Ik ontmoet Paco Rabanne tussen het gebladerte van het bos van Meudon, buiten Parijs, in de reusachtige, grotendeels vervallen hal van een voormalige zeppelinfabriek. "U rijdt vast niet met de motor", zegt hij. Ik heb geen idee wat hij bedoelt. Misschien is er iets mis met zijn ruimteschip. Misschien is hij op zoek naar een lift, of naar een mecanicien.
...

Ik ontmoet Paco Rabanne tussen het gebladerte van het bos van Meudon, buiten Parijs, in de reusachtige, grotendeels vervallen hal van een voormalige zeppelinfabriek. "U rijdt vast niet met de motor", zegt hij. Ik heb geen idee wat hij bedoelt. Misschien is er iets mis met zijn ruimteschip. Misschien is hij op zoek naar een lift, of naar een mecanicien. "Neen," stamel ik, "maar ik heb wel een fiets." Rabanne schudt zijn hoofd, een tikje meewarig, en wijst naar mijn broek. "Jongen, jongen," zegt hij, "let toch op. Met die lage pantalon van u veroorzaakt u nog een ongeluk !" Paco Rabanne is min of meer 75, even oud als Giorgio Armani of Karl Lagerfeld. Hij lijkt lichter, minder vol van zichzelf, dan zijn notoire collega's. Hij heeft zich teruggetrokken uit de mode, heeft niets meer te verliezen. Zijn reputatie als ontwerper rust op zijn verleden. Hij mag lachen : hij heeft dat verdiend. Zijn logo wordt in de eenentwintigste eeuw nog uitsluitend op parfumflacons gekleefd. Voor Puig, de Spaanse cosmeticagigant, garandeert de naam Paco Rabanne nog altijd uitstekende verkoopcijfers. Dit najaar lanceert het merk 1 Million, een stoer jus voor mannen, verpakt in een imitatiegoudklomp. Rabanne is een van de peetvaders van bling, maar toch lijkt de nieuwe geur mijlenver verwijderd van zijn eigen universum. Niet waar, zegt hij. " Mon petit, u staart zich blind op het materialistische aspect van goud. Maar goud heeft ook een magisch aspect." Paco Rabanne : Omdat mijn zakenpartners het zo vriendelijk gevraagd hebben. Ik was pas zeventig, kunt u zich dat inbeelden ? Veertig jaar geleden heb ik alles verkocht. Mijn naam, mijn bezittingen. Dat was in mei '68, tijdens de studentenrevolte in Parijs, op het moment van de lancering van mijn parfum Calandre. Calandre, dat is de versmelting van twee Griekse woorden, cal en andros. De man die de gelijke van god wou zijn. Toen dat parfum uitkwam, vroegen de Fransen zich af waarom ik mijn parfum naar het onderdeel van een auto had genoemd. De idioten ! Kijk, ik ben met ontwerpen gestopt omdat het niet mijn bedrijf was, niet mijn geld. Ik ben een Bask. Ik zeg wat ik denk. In dit geval heb ik mijn zakenpartners gezegd : goed, ik begrijp u. En we hebben ons geconcentreerd op de parfums. Ik ben minder bij de zaak betrokken, maar ik volg alles wel op de voet. Ik ben 75, er rest me nog wat tijd. Maar als ik verdwijn, dan moet het team zonder mij verder kunnen. ( Hij weidt uit, als bezeten) Als ik er niet meer zal zijn, als ik aan de andere kant van de hefboom sta, als ik vertrokken zal zijn naar een ander planetenstelsel... Ik weet waar ik naartoe ga. Ik vertrek naar een relatief nieuwe planeet, in een zeer, zeer, zeer verafgelegen planetenstelsel. Dat planetenstelsel is interessanter dan het onze omdat het zich in het centrum van de Melkweg bevindt, in de buurt van Sirius. Weet u dat ons zonnestelsel aan de buitenkant van de Melkweg ligt, wat ons overigens in staat stelt de andere stelsels te observeren. In het centrum zie je niets. Er is alleen licht. De mensen van Orion en Sirius zijn bijna geïmmaterialiseerd. In Orion, bijvoorbeeld, hebben de mensen, of zo u wilt, de galactici, geen lichamen meer. Je kunt ze beschouwen als denkende entiteiten, pure energie. En waar gaat u naartoe ? Tegenover mij zit iemand met een ongelooflijke magnetische kracht (hij spreidt zijn armen : zò groot), maar geen enkel besef van die kracht. Dat is verschrikkelijk ! U bezit de kennis, u weet waarschijnlijk zelfs meer dan ik. Maar u hebt niet de moed gehad om aan de juiste deuren te kloppen ! U hebt niet geleerd om uw kracht te gebruiken ! Dat maakt me kwaad. Je moet als mens nieuwsgierig zijn, een denkend wezen. We worden niet geboren met wetenschap. Zonder nieuwsgierigheid is er geen vooruitgang mogelijk. Nieuwsgierigheid zet zaken in beweging. Enfin, om op uw vraag te antwoorden : ik heb afstand genomen omdat ik dat moest doen. Maar ik heb nooit gemokt, ik ben nooit koppig geweest. Veertig jaar parfums, dat is enorm. We hebben iets opgebouwd, een taal, geest, een esprit rabannesque. Die moet onderhouden worden. Iemand die nadenkt. Een onderzoekende geest. Provocerend. Onverbiddelijk. Hard. De naam van mijn nieuw parfum, 1 Mil- lion, is niet toevallig gekozen, numerologisch gezien staat het cijfer voor perfectie. One, het individu. Million, de massa, het tumult van ons tijdperk. Van één tot alles. Magie. Het is net zoals met de paus. U hebt het over Benedictus XVI, maar u weet niet eens wat dat betekent ! Benedictus XVI. Zestien ! Degene van wie men het hoofd afkapt ! Ga op internet en zoek naar Benedictus : u zult zien dat alle Benedictussen verraders zijn geweest, dat ze allemaal vermoord zijn. Benedictus XV, tijdens de Eerste Wereldoorlog. Vijftig miljoen doden. XIV, de grote pest van Rome, vijf miljoen doden. Deze paus is goed voor 200 à 300 miljoen doden. Hij is de laatste paus van het christendom. Hij wordt de keel overgesneden. Door de antichrist. U weet wel, die Engelsman die zich vandaag in Londen bevindt, en erg gevaarlijk is. ( Rabanne barst plotseling in lachen uit) : Ze zeggen weleens, Paco is compleet krankzinnig. Waarom vertelt hij zulke horror ? Weet u, als u zich op een avond verveelt aan uw haardvuur, met uw vrienden, nodig mij dan maar uit. Ik breng u gegarandeerd aan het lachen ... Maar u moet natuurlijk wel voor lekker eten zorgen. U bent Belg ? Ik heb in Brussel altijd subliem gegeten, veel beter dan om het even waar in Frankrijk. Ik was zeventien. Ik studeerde aan de Beaux Arts in Parijs. We hebben Perret gedood en begraven. We waren jonge studenten. We deden haasje-over terwijl hij rustte in zijn kist, in de gebouwen van het Conseil d'Etat aan place de l'Iéna. Wat hebben we toen gelachen. We wisten dat Perret er plezier aan zou hebben beleefd. Weet u, telkens als hij ons kwam opzoeken in het atelier, met zijn wandelstok, vroeg hij de jongste onder ons om zijn broek open te knopen, zodat hij kon gaan plassen. De architectuuropleiding in de jaren vijftig was verschrikkelijk, de helft van de studenten gaf op uit schrik voor de bizutages. Na Perret kreeg ik les van Jean Prouvé, die bouwde in aluminium. Op dat moment ben ik zelf ook met metaal gaan werken. Voilà. Ik was ook goed bevriend met Iris Claire, die een galerie had in rue des Beaux Arts. Bij haar heb ik tentoonstellingen gezien van Jean Tinguely, Niki de Saint-Phalle, Yves Klein, de vuilbakken van Arman. Ik was close met die kunstenaars. Ze zochten naar nieuwe uitdrukkingsmogelijkheden, nieuwe materialen. Toen ik met architectuur gestopt ben om me aan de mode te wijden, heb ik gezegd, ik ga doen zoals mijn vrienden, die grote kunstenaars. Geen textiel voor mij. Geen wol of zijde. Omstreeks 1958. Ik wou geen vrijmetselaar worden. En dat was een absolute vereiste als je een architectuurpraktijk wou opzetten. Ik heb niets tegen het Grootoosten, ik heb er familie. Maar ik wou niet. Als je geen vrijmetselaar was, kon je eventueel het atelier van je vader erven. Maar mijn vader was generaal geweest, republikein, gefusilleerd door Franco. We hadden de bombardementen van Guernica meegemaakt. Architectuur was niets voor mij. Ik heb nagedacht, heel subtiel en intelligent, en ik heb beslist dat ik een gemakkelijker beroep zou kiezen, de mode. Op die manier zou ik snel geld verdienen en beroemd worden. Terzelfder tijd heb ik ingezien dat ik iets anders moest doen. Zodat mijn werk niet kon worden vergeleken. Mijn moeder, die assistente was van Cristobal Balenciaga, vond dat ik gelijk had. Ze zei, de anderen hebben een techniek, een savoir-faire die jij niet hebt. Jij moet de mensen verbluffen. En dat heb ik gedaan. Mijn mode paste hoe dan ook perfect in de tijdgeest. Als je kijkt naar de kunstgeschiedenis, dan zie je dat er tijdens alle grote momenten van de beschavingen een harmonie bestond tussen de grote kunsten en de toegepaste kunsten. Dat was zo in de zeventiende eeuw, in 1900, de jaren twintig en dertig en de jaren zestig. Nu is een rommeltje. Omdat we uit een barokke periode komen, en barokke perioden zijn nu eenmaal erg verward. Maar we zitten zeer dicht bij een avant-gardistische periode, dat voel ik. Ik vond, bijvoorbeeld, dat de collecties van de jonge Parijse ontwerpers rond 2000 niets voorstelden. Ze maakten allemaal kopieën van de jaren zeventig en tachtig. Sinds een jaar of vier is dat niet langer het geval. Kijk naar het werk van Nicolas Ghesquière bij Balenciaga, of naar Christophe Decarnin, mijn voormalige assistent, bij Balmain. Ze zijn subliem. Ze doen iets anders, terwijl de Italianen Versaciaanse hoerenkleren blijven maken... Versacienne, Versachienne, zoals Donatella, wat een teef ! En Amerika blijft puriteins, triest en vervelend. In Parijs, daarentegen, is de mode op een sublieme manier aan een wedergeboorte bezig. Neen, ik ben realistisch. Ik ben een Bask. Ik houd mijn ogen wijd open. Als een journalist zei : wat bent u toch avant-gardistisch, dan antwoordde ik steevast : Helemaal niet, ik ben mee met mijn tijd. Maar u hebt vijftig jaar vertraging. Iets minder. Internet gaat steeds sneller. De jaren zestig komen niet terug : vergéét die jaren zestig. Ik denk dat de komende jaren ontzettend interessant worden. Er gebeurt iets. Het geweld waarmee het internet groeit, boezemt me soms angst in, kijk maar, zelfs het Chinese regime beeft voor de macht van het net. De jaren zestig waren vernieuwend. De periode tussen 2005 en 2012 is dat ook, op een ander niveau, met de globalisering die er in de jaren zestig niet was. Indertijd kwamen alle kunstenaars, alle zangers, naar Parijs. Dat is niet langer het geval. De globalisering is subliem. Ik ben dol op vernieuwing, ik heb nergens spijt van, ik ben geen nostalgicus. In mijn tijd heb ik zoveel oude zakken moeten aanhoren, mannen die een been misten, die onze zak uithingen met hun verhalen over de oorlog. ( Hij imiteert, met bibberende stem :) Ik heb in Verdun gevochten. Wat kon mij hun malheur schelen. Ik had de oorlog in Spanje meegemaakt, de bommen in Guernica. Vandaag is geniaal. Ik ben ervan overtuigd dat al die broekventjes voor hun schermen intelligenter zijn dan wij ooit waren. Ze zijn bijna wezens van een andere planeet. Niet echt. Ja en neen. De traditionele mode, het podium, de meisjes die defileren, de topmodellen : dat alles kost niet alleen kruiwagens vol geld, maar het is ook achterhaald. Ik ben aan het praten over een soort comeback. We zouden een kleine collectie lanceren op het internet. Ik ben altijd een hervormer van de mode geweest. Ik heb als eerste muziek geïntroduceerd tijdens de shows. Ik werkte als eerste met zwarte modellen. Op het moment van de rassenrellen in Atlanta, nota bene. De Amerikanen spuwden me in het gezicht. In Dallas ben ik op straat in elkaar geslagen. Je kunt niet om het internet heen, en ik zou niet de eerste zijn om er een collectie te tonen, maar ik geloof erin. Ja, want ik ben nog altijd creatief. Als ze Picasso hadden gevraagd om te stoppen met schilderen, dan zou hij gezegd hebben : het gaat zeker niet goed ? Hij heeft gecreëerd tot zijn laatste snik, en dat is bij mij niet anders. Ik teken veel. Ik ontwerp meubilair, flessen. Ik heb regelmatig tentoonstellingen. In Moskou heeft Vladimir Poetin me uitgeroepen tot man van het jaar. In oktober krijg ik er een grote tentoonstelling, met een show, een hele bedoening. Ja. Als zoon van een gesneuvelde communist, rond 1950. Ze hebben me uitgenodigd. Ik was veertien, het was een indrukwekkende reis. In die tijd reden er nauwelijks auto's door de straten van Moskou, je zag alleen politieauto's en legervoertuigen. Nu is dat anders : een overdaad van luxe, grote karren, opstoppingen. Als ik de Russen vertel dat Moskou toch wel veranderd is sinds de Stalinistische periode, zijn ze verbaasd. Ik hou van Moskou, ik ga er om de twee, drie jaar naartoe. Stalin was onrustwekkend. Ziek. Ik heb een zieke, angstaanjagende man ontmoet. Maar ik was onder de indruk, in dat Kremlin, dat vuil en donker was. We moesten wachten op een gang, een man kwam ons halen. Hij hield mijn wang tussen zijn vingers. Hij was griezelig. Ik was niet alleen. Ik maakte deel uit van een afvaardiging van jonge Bretonse konsomols. Ja, ik was konsomol als kind (een jongerenorganisatie in de voormalige Sovjet-Unie) Oké ? En wat dan nog, il faut vivre dangereusement. Ik ben hoer geweest in het zeventiende... in de zeventiende eeuw ! Ik heb in één leven verschillende levens geleid. Heerlijk toch. Ik heb nooit het einde van de wereld aangekondigd. Ik heb voorspeld dat het ruimtestation Mir op Parijs zou neerstorten. Maar Mir, dat was een autobus, weliswaar een grote. Stel dat Mir op het warenhuis La Samaritaine zou zijn gevallen, dan was er van dat gebouw wellicht niets overgebleven. Maar het einde van de wereld, neen. Ik heb een boek geschreven met de titel La fin des temps. Journalisten hebben daarvan gemaakt : Rabanne kondigt het einde van de wereld aan. In mijn boek had ik het over het einde van het tijdperk van Vissen, en over de komst van de Waterman : de tweeduizend gouden jaren zoals aangekondigd door Sint-Jan van Padmos in de Apocalyps. Iedereen verwart Apocalyps en cataclysme. Apokalupsis, in het Grieks, betekent openbaring. De openbaring van een nieuwe tijd. Lees uw Nostradamus erop na, u zult zien. De muziek was fantastisch. In dat opzicht was het een opwindende periode. We waren jong, we zaten te wachten op de muziek uit Engeland, de Beatles en de Stones. Het was een sublieme periode, we wilden nieuwe ervaringen, we wilden verrast worden. Zelf heb ik daarna altijd geprobeerd om mezelf te blijven verrassen. Als ik voorbij een spiegel loop, dan roep ik : Coucou ! Ha ha. Ik zei het toch al, als u zich op een avond verveelt, dan wil ik gerust langskomen om u en uw vrienden eens goed te doen lachen. 1 Million is verkrijgbaar in flacons van 50 ml en 100 ml en in een reeks afgeleide producten.Door Jesse Brouns