T rajes de luce, pakken van licht, zo noemt men de goudgeborduurde kleurige kostuums van de stierenvechters. Het is een letterlijke en een metaforische naam. Letterlijk, omdat het pak gemaakt is om de zon te vangen. Men moet de torero van ver zien staan. En dat lukt: ook in de nok van de arena ziet men de lovertjes en de edelstenen flikkeren. In sommige kostuums zitten kilometers goud- of koperdraad verwerkt, en een jasje alleen al weegt snel tussen de drie en de vier kilo.

De stierenvechter is ook de symbolische drager van het licht. In het boek Oro Plata, embroidered costumes of the bullfight (met verbluffende foto's van Peter Müller) maakt Danièle Carbonel de vergelijking met Lucifer, de eerste en de mooiste engel die God wou onttronen, en wiens naam 'drager van het licht' betekent. In het gevecht dat meestal begint "al cinco de la tarde" (om vijf uur in de namiddag) komt de stier uit het beschaduwde deel van de ring afgestormd op de torero die hem opwacht in het deel dat nog baadt in de zon. Een aartsengel klaar om de draak te verslaan.

Het pak van licht dat hij draagt, is geen gewoon gewaad. Het heeft iets magisch en iets liturgisch. Van de vereerde volksheld tot de novillero die zijn eerste stappen in de arena zet, ze hebben er een speciale relatie mee. Luis Miguel Dominguín vertelt dat hij in zijn kleedkamer, terwijl het in de arena al gonst van de opwinding, spreekt met zijn pak: "Jij en ik, wij zijn hier alleen. En buiten ligt de wereld die we zullen veroveren."

Het pak van licht is een tweede huid. Het deelt de emoties van de stierenvechter. Angst, mislukking, triomf. Dominguín noemt het zijn zesde zintuig. Terwijl hij in een sierlijke dans de ene perfecte stap na de andere zet, weet zijn pak waar de horens van de stier zijn. Tenminste, meestal. Want op zestien plaatsen van zijn lijf draagt hij de tekens van een stier die slimmer was.

Al sinds de Middeleeuwen vochten Spaanse edelmannen te paard met stieren. Pas in de 18de eeuw krijgt ook de gewone burger dat recht, maar hij moet de confrontatie in de arena te voet aangaan. En hij doet dat met graagte en fierheid, want schuilt er niet zoals het spreekwoord wil "en cada español, un rey" (in iedere Spanjaard een koning)? Het is het begin van een krachtig - en in de ogen van velen wreed - theater. Eerst zijn de kostuums nog ruw, gemaakt van wol en leder, maar al snel komen de prachtigste creaties in zijde en fluweel op de scène. Ze zijn geïnspireerd op de stijl van de majos, de modieuze Spaanse aristocraten die niet willen weten van de Franse trends. De majo is een dandy, maar de matador - hij die de stier mag doden - geeft in de arena aan deze elegantie iets sacraals. Dat wordt nog versterkt omdat zijn pak geborduurd is met goud (zijn assistenten, de banderilleros en de picadors, dragen zilver.) Een rijkdom die de Spanjaarden tot dan alleen kenden van de heiligenbeelden die in processies door de straten werden gedragen. En dat worden deze gracieuze gladiatoren dan ook: nieuwe heiligen in een land dat het katholieke en het heidense probleemloos lijkt te combineren. Op de ceremoniële cape van de torero is de beeltenis van de Cristo del Gran Poder - de Almachtige Christus - geborduurd, maar het ritueel dat hij opvoert heeft ook wortels in de aloude Mithrascultus. Mithras, de lichtgod bij uitstek. En vooral: de doder van de onreine, boosaardige oerstier.

De traditie schrijft voor dat de torero tijdens het gevecht onberispelijk blijft, sin despeinarse, ni mancharse (haar niet in de war, en propere kleren). Het pak dat hij draagt moet perfect zitten, en zo blijven zitten. In gespecialiseerde ateliers wordt er dan ook lang en geduldig aan gewerkt, zodat er geen naad verkeerd loopt en geen plooi vals zit. Vele, eens befaamde, ateliers zijn vandaag verdwenen. De Casa Manfredi en de Casa Celis in Sevilla hebben hun deuren gesloten. In Barcelona is er niet één atelier meer.

Aan het boek Oro Plata werd meegewerkt door Don Fermín, naar men zegt de grootste couturier van trajes de luce. In zijn statige huis bij de Gran Via in Madrid werkte en werkt hij voor alle goden van de arena: van El Cordobés tot Dominguín.

Een talentrijk torero neemt per jaar deel aan zeventig à tachtig corrida's, en heeft per seizoen zo'n zes à zeven pakken nodig. De grote sterren betalen ook de kostuums van hun cuadrilla, de mannen te paard en de peones die de banderilla's hanteren.

Twintig jaar geleden, vertelt Don Fermín, was er een tendens naar soberheid, maar sinds enkele jaren gaat men onder invloed van stierenvechters als Luis Francisco Esplá terug naar meer decoratie. Het borduursel - met veel Arabische invloeden in het design - en ook de kleur wordt door de stierenvechter als een soort embleem beschouwd, zoals de kleuren en de banieren van ridders en knechten in middeleeuwse tornooien. Bijgeloof speelt hier ook een rol: zo zal Dominguín, sinds hij in die kleur verwond werd, nooit meer een purperen pak dragen. Rood wel. De zo goed als kleurenblinde stier heeft daar overigens geen probleem mee; hij stormt niet af op rood, maar op iets dat beweegt.

Zou men de fantasierijke jasjes en vesten, en de hemden met ruches met reden vrouwelijk kunnen noemen, de nauwaansluitende broek van de torero, de taleguillas, zet zijn mannelijkheid overduidelijk in evidentie. Zo komen in de arena twee seksuele symbolen tegenover elkaar te staan: de brute kracht van de stier en de meer discrete en esthetische viriliteit van de torero. De strijd van instinct tegen Eros. Dat dit gevecht ook vandaag nog een gewijd karaker heeft, kan je zien aan de manier waarop het publiek de arena verlaat. Niet het vulgaire leegstromen van een voetbalstadion, maar kalm en waardig. De catharsis heeft zich voltrokken.

Oro Plata, embroidered costumes of the bullfight, uitgeverij Assouline, Parijs, 1997, 3375 fr. Eerder verscheen een Franse editie.

In sommige kostuums zitten kilometers gouddraad verwerkt, en een jasje alleen al weegt snel tussen de drie en de vier kilo.

In de arena komen twee seksuele symbolen tegenover elkaar te staan: de brute kracht van de stier en de esthetische viriliteit van de torero.

Pol Moyaert