Zelfs de vertalingen lagen vast. Je zou van minder verlammen, maar Ali liet zich niet intimideren en nam rustig haar achttien maanden tijd om het boek netjes af te werken. En hoewel na de overdadige publieksopwarming het boek bijna alleen nog op koudedoucherecensies leek te kunnen afstevenen, verblufte Brick Lane alsnog vriend en vijand. Het boek werd een bestseller en belandde op de shortlist van de Booker Prize. En terecht. Brick Lane, over het groeiende zelfbewustzijn van de Bengaalse Nazneen die na een uithuwelijking haar dagen slijt in de Londense wijk Tower Hamlets, is zo'n pageturner die je tijd en ruimte doet vergeten, waarvan je de laatste bladzijde zo lang mogelijk uitstelt. Intelligent geschreven en met een scherpzinnige, tragikomische ondertoon. Het doet me op de een of andere manier ontzettend verlangen naar een Gentse Monica Ali die op dezelfde meeslepende manier laat binnenkijken in de ziel van de Sleepstraat. Keerzijde van een ronkend debuut als Brick Lane : de opvolger is haast onvermijdelijk doodgeboren. Zo valt doorgaans het lot voor doodgeknuffelde debutanten. Tenzij je alle vergelijkingen met je eersteling gewoon vooraf de mond snoert door fundamenteel van koers te wijzigen. Opvolger Alentejo Blue, of Het blauw van de Alentejo in het Nederlands, heeft niets van doen met Brick Lane. Het boek kabbelt zich een weg tussen de kurkeiken van de Zuid-Portugese streek de Alentejo en de hoofdstukken laten in het hoofd kijken van verscheidene inwoners en bezoekers in het (denkbeeldige) dorpje Mamarrosa. Er is (onder meer) de vadsige cafébaas Vasco die met afschuw de opening aanschouwt van een internetcafé ietwat verderop, er is het trieste, verloederde gezin van twee oude Engelse hippies, er is het plaatselijke meisje dat ervan droomt om als au pair uit het dorp te kunnen ontsnappen, de schrijvende alcoholicus Stanton die er al jaren aan zijn tweede roman werkt en de grote afwezige Marco Alfonso Rodriguez die jaren geleden het dorp achter zich liet om binnenkort, zo gaan de geruchten, terug te keren met een immens kapitaal dat hij er wil investeren in een groots toeristisch complex. Tót de man werkelijk terugkeert en niets meer is zoals het lijkt. De hoofdstukken zijn op zich staande kortverhalen, telkens gevangen in het hoofd van één personage. Het enige wat hen bindt, is de plaats. Zo zijn de verhalen haast verschillende bodemstaaltjes van hetzelfde dorp. Weg dus van Londen, van Bangladesh, van interculturele vraagstukken. Resoluut naar de kurkdroge stilte van Portugal. Waarom Portugal ? Omdat we er nu al een paar jaar met het gezin op vakantie gaan. Maar dan uitgebreid : alles samen verblijven we er drie tot vier maanden per jaar. We hadden er vrienden die er geëmigreerd zijn en die hebben ons zin doen krijgen. Intussen hebben we er ook een cottage gekocht, die we nu aan het opknappen zijn. De Alentejoregio is de grootste van Portugal, maar nog erg onderontwikkeld. En onbekend, zeker in vergelijking met de door toeristen platgelopen Algarve. Ik had eigenlijk een ander boek voor ogen, maar ik merkte dat de Alentejo me te veel in de ban hield de voorbije maanden om over iets anders te kúnnen schrijven. Als schrijver kies je niet zelf je materiaal. Het materiaal kiest jou. Net zo met de vorm ? Vanwaar de beslissing om van de hoofdstukken haast onafhankelijke kortverhalen te maken ? Aanvankelijk was het mijn bedoeling om de plot vanuit het standpunt van de schrijvende Stanton te vertellen. Maar dat klopte niet. Stanton is niet de motor van het verhaal. De enige echte drijvende kracht van het boek is het dorp Mamarrosa. Dat moest ik eerlijk onder ogen zien. De uitdaging was dan : hoe geef ik een dorp een stem ? Via verschillende personages en stemmen tegelijkertijd, zoveel was duidelijk. De personages zijn de spreekbuis voor het dorp, het plaatsje. Karakters schetsen en goed uitwerken : dat is voor mij de grootste en boeiendste uitdaging in schrijven. Ik voel me altijd alsof ik in een constante onderhandeling zit met mijn personages : geven en nemen. Hoe dan ook is het een proces waarin zij evenveel in de pap hebben te brokken als ikzelf. Dát, goed uitgedachte en gemodelleerde karakters, is voor mij veel belangrijker dan de eigenlijke plot. Ik weet wat je bedoelt. Zoals Peter Mayles Een jaar in de Provence en de vele anderen in zijn kielzog . Kijk, het laatste wat ik wou, was de Alentejo opkleuren als een zoet en afdoend alternatief voor het gehypete Toscane. Ik denk zelfs dat ik een allesbehalve idyllisch prentje heb opgehangen van de Alentejo. Ik heb het getoond zonder franjes : in al zijn armoede, zijn eenzaamheid en nahikkend van zijn fascistische Salazarverleden. Er zit te veel realisme in het boek om het te kunnen vergelijken met die andere mediterrane romans. Nee, natuurlijk niet. Alsof ik me op basis van een strak strategisch plan aan het schrijven zou kunnen zetten. Zo werkt het niet. Portugal had me in zijn greep, en kijk, daar is een boek van gekomen. Meer niet. Achteraf bekeken zie ik trouwens wel heel wat gelijkenissen tussen beide. Keuzen, het lot, migraties, verbanning, thuishoren, je een plaats eigen maken : dat zijn toch wel facetten die in beide boeken voorkomen. Ook het concept 'dorp' lijkt me precies wel te intrigeren. Brick Lane is tenslotte ook een dorp, binnen Londen dan wel. Ook de humor is er in beide boeken, zelfs in de zwartste ogenblikken. Nog eens : het materiaal kiest mij. Ik schrijf niet naar de grillen van de media. Absoluut niet. Waarom zou ik dat willen ? Ik bén Brits, ik bén Aziatisch en ik schrijf. Hoe zou ik me daarvan kunnen verlossen ? En wat is daar trouwens mis mee ? Ik heb helemaal niet het gevoel dat mijn afkomst mijn schrijven dirigeert. Waarom stelt niemand zich dan vragen bij Alexander McCall Smith : die schrijft verdorie vanuit het gezichtspunt van zwarte vrouwen uit Botswana. Iemand hem ooit al gevraagd of het misschien een poging was om zijn blanke, mannelijke schrijverschap te ontvluchten ? Als een vrouw van Aziatische origine vanuit het perspectief van een blanke man schrijft, wordt er opeens van alles achter gezocht. Kijk, ik schrijf. En ik wil schrijven waarover ik wil. Ik kán trouwens ook niet anders dan te schrijven waarover ik wil. Ongetwijfeld zal mijn Bengaalse afkomst daar altijd wel ergens in te vinden zijn, maar dan nooit als beperkende richtingaanwijzer. Klopt. Ik heb ontzettend veel reacties gekregen. Nog altijd. Heel ontroerende soms, van Bengaalse meisjes die me bijvoorbeeld schrijven over hun uithuwelijking. En ja, ik heb toen veel lezingen gegeven, essays geschreven ook. Maar ik ben en blijf een romanschrijfster. Geen politica, geen gemeenschapswerker. En dat mag ook niemand van mij verwachten. Tja. Ik kan daar gewoon niets zinnigs over zeggen. Let wel : ik ben diepgaand bezorgd over die kwesties, over de multiculturele samenleving in Londen. Maar een interview is te kort om daarop in te gaan. En ik ben niet zo iemand, zoals een politicus dat wel is, die de hele problematiek in enkele volzinnen wil samenvatten. Ik heb er een heel boek voor nodig. Ik weiger om te simplificeren. En ik vind ook niet dat van mij verwacht mag worden dat ik altijd een mening kan ventileren over die kwesties. Ik schrijf boeken, verzin verhalen. Meer niet. En dat ben ik ook, absoluut. Ik wil vrouwen blijven overtuigen te geloven in hun waardigheid en kwaliteiten. Ik geloof niet in postfeminisme, dat geënt is op een klein blank westers stukje maatschappij. Kijk alsjeblieft breder : in de meeste landen en culturen heeft feminisme nog een grote taak te vervullen. Máár - en dat onderscheid wil ik goed maken - ik schrijf niet met een feministische agenda. Helemaal niet. Ook Brick Lane niet. Ik vertrek altijd vanuit de personages, die spreken voor zich. Ik ben in elk geval al bezig aan een volgend boek, en ook het verhaal voor het boek daarna zit al in mijn hoofd. Wat er dán gebeurt, dat zie ik dan nog wel. Voorlopig voel ik in elk geval nog altijd de diepe nood om te schrijven. Om de deur dicht te trekken en op te gaan in dat universum dat ik aan het scheppen ben. Schrijven geeft me zuurstof. Ik schrijf niet om te zeggen aan de wereld wat ik denk. Bij mij werkt het omgekeerd : ik schrijf om te ontdekken wat ik denk. Om inzicht te krijgen. Ik heb het dus echt nódig. Ik evolueer bovendien. In Het blauw van de Alentejo had ik bijvoorbeeld al eens de moed om de stiltes alleen te laten. En om de lezer aan te moedigen om de stiltes te lezen. Dat durfde ik nog niet in Brick Lane. Terwijl stiltes zo alleszeggend zijn. Het blauw van de Alentejo, Monica Ali, Prometheus, 253 blz., 19,95 euro. Door Guinevere Claeys / Foto Charlie De Keersmaecker