Pierre Paulin, bijna tachtig, is een monument in het Franse design. Hij is tegelijk bekend en onbekend. Zijn fauteuils voor Artifort, hierbij afgebeeld, hebben icoonwaarde. Maar wat heeft Paulin behalve die fauteuils nog meer ontworpen ? En waarom bestaat er zo weinig literatuur over zijn werk ? Kortom : het is tijd voor de rehabilitatie van Pierre Paulin. Te beginnen met een veelbelovende overzichtstentoonstelling tijdens Design Parade in Hyères, komende zomer (zie Frans design, p. 104).
...

Pierre Paulin, bijna tachtig, is een monument in het Franse design. Hij is tegelijk bekend en onbekend. Zijn fauteuils voor Artifort, hierbij afgebeeld, hebben icoonwaarde. Maar wat heeft Paulin behalve die fauteuils nog meer ontworpen ? En waarom bestaat er zo weinig literatuur over zijn werk ? Kortom : het is tijd voor de rehabilitatie van Pierre Paulin. Te beginnen met een veelbelovende overzichtstentoonstelling tijdens Design Parade in Hyères, komende zomer (zie Frans design, p. 104). Paulin wordt gerespecteerd in Frankrijk. Dat kan ook moeilijk anders : internationaal is hij er zowat de enige relevante meubelontwerper van zijn generatie. Maar hij lijkt niet bijzonder geliefd. Een designhistoricus : "Paulin beweert graag dat zijn meubilair vaak werd gekopieerd. Maar eigenlijk heeft hij zelf ook niets uitgevonden. Origineel of niet : zijn werk kan prodigieus worden genoemd. Hij heeft een gevoel voor de lijn, voor het volume. Hij is een uitstekend scenograaf. En hij is inderdaad vaak gekopieerd." Een andere designprofessional noemt Paulin een knorpot : "Hij vindt dat er tegenwoordig alleen rommel wordt gemaakt. Dat hij destijds veel beter was."Paulin, van de jaargang 1927, groeit op in Parijs. Zijn vader is Fransman, zijn moeder komt uit het Duitstalige gebied van Zwitserland. Haar oom is een bekende beeldhouwer, Freddy Balthazar Stoll. Paulin droomt ervan in zijn voetsporen te treden. In 1949 snijdt hij een zenuw in zijn rechterarm kapot : zijn droom ligt aan diggelen. Hij kiest een nieuw metier : decorateur. Net als een oom van zijn vader, die de Bentley Streamline heeft getekend en de Peugeot décapotable. Hij studeert aan het Centre d'Art et Techniques, waar hij les krijgt van Maxime Old, een van de voornaamste Franse decorateurs. Die laat hem stage lopen bij Marcel Gascoin. Hij raakt gefascineerd door het Scandinavische design : tot de essentie gereduceerde, organisch geschapen voorwerpen. Niet veel later ontdekt hij het werk van Charles en Ray Eames in het Amerikaanse tijdschrift Interiors. Een openbaring. Paulin zet zijn eerste professionele stappen in 1953 tijdens het Salon des Arts ménagers, de legendarische beurs voor huishoudkunde, op de sectie Le Foyer d'Aujourd'hui. Die is gespecialiseerd in meubelen voor de moderne woning. Hij presenteert er, financieel gesteund door zijn vader, een project voor jonge gezinnen. Zijn inspiratie is duidelijk Scandinavisch, met een toets Frans rationalisme. Paulins carrière is onmiddellijk gelanceerd. Het tijdschrift La Maison française plaatst de meubelen op de cover, concurrent Mobilier et Décoration wijdt er een dossier aan. De jonge designer wordt gecontacteerd door een rist galeries. Nog datzelfde jaar begint hij een langdurige samenwerking met Thonet France. Paulin werkt veertien jaar voor het merk. Hij leert er van alles. Maar toch vooral dat fabrikanten winst willen maken. Design moet rendabel zijn. Frankrijk blijkt in de jaren vijftig niet helemaal klaar voor modern design. De Fransen blijven gehecht aan hun stijlmeubilair (of eerder : aan de goedkope imitaties ervan). Na de ontreddering van de Tweede Wereldoorlog hebben ze behoefte aan de zekerheid van traditie. De voorzichtige pogingen van lokale fabrikanten om vooruitstrevende meubelen te produceren zijn ontnuchterend. Omdat de markt beperkt is, maar ook door de hevige concurrentie uit het buitenland (het Amerikaanse Knoll opende zijn eerste Parijse winkel in 1951). De gevestigde meubelverkopers keren de nieuwe stijl bijna onmiddellijk de rug toe : ze willen volledige ensembles verkopen. Geen losse stukken, want daar is minder mee te verdienen. De Franse designers, Paulin inbegrepen, moeten zich dikwijls tevreden stellen met overheidsopdrachten. Die zijn vaak prestigieus, want er wordt na de oorlog veel gebouwd : de zakenwijk La Défense, de luchthavens van Orly en Roissy, de cultuurhuizen die overal in Frankrijk uit de grond schieten, de nieuwe satellietsteden, de voorstadstrein. Fascinerend werk, dat wel. Toch blijven veel designers op hun honger. Ze kunnen nauwelijks meubelen ontwerpen. In Scandinavië, Italië en de VS wordt design immers wel gesmaakt. Het werk van Paulin uit de jaren vijftig is grotendeels vergeten. In 1957 concipieert hij voor Thonet France een nieuwe technologie. Hij ontwerpt een chauffeuse van schuim met een voetstuk van gebogen metaal. Het meubel zit verpakt in een hoes van elastisch katoen, net als zijn latere klassiekers. Paulin zegt dat hij op het idee kwam terwijl hij naar vrouwen in spannende badpakken keek. In het buitenland is modern design dus wel populair. Enkele Franse designers verhuizen dan maar. Paulin gaat in Maastricht aan de slag, bij Artifort. Dat bedrijf was opgericht in 1890 als Wagemans, gespecialiseerd in stoffen en behang. In de late jaren twintig lanceerde Henricus Wagemans, de zoon van stichter Jules, een collectie meubelen onder de merknaam Artifort (een samentrekking van de Latijnse woorden ars en fortis, kunst en sterk). Wagemans werkte hoofdzakelijk met de ontwerper Theo Ruth, die niet alleen meubilair ontwierp, maar bijvoorbeeld ook de inrichting van passagiersschepen. In 1958 neemt Harry Wagemans een esthetisch adviseur onder de arm : Kho Liang Ie (1927-1975), zelf een verdienstelijk designer : hij is een specialist op het gebied van kantoortuinen. Zijn visie voor Artifort is simpel en duidelijk : hij vindt dat de fabrikant hedendaags meubilair moet maken voor het topsegment van de markt. Hij tekent zelf enkele meubelen en contacteert twee buitenlanders, Paulin en de Brit Geoffrey D. Harcourt. Ze krijgen carte blanche, technische bijstand en buitengewone financiële voorwaarden. Paulin voelt zich eindelijk begrepen. Paulin ontwerpt voor Artifort een hele reeks spectaculaire stoelen, waaronder model F560 (Mushroom Chair, 1959), model F577 (Tongue Chair, 1964, eerder een reusachtige chip dan een tong in Rolling Stones-stijl), en model F588 (Ribbon Chair, 1965, wellicht zijn grootste succes). De Ribbon, waarvan de vorm een lint evoceert, krijgt vier jaar later de Chicago Design Award, een belangrijke prijs. De F644, alias Butterfly Chair, is een veel minder zacht ontwerp uit 1964, met een frame van roestvrij staal en een bespanning in tuigleer (zwart of naturel) of koeienhuid. Ook de F598, alias de Groovy, uit 1973, heeft een iets strenger voorkomen dan de Mushroom of de Ribbon, zelfs in feloranje. De stoelen lijken zachte sculpturen, van hoeken gespaard. Paulin is dan toch nog beeldhouwer geworden. Soms is hij visionair. Een voorbeeld : in 1965 presenteert hij tijdens het Salon des Arts ménagers zijn Tapis-séjour, dat een bijna oosterse, laag-bij-de-grondse levensstijl voorschrijft. Vanaf 1966 werkt Paulin geregeld voor de Franse overheid. Preciezer : voor het Atelier de Recherche et de Création (ARC), een in 1964 opgerichte, nog steeds actieve afdeling van het Mobilier National, de instelling die zich al meer dan driehonderd jaar ontfermt over het officiële meubelpatrimonium van Frankrijk. Het ARC is een soort designlaboratorium waar uniek meubilair wordt gemaakt op maat van ministeries, ambassades en andere staatspaleizen, meestal in samenwerking met gevestigde designers. Af en toe wordt een prototype aan een fabrikant toevertrouwd en voor massaproductie gereedgemaakt. Paulin is onder meer betrokken bij de inrichting van het Maison de la culture van Rennes en van een aantal zalen van het Louvre in Parijs. Hij ontwerpt interieurs en meubilair voor het Franse paviljoen op de Wereldtentoonstelling van Osaka, Expo 70 : een privésalon, een receptiehal en een bureau. Het pronkstuk, een eindeloze bank, ligt in het verlengde van de Artifortfauteuils. De Amphys kan nog het best worden beschreven als drie aan elkaar gehechte worsten (in het Frans spreekt men van een canapé boudin). In blauw, wit en rood : de Franse vlag. Er worden voor Osaka twee exemplaren van gemaakt. Fabrikant Alpha International brengt later een aantal stukken op de markt : de Amphys, een bureautafel en een opbergmeubel uit het Japanse paviljoen ; een cirkelvormige bank die werd ontworpen voor het cultuurhuis van Rennes ; en een bank voor tien personen uit het Louvre. Met de nieuwe elastische stoffen die Paulin zowat als eerste gebruikt, en de technologische vooruitgang, is ongeveer alles mogelijk. Er zijn geen grenzen meer. Paulin is net zo goed decorateur als designer. Een aanzienlijke hap van zijn tijd gaat naar privéopdrachten. Hij richt woningen en appartementen in. Er blijven nauwelijks sporen van, tenzij publicaties in oude interieurtijdschriften. Hij ontwerpt ook een kunstenaarsfoyer voor het Maison de la Radio, bureaus voor Christian Dior, en een aantal winkels, waaronder de prestigieuze meubelzaak Meubles et Fonction en een zaak van Roche Bobois, beide in het zesde arrondissement van Parijs. In 1971 mag hij een gedeelte van het presidentiële appartement van George Pompidou herinrichten. Hij transformeert de ruimte in het statige Palais de l'Elysee in een fumé spiegelpaleis : eetzaal, rookkamer, lounge. Paulin ontwerpt een soort micro-architectuur, met enorme driedimensionale structuren. Dat is nodig omdat aan de oorspronkelijke architectuur van het paleis niet mag worden geraakt. De volledige installatie kan gemakkelijk gedemonteerd worden. Een boekenrek van bruin doorzichtig plastic dient als muur. Het fumoir lijkt een reusachtige tent. Hij ontwerpt fauteuils, canapés, stoelen, tafels en tafeltjes, lampen. De Pompidous zijn grote liefhebbers van hedendaagse kunst en design. Hun appartement is een popcultureel, welhaast psychedelisch statement (de interieurs worden bewaard in de archieven van het Mobilier National). In 1975 begint Paulin met zijn vrouw een eigen bureau gespecialiseerd in industrieel design, AD/SA. Hij ontwerpt tuinstoelen voor het merk Allibert en werkt aan een nieuwe lijn producten voor Calor. Villeroy & Bosch, Citroën en de SNCF behoren tot hun klanten. Zijn hal van het hotel Nikko in Parijs, uit 1976, wordt door kenners beschouwd als een van zijn meesterwerken. Bij de inhuldiging wordt nochtans schandaal gesproken. Vanaf de jaren tachtig werkt hij aan vertraagd tempo. Hij vertelt in interviews dat hij het beu is om in het designwarenhuis te werken dat AD/SA is geworden. Hij stopt volledig met seriewerk en experimenteert met andere, meer geometrische vormen. Hij heeft genoeg van zacht meubilair, grijpt terug naar de traditie. In 1980 ontwikkelt hij een zeer massieve tafel in aluminium, de zogenaamde table cathédrale. In 1983 presenteert hij in het Musée des Arts Décoratifs een collectie ebbenhouten stukken. Een jaar later ontwerpt hij een chic maar redelijk traditioneel bureau voor François Mitterrand. Zo wordt de man die aan het begin van zijn carrière nog het liefst meubelen wou ontwerpen voor gewone gezinnen de uitverkoren designer van maar liefst twee presidenten. Door Jesse Brouns I Foto's Archieven Paulin