Op de plaats waar nu het park is, lagen ooit de Muinkmeersen: drassige weiden waar de muinks of monniken van de Sint-Pietersabdij hun linnen bleekten. In de negentiende eeuw veranderde de buurt echter totaal toen er, ter hoogte van het huidige Zuidpark, een spoorlijn werd aangelegd tot in hartje Gent. Dat maakte de plek ook voor toeristen gemakkelijk bereikbaar.
...

Op de plaats waar nu het park is, lagen ooit de Muinkmeersen: drassige weiden waar de muinks of monniken van de Sint-Pietersabdij hun linnen bleekten. In de negentiende eeuw veranderde de buurt echter totaal toen er, ter hoogte van het huidige Zuidpark, een spoorlijn werd aangelegd tot in hartje Gent. Dat maakte de plek ook voor toeristen gemakkelijk bereikbaar. De ideale ligging voor een dierentuin, vond de pas opgerichte Maatschappij voor Natuurlijke Historie. In 1851 koopt ze, tegen een voordeeltarief, een mooi domein aan het Zuidstation. Op 12 april gaat de Gentsche Diergaerde open. Voor wie de stad een beetje kent: de hoofdingang van de dierentuin bevond zich aan het einde van wat nu de Franklin Rooseveltlaan is. De huidige Sint-Lievenslaan, het Zuidpark en de Leie begrensden het domein. Op zijn hoogtepunt was het vijf hectare groot, vergelijkbaar met acht voetbalvelden, of ongeveer de helft van de Antwerpse zoo. De dierentuin moet een tot de verbeelding sprekende plek geweest zijn, in tijden waarin de auto en het vliegtuig nog op hun uitvinding wachtten. Er is een plattegrond uit 1859 bewaard, en talrijke foto's en prenten die van aard zijn een mens weemoedig te maken naar dagen die idyllischer lijken dan de tegenwoordige wereld, met zijn overvloed aan files en beton. De ingang van de zoo bestond uit een smeedijzeren hek met aan weerszijden een toren. Als de bezoekers binnen waren, konden ze zich vergapen aan een sprankelende fontein omgeven door kleurrijke ara's. De bekende architect Adolphe Pauli had het hoofdgebouw uitgewerkt in Byzantijnse stijl. Op een bergje stond een windmolentje, dat water oppompte voor de dieren. De zoo beschikte voorts over een plantentuin, feestzalen en salons. Je kon deelnemen aan georganiseerde wandelingen of concerten bijwonen in de kiosk, terwijl het jonge volkje een ritje maakte op een kameel of pony. Gedineerd werd er in het café-restaurant, hoewel niet tot ieders tevredenheid. Volgens de overlevering was de kwaliteit van het eten er vaak niet om over naar huis te schrijven. Anno 2013 klinkt het idee van een zoo in Gent enigszins surrealistisch, maar in de negentiende eeuw gingen er in wel meer Belgische steden dierentuinen open, onder meer in Antwerpen, Brussel en Luik. Een dosis jaloersheid op de Antwerpse dierentuin speelde mee bij de beslissing van de Gentenaars om er zelf een te openen. Dat blijkt uit het boekje De Gentsche Diergaerde uit 1853: De bloei van de Antwerpsche Diergaerde deed by eenige achtbare inwooners van Gent de gedachte ontstaen, hunne stadgenooten ook met zulke inrigting te begunstigen. Hunne stadgenooten, dat wil zeggen: het meest bemiddelde deel daarvan. Zo'n dierentuin was een exotische speeltuin voor de gegoede burgerij die toentertijd de plak zwaaide. De dierentuin groeide al vlug uit tot een favoriet tijdverdrijf van de welstellende klasse in Gent, naast het Casino op de Coupure. De voornaamste burgers waren trouwens lid van beide maatschappijen, in een tijd waarin niet je vrienden op Facebook je status weerspiegelden, maar het aantal lidmaatschappen van verenigingen. Er moest een hoog lidgeld worden opgehoest, en soms was zelfs een voordracht nodig. De dierentuin groeide uit tot een ware m'as-tu-vu-plek, waar veel contacten werden gelegd. Er werd genetwerkt avant la lettre en ouders brachten er hun huwbare zonen en dochters aan de man. Een vernuftige politiek van toegangsprijzen garandeerde dat de verschillende sociale klassen elkaar niet hoefden te kruisen. Arbeiders mochten alleen op zondagvoormiddag binnen, zodat ze deftiger volk niet voor de voeten liepen. Vaak konden ze zelfs dan het verlaagde entreegeld niet betalen. Maar laten we onze aandacht afwenden van de mensen hun kunsten en baltsgedrag en enige tijd verwijlen bij de dieren. In het begin maakten vooral tamelijk goedkope soorten de dienst uit, zoals grasevers en damherten, maar die kregen al vlug versterking van lama's uit Peru en jaks uit de Himalaya. Hoewel er best indrukwekkende exemplaren te bewonderen vielen, zoals beren, een tijger, een luipaard en enkele kaaimannen, ging de aandacht van de bezoekers toch vooral uit naar kleurrijke dieren. De collectie bestond in niet te onderschatten mate uit elegante soorten zoals gazellen, antilopen en siervogels. Sommige dieren werden door gegoede burgers aan de jardin geschonken uit prestige-overwegingen, azend op het mooie koperen plaatje voor de kooi dat zij kregen. Maar de zoo kocht natuurlijk ook dieren, onder meer van de naar Londen uitgeweken Duitse handelaar Charles Jamrach. Dankzij hem kregen de Gentenaren volgens de overleving als eersten in Europa een heuse goudvis te zien. Daarnaast bestond er een drukke ruilhandel met bevriende dierentuinen zoals die van Antwerpen of Londen. Zoodier zijn was in die tijd beslist geen pretje. De verzorgers werden niet gehinderd door een grote kennis van de levenswijze of voedingsgewoonten van de exotischer soorten. Er stierven dan ook geregeld dieren in de zoo, of zelfs al tijdens de overtocht, zoals de olifanten die ene reder De Cock uit Birma wou aanslepen. Daarnaast slaagde er van tijd tot tijd een dier in te ontsnappen, soms met kwalijke gevolgen. Zo blijkt uit het register van 1852 dat een ontsnapte hyena een pelikaan zou hebben opgegeten. Een drama, vooral omdat die laatste 750 frank kostte, wat toentertijd een klein fortuin was. In een hoek was het paviljoen van de uit Birma afkomstige olifant Betsy, die veruit het populairste dier zou worden van de zoo. De Gentenaars verwelkomden haar in 1855. Kinderen mochten op haar rug rijden, en Betsy groeide al vlug uit tot mascotte van de dierentuin. Ze was zo geliefd dat men voor haar vijfentwintigste verjaardag een volksconcert organiseerde. Toen ze in 1887 stierf, werd het vlees verkocht aan een beenhouwer. De huid ging naar een leerlooier en het skelet naar het Museum voor Dierkunde van de Gentse universiteit, waar er nog enkele restanten van te bezichtigen zijn. Een zekere Adolf Verhaeghe was twaalf jaar lang de verzorger van de olifant. Zijn kleindochter Margaretha Verhaeghe uit Drongen kent nog het liedje dat de Gentenaars over de olifant hadden gemaakt: O die Betsy o die Betsy Onzen olifant 't Es zuu un broave bieste Z'è toch zuveel verstand En ge kunt da nie geluve Als ze heur boaske ziet Heur snuitje goat omhuge En heur stertje droait subiet.Er kwam een nieuwe olifant, Jack geheten, maar omdat Betsy zo populair was, bleven de mensen lustig Betsy zeggen tegen Jack. De tweede olifant schijnt een veel slechter karakter te hebben gehad dan zijn voorgangster. "Het was nogal een geweldige", zegt Margaretha over de beruchte dikhuid. "Mijn grootvader ontsnapte eens ei zo na aan de dood toen de olifant hem in een hoek drukte. Hij kon alleen ontkomen door met zijn piek te stoten in het achterwerk van het beest, en te blijven stoten." Voor liefhebbers van la petite histoire : na de sluiting van de dierentuin opende Adolf Verhaeghe een café in Drongen, genaamd In den olifant. In zijn hoogdagen trekt de Gentse zoo het niet onaardige aantal van zestigduizend bezoekers per jaar. Tegen 1890 is de piek echter voorbij. Het ledenaantal van de dierentuin boert gestaag achteruit, vooral door de opkomst van nieuwe ontspanningsmogelijkheden zoals het kusttoerisme en het bezoeken van kuuroorden. De dierentuin wordt meer en meer verwaarloosd en sluit in 1904 uiteindelijk zijn deuren. Dat leidt tot een openbare verkoping van de inboedel en alle aanwezige dieren. De eerste openbare verkooping, heden morgend, had veel volk uitgelokt, lezen we in de Gazette van Gent van 16 april 1904. In den hof waren de wandelaars zeer talrijk en de zaal van het koffijhuis, waar de veiling der vogelen gehouden werd, was stampvol, wat menige bedienden van den tuin deed zeggen : waren er altijd zooveel bezoekers geweest, de tuin zou niet gevallen zijn. De talrijke liefhebbers betwistten zich de eerste koopen, koppels distelvinken, kanarievogels, peruchen enz. aan zeer hooge prijzen.Als de minder aaibare dieren aan de beurt zijn, neemt het oorspronkelijk charmante verhaal van de Gentsche Diergaerde een grimmige wending, in die pre-Gaia-tijden, waarin dierenrechten vrolijk aan de laars werden gelapt. De berichten in de Gazette van Gent van de volgende weken lezen als een horrorscenario voor de dierminnende ziel. Men heeft de groote bruine beren eene strop over den kop geschoven en dan hebben zes kloeke mannen de dieren tegen de staven der kooi getrokken tot dat zij stikten. (...)Gisteren morgend is de kleine zwarte beer door verhanging afgemaakt. Men wist een strop over eene dwarsstaaf over de kop van het dier te doen en heesch het dan met geweld omhoog. De doodstrijd van het arme dier duurde zeer lang en men denkt dat deze wijze van afmaking zal verboden worden. Men kan er echter niet aan denken de dieren te vergiftigen, want hunne pels zou er door lijden. Over het lot van den olifant is nog niets beslist.Voor de olifant Jack wordt ten slotte een aparte veiling georganiseerd. Een circusbaas en ene Frans Hillaert, beter bekend als Sieske de Gistmar-chand, bieden daarbij tegen elkaar op. Helaas voor de olifant biedt de gisthandelaar net iets meer : 310 frank, een aanzienlijk bedrag in die tijd. Sieske, een vent van het slag dat overal geld uit wil slaan, probeert het dier door te verkopen aan een circus of aan de Londense zoo. Bijna lukt dat voor 11.250 frank. De verkoop springt echter op het allerlaatste moment af door de onhandelbare reputatie van Jack : De aankoopers waren erin gelukt Jack te Londen aan eene schoone som te verkoopen ; echter, men weet niet hoe, was men daar te weet gekomen dat Jack een zeer ongemakkelijk dier was en had men den koop verbroken. Daar de kosten van stallen, onderhoud en voeding alle dagen voor de aankoopers opliepen, werd eindelijk besloten Jack te dooden, wat niet zonder gevaar was. Om die klus te klaren, biedt zich een zekere Félicien Rogghé aan, die in Congo ervaring met dergelijke karweien opdeed. De oppasser van de olifant, Adolf Verhaeghe, helpt met de voorbereidingen maar op het laatste moment wordt het hem te machtig. Wenend verlaat hij het hok wanneer zijn oude vriend zal worden afgemaakt. Alles is echter gereed ; vijf, zes krachtige mannen beginnen aan de windas te draaien. De kabel spant aan, zoo dat weldra, zonder dat Jack had kunnen tegenspartelen, zijn groote kop als in eene vijs vastgeschroefd was. Nu mikte de heer Rogghé op het linker oog van het dier, en schoot. De bal was goed raak, want Jack stortte dadelijk ten gronde. Om het heel zeker af te maken, schoot de heer Rogghé het ook nog een paar kogels in de borst en achter het oor. Kort daarna begonnen de slachtersgasten hun werk ; de olifant werd aan dikke kettingen bij de pooten naar omhoog gehaald en dadelijk werd aan het villen gegaan. Het vleesch bleek rozekleurig, had een zeer lekker uitzicht. Men verzekert ook dat het zeer lekker is.De kop van Jack wordt nog enkele dagen tentoongesteld in het Grand Hôtel aan de hoek van de Kuiperskaai. Volgens een verhaal dat telkens weer opduikt, zou de olifant zijn opgegeten tijdens een banket waarbij ook het schepencollege van de stad Gent aanschoof. Na ampel onderzoek blijkt dat echter een hardnekkige stadslegende. In de Gazette staat, met zin voor het smakelijke detail, te lezen onder het kopje 'eenige wetenswaardige cijfers over den armen Jack': Men heeft 550 kilos beenderen uit zijn lijf gehaald en zijn kop woog 151 kilos. Het hert, de lever en de sepieren van Jack wogen wederkeerig 25, 55 en 3 oe kilos. Jack was ook niet armbloedig : men heeft er 100 liters uit zijn lijf getapt. Zijne tong woog 15, en zijne ingewanden 300 kilos. Zijn vel is verkocht voor 137 fr. 50. Het woog 500 kilogrammen. Men heeft 1975 kilos gezond vleesch uit zijn lichaampje kunnen halen. Het is bestemd om er worsten van te maken en is verkocht geweest aan 12 centiemen den kilo.Geen feestdis dus van de arme Jack. Alleen ordinaire Hollandse worst. Er werd in die dagen nochtans wel degelijk een feestmaal aangericht in Gent, maar niet met olifantenvlees. De Gazette van Gent van 4 mei 1904 verklapt de correcte toedracht van het verhaal : Maandagavond is het vleesch van den grooten beer, aangekocht door de Heer Hillaert, aan een groot getal vrienden en kennissen ten beste gegeven. De genoodigden hebben zich het beerenvleesch goed laten smaken, maar waren nadien zoo dorstig dat onder de zestig deelnemers 120 flesschen wijn en 75 flesschen champagne geledigd werden. Het is dus niet te verwonderen dat er onder de deelnemers veel vermaak en leven was. Intussen is Gent allang bekomen van de kater. De meest tastbare resten van de dierentuin rusten in het Museum voor Dierkunde, in de kelder van de faculteit Wetenschappen van de universiteit. Een intrigerende plek met spookachtig neonlicht, schaduwen van dieren die het tot didactisch materiaal hebben geschopt, en honderden uitstalkasten van Mewaf met daarin de meest fabelachtige specimina. "De verzorging in de dierentuin was destijds nogal schabouwelijk", zegt conservator en enig personeelslid Dominique Verschelde. "De dieren voelden zich gefrustreerd in hun hokken van beton en ijzer. Er stierven er nogal wat, en dan kwamen hun kadavers vaak hier terecht. De halsbandpekari, bijvoorbeeld, was een varken dat met zijn tanden kon knallen, waarschijnlijk van de stress, maar de mensen zagen dat graag zodat het dier vaak in de zoo moest 'optreden'. Hetzelfde met de honingbeer, die floot zogezegd op zijn vingers, maar feitelijk zoog hij op zijn nagels van pure frustratie. En Jack, was die wel echt zo 'ongemakkelijk' ? Dat had waarschijnlijk veel te maken met de manier waarop hij werd behandeld : hij lag vast aan kettingen en kreeg te weinig beweging." Van eenentwintig dieren in het mu- seum is aantoonbaar dat ze afkomstig zijn uit de voormalige dierentuin van Gent. Het betreft, naast voornoemde halsbandpekari, onder andere een negenbandig gordeldier, een fuut, een grijze reuzenkangoeroe, twee Afrikaanse struisvogels, een Amerikaanse bizon, een monniksrob, een neusbeer en een honingbeer. Van enkele dieren resten slechts organen of een schedel, van andere is het complete skelet bewaard gebleven. De fuut en de kangoeroe zijn zelfs volledig opgezet. Het museum heeft ook nog zes nekwervels van Betsy. Vroeger bezat het eveneens haar schedel, maar die is in 1985 en stoemelings geruild voor vijf andere, minder illustere exemplaren. "Nu zit hij ergens ter wereld in een museum", aldus Verschelde, "waarschijnlijk in Engeland of Canada. Ik zou graag een oproep lanceren om die schedel terug naar Gent te krijgen. We bezitten de atlas (bovenste halswervel) van Betsy, als het goed is, moet die als een puzzelstukje op de schedel passen." De gronden in de buurt van de voormalige dierentuin zijn kort na de sluiting verkaveld, en volgebouwd met vaak fraaie herenhuizen. Veel schiet er niet meer over van de beestenboel die ooit in de buurt van Kinepolis bestond. In het hedendaagse Muinkpark zijn er nog wat sierlijk gekrulde vijvers, en wellicht schurkte Jack of Betsy zich al tegen de majestueuze Chinese tempelboom aan die er nu nog altijd staat. Er is een stenen gebouwtje bewaard dat eens een berghok van de dierentuin was. De meest exotische gazelles zijn nu echter de studentes die, in jaren met iet of wat zon, hun cursussen komen blokken in het park. In de onmiddellijke omgeving vind je nog de Dierentuinlaan, de troosteloze Okapiparking en 'private club' Zebra Point. Veel wordt daar echter niet meer gekrijst, gebriest, gegaggeld, geklopt, gekrast, geknord, gekwetterd, geloeid, gefiept, gebeureld of getrompetterd - tenzij dan door de mens, die meest vernuftige en verraderlijke soort. MET DANK AAN SVEN SPEYBROUCK, DIE OVER DE DIERENTUIN VAN GENT EEN DOCUMENTAIRE MAAKTE IN ZIJN PRACHTIGE REEKS 'PUBLIEK GEHEIM'.door Jean-Paul Mulders