Twee rijvakken van de autosnelweg zijn versperd door overhinkende boskabouters die zich lieten verrassen door aanstormend verkeer. Ik neem de binnenweg langs de Sausjee Romain, de Romeinsesteenweg, tegenwoordig meer put dan steen, Julius Caesar zou zich schamen. Ik rijd binnendoor, langs Laken, een plaatsnaam die naar kraakwit beddengoed ruikt met fris gesteven kroontjes. Veel bomen in de buurt, af en toe een Japanse toren, dat alles in de winter bladloos en tamelijk mistroostig. Ik rijd langs het koninklijk domein, die muur van verweerde baksteen, zwart-met-goud-gepunte hekken en prikkeldraad die ik als kind zo eindeloos vond als de verste diepten van het heelal. Op de zwarte simileren achterbank van onze Opel Rekord verbaasde ik mij erover dat één enkele mens zoveel muur kon hebben, dan nog zonder raam erin. Het had iets dreigends, maar ook iets heel eenzaams. Van wat er achter die muur a...

Twee rijvakken van de autosnelweg zijn versperd door overhinkende boskabouters die zich lieten verrassen door aanstormend verkeer. Ik neem de binnenweg langs de Sausjee Romain, de Romeinsesteenweg, tegenwoordig meer put dan steen, Julius Caesar zou zich schamen. Ik rijd binnendoor, langs Laken, een plaatsnaam die naar kraakwit beddengoed ruikt met fris gesteven kroontjes. Veel bomen in de buurt, af en toe een Japanse toren, dat alles in de winter bladloos en tamelijk mistroostig. Ik rijd langs het koninklijk domein, die muur van verweerde baksteen, zwart-met-goud-gepunte hekken en prikkeldraad die ik als kind zo eindeloos vond als de verste diepten van het heelal. Op de zwarte simileren achterbank van onze Opel Rekord verbaasde ik mij erover dat één enkele mens zoveel muur kon hebben, dan nog zonder raam erin. Het had iets dreigends, maar ook iets heel eenzaams. Van wat er achter die muur aan geheimzinnigheden gebeurde, kon ik mij geen voorstelling maken, maar in mijn fantasie figureerden juffrouwen met vergulde harpen en ijzeren dossierkasten van het merk Mewaf, achteraf beschouwd een vreemde combinatie. Als kind was ik erg onder de indruk van dossierkasten van het merk Mewaf. Ze stonden voor alles wat ernstig en belangrijk was en als iets daaraan beantwoordde dan wel onze vorst, die toen nog Boudewijn werd genoemd. Vanuit de Opel, met de pinguïn die op het dashboard gemoedelijk ja knikte, liet mijn vader mij het poortje in de muur zien waarlangs hij af en toe bij Sire op de koffie ging. Die verhalen werden opgedist met uitgekiende details. Ik herinner mij dat ik er argwanend naar luisterde, hoe jong ik ook was. Ik vond het een beetje stom van mijn vader, dat hij zich tegen die vorst aanschurkte om indruk op mij te maken, terwijl ik hem zelf interessanter vond, met zijn palet en zijn donkere kamer en het eigenhandig ontworpen projectietoestel, dat als een giraffe van triplex op hoge poten in zijn atelier torende. Ik geloof dat ik van bij mijn geboorte geen groot royalist was en de immanente onrechtvaardigheid voelde die zich, door kinderogen, voornamelijk uitte in te veel muur voor één mens. Nu nog bekruipt mij, als ik op onbewaakte momenten aan onze prinsen en prinsessen denk, een gevoel van derealisatie : hé, hebben wij dat echt ? Dan vast ook zevenmijlslaarzen en peperkoeken passiefhuizen. Zo lichaamsvreemd voelt het te leven onder een Sire die straffen kwijtscheldt en waarbij de politici aanschuiven als schooljongens die iets hebben mispikkeld. Vroeger kon ik mij opwinden over dergelijke anachronismen, ik vond het restanten van geharnaste tijden waarin er horigen en lijfeigenen waren. Symptoom van de oude menselijke zwakheid om altijd op zoek te gaan naar een vader, die zich beurtelings als god, goeroe, dictator of koning vermomt. De mens moest dat juk van zijn schouders werpen en vrij durven ademen. Die wrevel steekt nog wel eens de kop op, als ik gekroonde tongen behaard Nederlands hoor spreken. Als ik verneem dat ze aan de achterkant van het station, als blijk van slavenziel en slechte smaak, een Prinses Mathildeplein gaan maken. De laatste jaren ben ik echter milder geworden in mijn oordeel. Ik weet niet meer of ik liever een Sarkozy zou hebben of, sta me bij, een Berlusconi. Het koningschap kan bezwaarlijk de meest democratische instelling worden genoemd, maar misschien is zo'n genetische loterij sympathieker dan een electorale ratrace waarin de corruptste snoeshaan de neiging heeft boven te drijven. Als ik moet kiezen, dan liever oud geld en blauw bloed dan de met briljanten afgeboorde iPod van de voetballersvrouw. In Albert II kun je trouwens moeilijk een gevaarlijke tiran zien. "De koning is een lieve man", hoor ik De Croo senior op televisie verkondigen, met die verzaligde discretie van zij die in contact staan met het Hoogste, maar daar niets over mogen lossen. Er is paniek in het paleis, de koning maakt zich grote zorgen, hij slaapt er niet meer van. Berichten als deze sijpelden niettemin naar buiten door het poortje in de muur van het domein in Laken. Met een lik spaarzame februarizon krijgt dat warempel een zweem van weemoed als ik er nu passeer. Achter dat poortje zit mijn papa, aan een klaptafel van formica, voorgoed te picknicken met Boudewijn. Over de zwarte vijvers weerkaatst hun geschater terwijl ze van gedachten wisselen over koetjes en hofleveranciers en gedecoreerden in de kroonorde als Gaston Berghmans en Bobbejaan. Met iets van verbazing stel ik vast dat de paleismuur wel degelijk een eindpunt heeft. Voor ik het weet, bol ik over de Van Praetbrug, die naar goede gewoonte druk is maar eenhoornvrij. jp.mulders@skynet.be Jean-Paul Mulders