Vier kinderen, de oudste hooguit acht, drummen als bange hondjes samen in de hoek van de ijzeren afsluiting. Ze zitten gehurkt, proberen met hun armen rond hun hoofden geklemd de regen van schoppen en slagen af te weren. Dat lukt hen niet. Hun moeder is groot en zwaar. Ze gilt van woede. De kinderen huilen hartverscheurend.
...

Vier kinderen, de oudste hooguit acht, drummen als bange hondjes samen in de hoek van de ijzeren afsluiting. Ze zitten gehurkt, proberen met hun armen rond hun hoofden geklemd de regen van schoppen en slagen af te weren. Dat lukt hen niet. Hun moeder is groot en zwaar. Ze gilt van woede. De kinderen huilen hartverscheurend.Een meisje en twee vrouwen staan vanop het voetpad toe te kijken, kalm, alsof ze het allemaal al eerder hebben gezien. Pas als ik op een veilige afstand ben, draai ik me om. "Hou op!" roep ik. "Er is in dat huis nog geen jaar geleden iemand vermoord. Straks valt er weer een dode." Het drietal op het voetpad staart me aan. "Er staat iemand te kijken", zegt een ervan door de afsluiting. Het werkt. De woedende vrouw komt de straat opgestormd. Ik heb mijn fiets, zij is log en moet bergop om me te pakken. Zelfs als ze me achterna waggelt, kan ik moeiteloos wegsprinten. Toch ben ik bang. " You ugly fat white bitch!" schreeuwt ze. Zal ik haar bij de politie aangeven voor kindermishandeling? Ik ken het huisnummer niet eens. Natuurlijk, als ik zou zeggen: het huis in Wave Street waar die vrouw in het begin van het jaar werd vermoord, dan zouden de agenten wel weten waar het is. Maar hoe aangedaan ik ook ben over wat ik zag, toch ga ik slapen zonder iets te ondernemen. In de subway enkele dagen later. Ik probeer me te concentreren op mijn boek maar het lukt niet. Een stel tracht vijf woelige kinderen in toom te houden. "Zit stil", "Kom hier", "Blijf daar af", klinkt het onophoudelijk. De ouders trekken hier aan een vlecht, draaien daar een oor om. Ze delen klappen uit op wangen en billen. De kinderen huilen telkens luid en kort. Je hoort aan hun geween dat ze gewend zijn aan geweld. Ik word weer woedend, maar als ik overweeg om iets te zeggen, word ik weer bang. Ik zucht en verhuis naar de volgende wagon. Nog steeds diezelfde week. Lunch in Zabar's, een bekende fijnproeverszaak op Broadway. Ik kies hun special: een bagel met zalm en roomkaas. Dit is de Upper East Side, waar naar New Yorkse normen ongewoon veel blanken met kleine kinderen wonen. Ik kijk naar de parade van kinderwagentjes met blanke baby's, waar vooral zwarte, Latina en Filipijnse kindermeisjes achterlopen. Daar komt ineens toch een blanke mama aan. Ze draagt een baby in een draagzak op haar borst. Aan haar hand hangt een tegenstribbelende peuter. De kleine laat zich vallen. Hij ligt op zijn buik, zijn gezichtje tegen het voetpad gedrukt. De moeder hurkt neer. Ze praat tegen het kind. Het blijft liggen. Het hamert nu met zijn vuistjes op het cement. De moeder doet geen enkele poging om hem recht te trekken. Ze blijft geduldig onderhandelen. Het is middag en zeer druk op straat. De voetgangers moeten in een boog om haar en het kind heen lopen. Pas na verschillende minuten krabbelt de kleine eindelijk overeind. Daarop stapt zijn moeder met hem Zabar's binnen en koopt een ijsje voor hem. Ik voel weer kwaadheid in me opkomen. Die moeder is een ander extreem, maar ook dit kind lijkt me de dupe. Een bankje in de zon in Battery Park. "Kijk papa, een boot!" roept een kleuter enthousiast. De man naast hem reageert niet. "Een boot papa, kijk, een boot!" Vader doet nog steeds alsof hij doof is. Zijn zoontje werpt hem een tersluikse blik toe. "Daar, een boot, papa", probeert hij nog eens, wat stiller nu. Weer niets. Het kind zakt met een gelaten blik onderuit op de bank. En ik weer kwaad. Het toilet in het Museum of Natural History. "Dat is zo flink, schatje, dat je helemaal alleen het toilet hebt doorgetrokken", hoor ik een vrouw in het hokje naast me zeggen. Wat later staan we naast elkaar aan de wastafels. "Ik ben zo trots op jou dat je de kraan helemaal alleen kunt open- en dichtdraaien", kraait ze tegen een meisje van een jaar of vijf. Ze reikt het kind een papieren handdoekje aan. "Wow," zegt ze luid, "kijk eens hoe goed je je handen kunt afdrogen." Arm kind, denk ik, je moeder heeft blijkbaar dat artikel in The New York Times van gisteren niet gelezen. Het stuk was getiteld: "Nieuw advies voor ouders: zeggen 'Dat is fantastisch!' is dat wellicht niet." Veel Amerikaanse ouders, vooral moeders die uit werken gaan, prijzen hun kinderen overdreven veel, zeggen psychologen. Doordat zelfs de stomste, kleinste dingen onder lof worden bedolven, verliest prijzen voor de ouder en vooral voor het kind elke waarde. Het kind naast me kijkt onmiskenbaar verveeld. Zou ze zich ook zo ergeren aan haar kwetterende, goedbedoelende moeder? Later nestel ik me in de subway met de krant. Een jonge man is zachtjes aan het voorlezen uit een boek. Een jongetje zit dicht tegen hem aangekropen. De man aait de krulletjes van het kind. Ik kan me weer niet concentreren. Deze keer niet door woede maar door onverwachte ontroering.Jacqueline Goossens vanuit New York