Kirsten Bakis is overrompeld door het succes van haar in Amerika verschenen debuut ?De geschiedenis van de monsterhonden?. Het is een wonderlijke vertelling waarin honden-met-handen de hoofdrol spelen.
...

Kirsten Bakis is overrompeld door het succes van haar in Amerika verschenen debuut ?De geschiedenis van de monsterhonden?. Het is een wonderlijke vertelling waarin honden-met-handen de hoofdrol spelen.Jo Blommaert / Foto Lieve Blancquaert Een groep elegante monsterhonden met hoge hoeden, jacquets en ruisende rokken arriveert in 2003 in New York en wordt daar onmiddellijk beroemd...? Pardon ? Wie van het dagelijkse leven overstapt naar deze niet zo alledaagse zin, wrijft zich waarschijnlijk even in de ogen. Nochtans geeft deze zin, de eerste van de tekst waarmee het debuut van Kirsten Bakis (30) door de uitgeverij wordt aangekondigd, vrij goed de sfeer van het boek weer. Na enkele pagina's vind je er niks vreemds meer aan dat honden optreden in talkshows of zich met limousines verplaatsen. Die honden zijn gevlucht uit Canada, waar ze verbleven op een plaats die in 1896 gesticht was door een Pruisische wetenschapper. ?Die geleerde heette Augustus Rank en hij kwam op het idee van een ras van superintelligente honden met kunsthanden en een kunststrottenhoofd, dat voor militaire doeleinden kon worden ingezet, en hij wijdde zijn leven aan het scheppen van dat ras.? (p.8) De honden, die de 19de-eeuwse Duitse cultuur van hun schepper behielden, komen na jaren trouwe dienst in opstand tegen hun bazen en trekken in de 21ste eeuw naar New York. Daar raakt een studente met hen bevriend, en ze schrijft hun geschiedenis op. Dit is een bizar boek. Kirsten Bakis weet zelf ook niet onder welk genre ze het moet thuisbrengen, en noemt het gemakkelijkheidshalve gewoon een roman. Wat in haar tienerjaren als goede literatuur gold, vond ze zelf nogal saai : ?Over gewone mensen, gewone levens, gewone gevoelens. Over gescheiden ouders die dan voor de kinderen moeten zorgen. Over mensen die hun werk verliezen.? Zelf voelde ze nogal wat voor het experiment. Ze had altijd al een rijke verbeelding. Al van kindsbeen af fantaseerde ze hele verhalen bij mekaar, maar ze schreef ze nooit op. En ze was, wat niemand zal verbazen, een grote fan van dierenverhalen, zoals The Jungle Book. De dierenverhalen die ze als volwassene las, vond ze minder leuk. Kirsten Bakis : Auteurs die voor volwassenen over dieren schrijven, gebruiken die vaak om iets over mensen te zeggen, zoals George Orwell deed in Animal Farm. Dat soort verhalen stelt me teleur omdat ze helemaal niet over dieren gaan. In kinderverhalen gaat het natuurlijk ook niet om echte dieren, maar het zijn wel echte personages. Ik heb geprobeerd om van de dieren in mijn boek echte personages te maken. Voor mij waren ze in ieder geval tijdens het schrijven erg reëel en ik hoop dat ze écht lijken, dat het dieren zijn waarvoor je iets kan voelen. Verder weet ik echt niet waar het idee vandaan komt. Ik vond het gewoon leuk. Ik denk dat het personage van de hond Ludwig er eerst was en dat ik op zoek gegaan ben naar zijn geschiedenis en dat daar een verhaal uit is gegroeid. Ik schreef de proloog, het eerste deel van zijn dagboek, toen ik 21 was, en er is later nauwelijks iets aan veranderd. Ik heb er nog zeven jaar aan gewerkt, maar de essentie van het verhaal was er toen al. Dat het nu zo blijkt aan te slaan, is voor mij een complete verrassing. In die zeven jaar heb ik er wel geen moment aan getwijfeld dat ik het zou afmaken, hoe lang het ook zou duren. Vanwaar haalde een meisje van 21 daar de doorzettingskracht voor ? Een goede vriendin heeft me van in het begin gestimuleerd. En in '92 heb ik een schrijfcursus gevolgd. Ik volgde een van de beste opleidingen en heb daar veel interessante mensen ontmoet die me ook hebben aangemoedigd. Toch denk ik dat ik het boek ook zonder die steun zou hebben afgemaakt. Aanmoediging maakt het natuurlijk wel makkelijker. Want het was toch wel een zware periode. Ik was eraan begonnen toen ik nog geschiedenis en godsdienstgeschiedenis studeerde. Daarna volgde ik die schrijfcursus die op zich vrij zwaar was veel lezen, veel schrijven maar om die te kunnen bekostigen, gaf ik ook les. Ik heb nu wat inkomsten van dit boek en vorig jaar kreeg ik een beurs, zodat ik niet voltijds hoef te werken. Maar ik werk wel halftijds als secretaresse. Had u er tijdens het schrijven geen moeite mee om telkens van de fictieve wereld terug in de reële wereld te stappen ? Ik ben altijd een dagdromer geweest. Een korte periode heb ik geprobeerd alleen maar te schrijven en niet uit werken te gaan, maar dat was erg deprimerend. Ik vind het wel goed om een job te hebben waar je naartoe moet en waarvan je weet wat je moet doen : eerst dit, dan dat. Zo blijf je met je voeten op de grond. Enerzijds wil je natuurlijk verloren lopen in die fictieve wereld, wil je je er volledig aan overleveren. Maar als je dat een hele tijd doet, voel je je daar niet zo lekker bij : je moet bij het echte leven, bij echte mensen betrokken blijven. Het is altijd moeilijk om het juiste evenwicht te vinden. Ik weet niet hoe ik dat zal moeten aanpakken als ik ooit kinderen heb. Wanneer u de experimenten beschrijft die Augustus Rank als kind met dieren uithaalde, schuwt u de gruwelijke details niet. Een teergevoelig mens wordt bij het lezen onwel. Vanwaar die lugubere interesse ? Als ik nu de operatie van de koe herlees, vind ik dat inderdaad behoorlijk cru. Ik denk dat ik, toen ik wat jonger was, het gewoon leuk vond om met ideeën te spelen en niets mij echt leek. Gisteren bezocht ik met mijn vriend het Anne Frank-museum in Amsterdam, en we waren allebei zeer ontroerd. Maar er liepen ook heel wat schoolkinderen rond en die lachten en grapjes maakten. Dat trof me. Ik denk dat voor jongeren deze dingen niet dezelfde pijnlijke betekenis hebben. Ze kunnen zich die gevoelens niet voorstellen, het lijkt niet echt. Ik denk dat dat gedeeltelijk verklaart waarom ik toen zo'n gruwelijke dingen heb geschreven. Wat fascineert u zo in honden ? U schrijft : ?Menselijke trouw kan de fanatieke toewijding van een hond nooit evenaren.? Eerst en vooral staan honden, meer dan enig ander dier, zeer dicht bij de mens. Katten staan ook dicht bij de mens, maar hebben meer een eigen wereld. Ze willen niet altijd bij de wereld van de mensen horen. Daarnaast is er misschien inderdaad die trouw, die loyauteit die me aangesproken heeft. Soms heb ik sympathie voor dat extreme gevoel. Tegenover iemand van wie ik hou of waarmee ik bevriend ben, wil ik heel loyaal zijn. Maar toewijding heeft ook een keerzijde. Het kan een grote kracht zijn, maar ook een zwakte. Hoe lang kan je trouw of loyaal zijn zonder dat het een zwakte wordt of zelfs gevaarlijk wordt ? Die vraag interesseert me. Ook vanuit godsdienstig standpunt. Het religieuze geloof, de mogelijkheid om te geloven, is denk ik een goede zaak. Maar wanneer mensen elkaar vermoorden omwille van dat geloof, is het afschuwelijk. Toen ik aan het boek begon, hielden die vragen me erg bezig. Tijdens mijn opleiding godsdienstgeschiedenis was ik een studie aan het maken over de leider van een kleine, obscure sekte. De hondengemeenschap vertoont inderdaad meer dan één sektarische eigenschap, en zelfs de volgzaamheid van de studente Cleo gaat op de duur erg ver. Is dit een boek over sekten ? Er is een groot verschil tussen de sekte van de honden en de echt religieuze sekten. De honden volgen alleen maar een paar tijdelijke, kortzichtige ideeën zonder dat die in een groter geheel passen. Zo'n gemeenschap kan niet lang overleven. Als je er een god bij betrekt, wordt het een veel ernstiger zaak. Ook het streven naar een superintelligent ras en de verwijzingen naar Duitsland zijn allicht geen toeval ? Nochtans was het niet mijn bedoeling iets over het nazisme te schrijven. Wellicht zit het nazisme en alles wat er gebeurde tijdens de Tweede Wereldoorlog in mijn achterhoofd, zoals dat bij iedereen in het achterhoofd zit. Het maakt deel uit van onze cultuur en allicht ben ik daardoor beïnvloed. Daarnaast speelt waarschijnlijk ook een rol dat ik in Zürich geboren ben. Ik ben daar maar tot mijn tweede levensjaar gebleven omdat mijn ouders toen terugkeerden naar New York, vanwaar ze kwamen. Ik herinner me niks van Zürich, maar die plaats betekent wel iets voor me. Verder is mijn vader afkomstig uit Estonië. Zijn familie verliet Estonië tijdens de Tweede Wereldoorlog en leefde een poosje als vluchteling in Duitsland. Mijn vader spreekt vloeiend Duits. Estonië is ook gedurende lange tijd bezet geweest door Duitsland. Die culturele invloed zit dus in mijn voorgeschiedenis. Vermoedelijk heb ik daarom voor dat land of die taal gekozen, omdat die cultuur voor mij toegankelijk was. Maar tijdens het schrijven was ik me er helemaal niet van bewust dat ik commentaar op de samenleving aan het geven was. Ik probeerde gewoon dingen uit mijn onbewuste te laten komen. Als ik had beseft dat zoveel mensen, dat Duitsers ooit dit boek zouden lezen, zou ik misschien wat tactvoller geweest zijn. Ik wilde echt enkel voor mijn plezier schrijven. Ik heb hard mijn best gedaan om niet te denken aan mogelijke boodschappen. Want als je daar begint over na te denken, kan dat beperkingen opleggen aan het verhaal. Dan maak je propaganda en geen kunst. Als je kunst wil maken, mag je niet denken aan boodschappen. Anderzijds word ik me er nu van bewust dat je hoe dan ook boodschappen uitzendt. En wanneer heel veel mensen je boek lezen, moet je je daar rekenschap van geven. Als je films maakt of popmuziek, beïnvloedt dat mensen. Dat kan je dan misschien artistiek beperken, maar je moet er toch een beetje over nadenken. Als schrijfster heb je nooit zoveel invloed, maar toch. Ik ben absoluut niet politiek actief en heb altijd gevonden dat ik niks van politiek begreep. Nu ik ouder word, begin ik te beseffen dat wat er in de wereld gebeurt ook mijn verantwoordelijkheid is. Kirsten Bakis, De geschiedenis van de monsterhonden, Meulenhoff, 283 blz., 798 fr. ?Er is wel gezegd dat onze scheppers onze intelligentie onmogelijk operatief hebben kunnen vergroten, dat zelfs als de techniek daarvoor ontwikkeld zou kunnen worden, de geleerden het nooit hadden gekund. Aangezien wij honden er geen idee van hebben hoe wij of onze nakomelingen er zouden hebben uitgezien zonder operaties, kunnen we dit niet weerspreken ; we kunnen alleen zeggen dat het kennelijk is gebeurd, hoewel het onmogelijk is.? (p.128)