Laten we het maar meteen toegeven. We vonden de nieuwe Mini bij zijn verschijnen in 2001 al onweerstaanbaar vanwege zijn charmante en eigenzinnige karakter. En wij niet alleen : ondanks zijn forse prijskaartje is de valse kleine een instantsucces geworden. De tweede generatie mag dan als twee druppels water op de eerste lijken, de auto werd wel 6 cm langer en de onderhuidse verschillen zijn groot. Liefst 85 procent van het koetswerk is nieuw. Ook de motoren verschillen, want de Chrysler-benzinebrand...

Laten we het maar meteen toegeven. We vonden de nieuwe Mini bij zijn verschijnen in 2001 al onweerstaanbaar vanwege zijn charmante en eigenzinnige karakter. En wij niet alleen : ondanks zijn forse prijskaartje is de valse kleine een instantsucces geworden. De tweede generatie mag dan als twee druppels water op de eerste lijken, de auto werd wel 6 cm langer en de onderhuidse verschillen zijn groot. Liefst 85 procent van het koetswerk is nieuw. Ook de motoren verschillen, want de Chrysler-benzinebranders werden vervangen door eigen BMW-motoren, terwijl de 1.4-literturbodiesel uit de Yaris plaats moest ruimen voor een 1.6-liter PSA(Peugeot-Citroën)-zelfontbrander. Met die laatste gingen we op testrit. Die grotere motor klimt van 88 naar 110 pk, terwijl het koppel een kwart groter werd. Toch voelt de Cooper D, ondanks zijn veelbelovende naam en zijn zes versnellingen, nooit als een sprinter aan. Wel opvallend is zijn directe besturing, zijn stevige zit en zijn persoonlijke dashboard met de oversized centraal gemonteerde kilometerteller. Die is nauwelijks functioneel, want de snelheid verschijnt ook digitaal in de toerenteller pal voor de rijder. Ondanks zijn grotere lengte is de Mini niet bepaald een voorbeeld van binnenruimte. De passagiers achterin zitten krap, het koffervolume is met 160 liter echt wel aan de kleine kant en van een verschuifbare achterbank hebben ze bij Mini nog nooit gehoord. Jammer toch voor een bedrijf dat zo vlot grossiert in leuke vondsten, en bij elke Mini gemiddeld voor 2500 euro aan opties mag leveren. Op de weg vergeet de rijder dat alles, hij geniet van zijn laag-bij-de-grondse zit, de pittige directe besturing (zij het met nogal wat parasiet- reacties op slecht wegdek), de stevige ophanging en een zekere gezelligheid. Daarvoor kunnen we geen andere reden bedenken dan de moderne interpretatie van de nostalgische elementen en een klein is fijn-gevoel . Hij rijdt ook lekker in de bochten en voelt bijzonder stevig aan. Een extra reden tot vreugde is het verbruik én de propere uitlaat. De doorsnee rijder komt rond met minder dan 6 liter/100 km, wie extra uitkijkt, doet het met 5 liter. En wie graag vlot door de bocht gaat, wordt aan de pomp niet afgestraft. De Cooper D is met zijn 20.300 euro niet goedkoop, hij komt zelfs in directe concurrentie met de Mercedes A-180 CDI, die valt precies 28 euro duurder uit. Jammer dat voor zo'n prijs de garantie op twee jaar wordt gehouden. En toch vinden we de Brit van Duitse origine een hebbeding om naar uit te kijken.