Soms is het eenzaam nergens bij te horen. Van zodra iets een groepsgebeuren wordt, ontstaat er een enorme stuwkracht. Ik wil blijven luisteren naar mijn innerlijke stem, zonder verdoofd te worden door het lawaai van een groep. Ik besef dat ik een heel manipuleerbare persoonlijkheid heb. Als ik in een team terechtkom, stel ik heel snel het belang van de groep voorop en cijfer ik mezelf makkelijk weg. Ik ben heel oprecht in uiteenlopende mensen geïnteresseerd, maar heb weinig vriendschappen. Dat ik ietwat ondefinieerbaar blijf voor de buitenwereld is goed. Je wordt snel genoeg in een vakje geduwd. Ik heb het meegemaakt met de vele Kafka-vergelijkingen in het begin van mijn carrière : van zo'n etiket raak je nauwelijks af.
...

Soms is het eenzaam nergens bij te horen. Van zodra iets een groepsgebeuren wordt, ontstaat er een enorme stuwkracht. Ik wil blijven luisteren naar mijn innerlijke stem, zonder verdoofd te worden door het lawaai van een groep. Ik besef dat ik een heel manipuleerbare persoonlijkheid heb. Als ik in een team terechtkom, stel ik heel snel het belang van de groep voorop en cijfer ik mezelf makkelijk weg. Ik ben heel oprecht in uiteenlopende mensen geïnteresseerd, maar heb weinig vriendschappen. Dat ik ietwat ondefinieerbaar blijf voor de buitenwereld is goed. Je wordt snel genoeg in een vakje geduwd. Ik heb het meegemaakt met de vele Kafka-vergelijkingen in het begin van mijn carrière : van zo'n etiket raak je nauwelijks af. Ik evolueer naar een lichtere toon. Dat komt, denk ik, met ouder te worden. Dat je het leven meer begint te waarderen dan te contesteren. Het komt ook met de ervaring. Op jonge leeftijd durf je het nog niet aan om licht te schrijven. Schrijven is iets heel instinctiefs. Heel organisch ook. Een soort celdeling waar ik geen controle over heb. Het woekert. Ik ben 35.000 woorden ver in mijn volgende boek en ik weet nog altijd niet of het wat zal worden. Dat is, paradoxaal genoeg, een teken dat ik goed bezig ben. Zodra je zeker van je stuk bent, loop je het risico op automatische piloot naar het einde te vliegen. Je moet tot de laatste pagina's je verhaal in vraag stellen. Met elk nieuw boek zet ik iets op het spel. Ik zoek naar verhalen waarvan ik me afvraag of ik ze wel kan vertellen. Verplicht mezelf altijd weer op de toppen van mijn tenen te staan. Je moet de lezer de ruimte geven om er zijn eigen boek van te maken. Ik heb net De kinderwet van Ian McEwan gelezen. Voor alle duidelijkheid : hij heeft boeken geschreven waar ik nooit aan zal kunnen tippen, maar deze keer heb ik mij mateloos geërgerd aan de uitleggerige samenvattingen. Hij plamuurt alles dicht. Hij laat niets te raden over, laat nergens een gaatje waarlangs de lezer het verhaal tegemoet kan treden. Aan een roman moeten rafelranden zitten. Dat er bij ons thuis geen boeken waren, beschouw ik niet als een beperking. Precies omdat ik er zo lang van verstoken ben gebleven, heb ik me op mijn 22ste met zo'n overgave in de literatuur gestort. Mocht het me zoetjesaan ingelepeld zijn, zou ik misschien een bioloog met een grote liefde voor literatuur geworden zijn. Toen ik De donkere kamer van Damokles van W.F. Hermans las en daar enorm door gegrepen werd, waren het contrast en de impact zo groot dat ik meteen dacht : daar, in de literatuur, is mijn plaats. Waarop ik alle bruggen verbrandde. Je kunt niet geloven hoe sterk die overtuiging was. Ik zat op een dieptepunt, raakte bijna aan de drank. Doodongelukkig was ik met mijn toenmalige bestaan als handelsreiziger. De literatuur bracht verlossing. Al heb ik eerst 13 jaar lang het schrijven gecombineerd met jobs in de horeca. Mijn ouders hebben me nooit in een richting geduwd. Omdat ze fabrieksarbeiders waren, die tot hun 14 jaar naar school waren gegaan, waren zij totaal onbekend met hogere studies. Ik heb mijn weg zelf moeten zoeken. Dat was geen pretje, maar misschien had ik dat wel nodig om bij de literatuur uit te komen. Ik kon me als kind goed vervelen. Lange tijd alleen zijn ? Geen probleem. Ik bracht veel tijd door bij mijn grootouders in Roeselare. Zij woonden in een klein straatje aan de brouwerij Rodenbach. Rond het domein was een mooi versierde blinde muur. Ik heb heel veel naar die muur staan kijken ; er gebeurde daar niets. Misschien heb ik daar, op dat bakstenen canvas, mijn eerste verhalen gezien. Peter Terrin (46) debuteerde in 1998 met de verhalenbundel 'De code'. De roman 'De bewaker' (2009) werd bekroond met de Europese Literatuurprijs. Met 'Post Mortem' (2012) won hij de AKO-Literatuurprijs. Nu is hij met 'Monte Carlo' genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs (uitreiking op 11 mei). DOOR PETER VAN DYCK & PORTRET FREDERIK BUYCKX"Zodra je zeker van je stuk bent, loop je het risico op automatische piloot naar het einde te vliegen. Je moet tot de laatste pagina's je verhaal in vraag stellen"