"In september 1773 had de beschuldigde zich tussen elf en twaalf uur 's nachts naar een weide in Abswellen begeven. Daar ontmoette hij elf trawanten. Zodra de groep voltallig was, verschenen de bokken, als paarden zo groot. Elke bok droeg drie of vier man. Zo vlogen ze in een half uurtje naar Meerssen, dertig kilometer ver in, euh, bokkenvlucht. Daar vonden ze een veertigtal medeplichtigen bij het huis waar ze zouden inbreken, ongeveer in het midden van het dorp. Aan de zijde van de boomgaard maakten ze een gat in de lemen wand van het huis. Zo drongen een paar mannen naar binnen en maakten de deur open voor de anderen. De bewoners werden aan handen en voeten gebonden en het huis werd leeggeplunderd. Vervolgens bestegen de mannen opnieuw hun bokken en begaven zich op dezelfde manier naar Helderen bij Hoensbroek, de volgende etappe van hun rooftocht."
...

"In september 1773 had de beschuldigde zich tussen elf en twaalf uur 's nachts naar een weide in Abswellen begeven. Daar ontmoette hij elf trawanten. Zodra de groep voltallig was, verschenen de bokken, als paarden zo groot. Elke bok droeg drie of vier man. Zo vlogen ze in een half uurtje naar Meerssen, dertig kilometer ver in, euh, bokkenvlucht. Daar vonden ze een veertigtal medeplichtigen bij het huis waar ze zouden inbreken, ongeveer in het midden van het dorp. Aan de zijde van de boomgaard maakten ze een gat in de lemen wand van het huis. Zo drongen een paar mannen naar binnen en maakten de deur open voor de anderen. De bewoners werden aan handen en voeten gebonden en het huis werd leeggeplunderd. Vervolgens bestegen de mannen opnieuw hun bokken en begaven zich op dezelfde manier naar Helderen bij Hoensbroek, de volgende etappe van hun rooftocht." Aldus de rechtbankgetuigenis van ene Pieter Willem Stassen uit het dorpje Wellen te midden van de Limburgse fruitstreek. Stassen hoefde niet eens gefolterd te worden, weet journalist Ben Lindekens in zijn boek Ze reden bij nacht. De scherprechter moest maar met zijn gereedschap rinkelen of de verdachte ging al tot bekentenissen over. Andere beschuldigden werden pas loslippig nadat de beul hen de duimschroeven had aangelegd. En dan hebben we het nog maar over wat in het jargon 'de kleine tortuur' heette. De passage uit het boek, dat al van 1974 dateert, werpt een schril licht op de legende van de bokkenrijders, die bij het grote publiek tot het rijk van de folklore behoort. Limburg heeft immers van oudsher een rijke traditie van sagen en volksverhalen die bulken van duivels, tovenaars, ronddolende geesten en heksen. En geef toe, schelmen die zich op bokken verplaatsen, bokken met het achterste van een paard nog wel, het spreekt tot de verbeelding. Willy Vandersteen verwerkte het thema in een album van de stripreeks Suske en Wiske, in de Efteling is er de attractie Villa Volta, een spookhuis dat door de fictieve bokkenrijder Hugo van den Loonsche Duynen bewoond zou zijn geweest. In de jaren negentig van de vorige eeuw was er de Nederlandse televisieserie De legende van de bokkenrijders, waarin Gène Bervoets onder een verontrustende zwarte krullenpruik gestalte gaf aan een personage losjes gebaseerd op Joseph Kirchhoffs, chirurgijn en bendeleider uit de buurt van Herzogenrath in het Duits-Nederlandse grensgebied. Want het fenomeen bokkenrijders bestreek een groot gebied, van de Antwerpse Kempen over Belgisch en Nederlands Limburg, de Voerstreek en het land van Herve tot de regio rond Luik en de gebieden vlak over de Duitse grens. Ook vóór er sprake was van bokkenrijdersbenden, was er in die gebieden allerlei schorremorrie actief : een zootje ongeregeld zonder beroep of vaste woonst, bestaande uit bedelaars, soldatenkinderen, landlopers en zigeuners. Zware jongens en lichte meisjes van bedenkelijk allooi, bekend onder pittoreske aliassen als Hoere An, Zat Nelleken, Tist den Hazemond, Doddeldries. Ze kwamen aan de kost door nachtelijke roofovervallen, waarbij ze het geweld niet schuwden. Het gerecht trad streng op tegen de rovers, inbrekers en voetenbranders, veel schelmen eindigden aan de galg, de wurgpaal of op de brandstapel. Wie zijn licht opsteekt bij Wikipedia leert dat de term bokkenrijders (toen bockereyders) voor het eerst opduikt in 1779 in een boek van S.J.P. Sleinada, het tamelijk doorzichtige pseudoniem van A. Daniels, pastoor van de parochie Schaesberg, tegenwoordig een deel van Landgraaf. Goed bekend met de plaatselijke situatie en de protagonisten schreef hij over "de oorzaeke, bewys en ondekkinge van een goddelooze, bezwoorne bende nagtdieven en knevelaers binnen de landen van Overmaeze en aenpalende landstreeken". Daarbij maakten de bendeleden gebruik van het volksgeloof over vliegende geesten die een pact met de duivel gesloten hadden. Er werd gefluisterd dat ze door de nachtelijke hemel vlogen als ze een magische, maar inhoudelijk toch wel redelijk wereldlijke spreuk reciteerden : "Over huis, over tuin, over staak, en dat tot Keulen in de wijnkelder !" Eens per jaar zouden ze op de Mookerheide rendez-vous gehad hebben met hun meester, de duivel zelve. Later kregen de Bokkenrijdersverhalen een Robin Hood-achtige draai : de bendeleden zouden de rijken beroofd hebben om de armen te helpen. Tegenwoordig gaat men ervan uit dat diverse bendes onafhankelijk van elkaar overvallen pleegden. Anderzijds wijst alles erop dat veel meer mensen opgepakt en in vele gevallen gruwelijk terechtgesteld werden dan er ooit geweldplegers waren. Dat is ook de conclusie van historicus François Van Gehuchten die zich vier jaar in de materie verdiepte en met het mooi uitgegeven Bokkenrijders, late heksenprocessen in Limburg, het standaardwerk over het onderwerp schreef. De Wellenaren hebben de bokkenrijdersprocessen altijd als een groot onrecht ervaren. Jaren later nog worstelde de lokale bevolking met haar besmeurde imago ; stukken die belastend waren voor bepaalde betrokkenen verdwenen uit de archieven. Maar na verloop van tijd veranderde de mentaliteit. 'Bokkenrijder' geldt tegenwoordig als een soort geuzennaam en ja, ook nu nog wonen er in het dorp verre afstammelingen van de veroordeelden van toen. Eén van hen is cultuurmedewerker Jo Billen, die ons meeneemt naar de plekken in zijn gemeente die aan de gebeurtenissen tussen 1773 en 1775 herinneren. Jo is verre familie van Trien Billen, de waardin van herberg De Pluim en echtgenote van Jan Lycops, een van de spilfiguren van de bokkenrijders die op 1 augustus 1974 in Munsterbilzen terechtgesteld werd omdat hij drie brandbrieven had gelegd. De beschuldigingen tegen Trien waren uitermate vaag. Haar zoon Herman had onder tortuur bekend dat ze wel eens een kinderhemd had kapotgescheurd en op tafel gegooid, waarmee een lont zou gemaakt zijn. Zelf had ze opgebiecht dat ze de veroordeelde Nol Voortmans naast brood en vlaaien ongezouten vlees had voorgeschoteld. Een betekenisvol detail, want iedereen wist toch dat de duivel tegen zout was ! Maar de meest belastende getuigenis was die van ene Arnold Gielen die -- ook alweer na foltering -- bekende dat vrouw Billen van hosties een koek gebakken had die de bokkenrijders moesten opeten "in duivelsnaam". Na uren op de pijnbank bevestigde de arme vrouw alles wat haar ten laste gelegd werd, meer nog, ze beschuldigde ook anderen. Nadat de duimschroeven werden losgedraaid, trok Trien haar verklaringen prompt in, maar toen de wipgalg eraan te pas kwam, gaf ze alles toe. Deze gang van zaken herhaalde zich een paar keer tot de gerechtsdienaars de onfortuinlijke herbergierster ervan overtuigden dat ze naar de hel zou gaan als ze herriep wat ze tijdens de foltering bekend had. Dat verklaart meteen waarom ze allerlei onzinnige bekentenissen deed. Het proces van Trien Billen had alles van de heksenprocessen van een eeuw eerder. Op 17 augustus 1775 werd ze geëxecuteerd, het slachtoffer van volksgeloof, godsdienstwaanzin, manipulatie en onnoemelijke wreedheid. Haar rechterhand werd afgehakt en aan een paal gespijkerd, waarna ze levend geradbraakt werd. Uiteindelijk werd de vrouw 'uit gratie' gewurgd en haar lichaam verbrand. Herberg De Pluim is niet meer, maar andere locaties die een rol speelden in het bokkenrijdersverhaal liggen op de bewegwijzerde fietsroute De Bokkenrijders achterna. Zo is er pal in het centrum van Wellen de kerk Sint-Jan de Doper waarvan het oudste gedeelte al van 1172 dateert. Op 1 augustus 1774 werd er een kerkdienst gehouden voor acht vermeende bokkenrijders die die dag terechtgesteld waren. Drossaard Lambert Willem Hollanders, die instond voor de ordehandhaving in de streek, was ervan overtuigd dat nog niet alle schuldigen gearresteerd waren. Toen de menigte na de mis de kerk verliet, liet hij zijn wapenknechten nog eens een aantal verdachten onder de kerkgangers oppikken. Op de grens met Kortessem stond destijds de Onze-Lieve-Hereboom, een zomereik die van omstreeks 800 dateerde. Hier kwamen volgens de overlevering de bokkenrijders samen om te vergaderen. Dit was ook het vertrekpunt voor hun plunder- en brandstichtingstochten. Van Gehuchten heeft het in zijn boek over Wellen Airport. In 1859 werd de oudste boom van het land tijdens een hevige storm doormidden gescheurd, waarna alleen de linkerkant overbleef. Een paar meters verder werd een nieuwe eik geplant. Op 18 juli 2009 werd de oorspronkelijke boom nog eens zwaar toegetakeld door een onweer, zodat naast de nieuwe boom alleen nog een zwartgeblakerd stuk stam overblijft. Van meer betekenis in het verhaal is de hoeve Corfs in het noordelijke gehucht Russelt. Op de avond van 4 november 1773 brandde de woonst van boer Jan Corfs af. Enkele dagen eerder had hij een brandbrief ontvangen met de eis 400 gulden te betalen, het equivalent van vier jaarlonen. Om te tonen dat het menens was, staken de afpersers een hooimijt in de buurt van het huis in brand. Helaas sloeg het vuur onbedoeld over naar het strodak van de hoeve die volledig afbrandde. Later werd de boerderij heropgebouwd ; ze bevat nog elementen uit de achttiende eeuw. Opmerkelijk is het kruis dat in de dakpannen verwerkt werd en dat de woonst voor onheil moest behoeden. Het afbranden van de oorspronkelijke hoeve Corfs was meteen de zwaarste misdaad van de Wellense bokkenrijders. In de onmiddellijke nabijheid bevindt zich de Graatmolen die voordien overvallen was, een misdaad die ten onrechte in de schoenen van de bokkenrijders geschoven werd. In een van de aanpalende weiden zou volgens François Van Gehuchten klompenmaker Jan Van Muysen zijn eed van trouw aan de bende hebben afgelegd. De molen werd intussen gerenoveerd, maar het rad werd verwijderd. De afperser verbond zijn naam nog aan een ander gebouw : de barokke kapel van Oetersloven, opgedragen aan Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Smarten, nog altijd een populair bedevaartsoord. Klompenmaker Van Muysen stuurde op 2 januari 1774 een brandbrief naar boer Jan Wouters uit Ulbeek met de eis een jaarloon te deponeren in een kuil nabij de kapel. Boer Wouters trok met een kompaan naar de kapel en wachtte de afperser op. Die veinsde dat hij daar voor de sneeuw kwam schuilen, maar Wouters wist wel beter. Bovendien had hij Van Muysen herkend. Al bij al werden er in Wellen acht brandbrieven afgeleverd, maar in geen enkel geval werd het losgeld betaald. De klompenmaker werd gearresteerd en op 16 juni aan de Bonderkuil met de bijl onthoofd. Die Bonderkuil, op de grens met Kortessem en Alken, is een inzinking in het weiland die er op een zonnige zomerdag onschuldig genoeg uitziet, maar de plek heeft een onheilspellende reputatie. Hier werden negentienWellense bokkenrijders, onder wie Van Muysen en Trien Billen, op gruwelijke wijze terechtgesteld. De executies trokken telkens enorm veel volk. Het publiek stond in de kuil, terwijl de strafvoltrekking voor iedereen zichtbaar op het hoger gelegen gedeelte plaatsvond. Schoolkinderen waren verplicht om het 'educatieve' schouwspel bij te wonen : "Kijk, als je je niet aan de regels houdt, loopt het slecht met je af." Anderzijds werden trommelaars opgevorderd om de kreten van de slachtoffers, van wie er twaalf aan de paal gewurgd en zeven leven verbrand werden, te overstemmen. Ook op een warme zomerdag lopen de koude rillingen je op deze plek over de rug. Wie er de achtergrond van kent, zal het verhaal van de bokkenrijders nooit meer als louter folklore afdoen. François Van Gehuchten droeg zijn boek terecht op aan allen die onschuldig werden vervolgd en terechtgesteld. ALLE INFO OVER DE GESCHIEDENIS VAN WELLEN EN DE BOKKENRIJDERS BIJ DE DIENST CULTUUR VAN DE GEMEENTE, DORPSSTRAAT 25, 3830 WELLEN. MEDEWERKERS : JO BILLEN (012 670 711) EN JOHNY NEVEN (012 670 710). WWW.WELLEN.BE/HTML/BOKKENRIJDERS.HTML. BOKKENRIJDERS, LATE HEKSENPROCESSEN IN LIMBURG, FRANÇOIS VAN GEHUCHTEN, 36 EURO. INFO: 013 66 39 82. FRANCOIS.VAN.GEHUCHTEN@TESSENDERLO.BE ZE REDEN BIJ NACHT, BEN LINDEKENS, WETENSCHAPPELIJKE UITGEVERIJ, AMSTERDAM (1974). DOOR LINDA ASSELBERGS & FOTO'S FILIP VAN ROEEens per jaar zouden ze op de Mookerheide rendez-vous gehad hebben met hun meester, de duivel zelve