Hé, knappe dictafoon is dat. Zo vriendelijk dat je die voor mij meebracht, man. Echt bedankt." Schaamteloos steekt Steve McCurry (58) ons dierbare opnameapparaatje in zijn broekzak en staat recht. Wij, verbouwereerd. Hij, drie seconden later met een ontwapenende smile : "Haha." Het ijs breken, daar is de Magnumfotograaf meester in. Weet u wat hij in Af-ghanistan zegt, als hij voor de zoveelste keer " Tea, sir ?" te horen krijgt ? "Thee ? Is dat echt alles wat ik krijg ? Geen lunch of zo ? Of een kebab ?" En dan weer die glimlach en die pretoogjes. Niet toevallig is de eerste foto in McCurry's nieuwe fotoboek In the Shadow of Mountains een Afghaanse jongen die de lezer thee serveert. Gevolgd door een reeks pakkende portretten, dramatische landschappen en straattaferelen, die hij de voorbije achtentwintig jaar overal in het land schoot. "Ik moet er intussen, denk ik, een keer of veertig geweest zijn. Afghanistan is als een oude soulmate. Het land en de inwoners laten me niet los." We durven het zelfs harder stellen : zonder Afghanistan was McCurry nooit uitgegroeid tot een van de grootste portretfotografen van vorige eeuw.
...

Hé, knappe dictafoon is dat. Zo vriendelijk dat je die voor mij meebracht, man. Echt bedankt." Schaamteloos steekt Steve McCurry (58) ons dierbare opnameapparaatje in zijn broekzak en staat recht. Wij, verbouwereerd. Hij, drie seconden later met een ontwapenende smile : "Haha." Het ijs breken, daar is de Magnumfotograaf meester in. Weet u wat hij in Af-ghanistan zegt, als hij voor de zoveelste keer " Tea, sir ?" te horen krijgt ? "Thee ? Is dat echt alles wat ik krijg ? Geen lunch of zo ? Of een kebab ?" En dan weer die glimlach en die pretoogjes. Niet toevallig is de eerste foto in McCurry's nieuwe fotoboek In the Shadow of Mountains een Afghaanse jongen die de lezer thee serveert. Gevolgd door een reeks pakkende portretten, dramatische landschappen en straattaferelen, die hij de voorbije achtentwintig jaar overal in het land schoot. "Ik moet er intussen, denk ik, een keer of veertig geweest zijn. Afghanistan is als een oude soulmate. Het land en de inwoners laten me niet los." We durven het zelfs harder stellen : zonder Afghanistan was McCurry nooit uitgegroeid tot een van de grootste portretfotografen van vorige eeuw. Zijn carrière begon er onverwachts in 1979 : Steve was in Pakistan verzeild geraakt en op een bepaald moment kwam daar een groep Afghaanse vluchtelingen op hem af. Ze waren gaan lopen uit hun dorp, net over de grens, omdat Russische rebellen het verwoest hadden. De situatie was onstabiel, maar de piepjonge McCurry besloot het er toch op te wagen : verkleed in een traditioneel Pashtungewaad, waar hij een paar filmrolle-tjes in genaaid had, stak hij de grenspost over naar de verboden zone. Zijn riskante operatie leverde de wereld de eerste fotoreportage op van het conflict. Zelf kreeg hij er een Robert Capamedaille voor. Zes jaar later schreef hij in Afghanistan weer fotogeschiedenis, toen hij er de beroemde vluchtelinge-met-de-groene-ogen portretteerde. Het iconische beeld behoort tot het collectieve geheugen. Het is een van de meest herkende foto's van de twintigste eeuw. Nog eens zestien jaar later, op die bewuste 11 september 2001, zag hij met eigen ogen vanuit zijn appartement in New York hoe moslimextremisten zich met vliegtuigen in twee wolkenkrabbers boorden. Zoals het een oorlogsfotograaf van zijn kaliber betaamt, aarzelde hij niet : hij trok meteen de straat op om het inferno in beeld te brengen. De volgende dag waren zijn foto's voorpaginanieuws over de hele wereld. Is zijn liefde voor het land sinds 9/11 wat bekoeld ? En, interessanter nog : is het als Amerikaan voor hem nu moeilijker geworden om naar Afghanistan te gaan ? "Niet echt. Ik stel me even nederig op als vroeger. Niet moeilijk voor iemand met mijn gestalte", lacht McCurry. "Nee, serieus, ik heb daar een stel goede vrienden, die ervoor zorgen dat ik overal veilig kom. Die mensen zijn me heel erg dierbaar, ze hebben al meermaals mijn leven gered. Helaas zijn er intussen al enkele van hen gestorven in gevechten of bombardementen." Steve McCurry : Schaapherders, bucolische dorpjes, lastdieren op de akkers... De Afghanen leven bijna op dezelfde manier als 2000 jaar geleden. Daarheen reizen is voor mij een manier om in het verleden te kijken. De laatste jaren zie ik de hoofdstad Kaboel wel fel veranderen. Jonge mensen lopen casual gekleed en oude lemen huisjes ruimen plaats voor moderne gebouwen. Maar het lijkt me nog steeds geen pretje om er op te groeien. De situatie blijft veel te labiel. Echt een wandaad van formaat van de Taliban. Vroeger was in de schaduw van de beelden een prachtig marktplein. Eén van mijn lievelingsplekken. Er schiet echt niets van over. Triest, heel triest. Moeilijk in te schatten. Ik zie nog altijd te veel Talibanaanhangers die maar al te graag moorden en verkrachten. Als je toevallig tot de verkeerde etnie behoort, maken ze je af. In Amerika zijn er nauwelijks soldaten die staan te springen om op missie te gaan naar Afghanistan. Het is echt de laatste plaats waar ze naartoe willen. Ze worden verondersteld om zich daar te mengen met de plaatselijke bevolking. Maar wat zie je ? Alle logistieke middelen zoals tenten, stoelen en tafels zijn ingevoerd uit het Westen. Terwijl die ook perfect ter plaatse te vinden zijn. Ik vind dat zielig. De Amerikanen zijn totaal niet in staat de harten van de Afghanen te winnen. De meeste soldaten doen zelfs geen moeite om een mondje Farsi te leren. Een klein beetje, maar ik heb altijd een vertaler bij die uitlegt wie ik ben en wat ik kom doen. De mensen daar zijn van nature wat defensief en wantrouwig, maar die man neemt de eerste schroom weg. Hij schept eigenlijk de scène waarbinnen ik kan werken. Een oudere vrouw met een boerka kun je inderdaad niet zomaar op straat aanspreken. De mannen worden onmiddellijk erg kwaad. Ze denken dat ik hun vrouw door mijn camera helemaal naakt zie, dat ik dwars door hun kleren kan kijken. Meisjes die nog niet in de puberteit zijn, hoeven nog geen boerka te dragen. Die zijn gemakkelijker te fotograferen. Ik heb toch serieus moeten aandringen, hoor. Ze kon zich gelukkig onze eerste ontmoeting nog herinneren. Logisch, want ze was sindsdien nooit meer gefotografeerd. Ik was bijzonder blij om te zien dat ze nog leefde. De tijd had haar gezicht wat aangetast, maar het is een mooie vrouw gebleven. Ze is intussen getrouwd en heeft drie kinderen. Het was trouwens niet aan haar groene ogen, maar aan de littekens op haar neus dat we haar herkend hebben. Ik krijg inderdaad nog wekelijks mails van mensen die tapijten of kalenders met haar afbeelding willen maken. Maar National Geographic heeft haar en haar familie een ruime compensatie gegeven voor de foto. Er is zelfs een fonds opgericht om ter plaatse een school te bouwen. De foto is voor vele mensen een opstap naar mijn ander werk. Maar veel belangrijker nog : het beeld heeft tal van mensen aangezet om vrijwilligerswerk te doen in Afghanistan. Achter mijn foto's moet je niet altijd politieke boodschappen zoeken. Mijn engagement gaat uit naar de medemens. Ik benader iedereen als mens, niet als een fotografeerbaar object. Ik neem graag de tijd om te praten, naar hun verhalen te luisteren en me in te leven in hun leefwereld. En als ik op reportage ben, engageer ik mij voor het 'moment' : ik wil aanwezig zijn, niet denken aan gisteren of morgen, maar openstaan voor de wereld die zich voor mijn lens afspeelt. Ja, elke mens is uniek, maar eigenlijk zijn we maar variaties op een thema. Die universele trekken, die zoek ik in de gezichten van de mensen. Het is werkelijk het mooiste volk op aarde. Doorheen de geschiedenis ondergingen ze invloeden van Mongolië, Rusland, Perzië, Turkije en China. Die mix levert ongelofelijk fotogenieke mensen op. Ik was vooral geïnteresseerd in reizen tout court. Ik zocht een job om mijn twee passies, fotografie en reizen, te combineren. Mijn werk als persfotograaf bij een plaatselijke krant in Pennsylvania gaf ik op, om enkele maanden naar Europa en India te trekken. Door een draai van het lot ben ik in Afghanistan verzeild. De eerste indruk was overweldigend : de landschappen zijn dramatisch mooi. Al zijn de gebeurtenissen daar ook vaak even dramatisch. Ja, als oorlogsfotograaf wil ik erbij zijn op de momenten dat de toestand in het land grondig verandert. Vergelijk het met dansen op een vulkaan : je wil de magma zien rondspuiten en de nieuwe aarde gevormd zien worden. Maar je verbranden aan de lava, dan kan nooit de bedoeling zijn. Er zijn wel eens bommen vlakbij mij ontploft in Afghanistan, ja. Het blijft een gokspel, want eigenlijk is het onzinnig om je leven te verspelen voor een foto. Voor de kick doe ik het zeker niet. Want ik kan je verzekeren : als je de straat moet oversteken met een regen van kogels rond je oren, denk je alleen aan overleven. Hopelijk wel. Het is waar, ik ben intussen al 58 jaar, verdorie (lacht). Zie ik er zo oud uit misschien ?' Door Thijs Demeulemeester Foto's Steve McCurry / Magnum Photos