In een aangepast voertuig - een oude Land Rover van het Engelse leger - rijden wij naar Picardië, naar de stad Albert en de slagvelden bij de Somme. Wanneer we vertrekken, hangt er over de akkers nog een metertje nevel, als schuim : God reinigt zijn vloerbekleding. De jeep loeit als een vliegtuig dat vergeefs op hoogte tracht te komen. Maar wie zoals ik jaren boven een 12.000 pk-sleepbootmotor sliep, is wel wat gewend. Dat er geen raampjes in de deuren zitten, is mooi meegenomen, want verwonderlijk vroeg al schroeit de zon het land als een vlammenwerper. Boeren bekleden tijdelijk de functie van brandweerman en sproeien hectoliters water over hun velden, maar ik weet, hun inspanningen zijn slechts druppels op een hete plaat. Over de grens beginnen de Franse vlierbloesems op bruingeroosterde broden te lijken en het is alsof de akkers geel bloemend koolzaad ook écht in de fik staan. Rogge en tarwe houden zich nog kranig rechtop, de bieten laten hun bladeren hangen als waren het vuile vodden, de aardappelplanten zuigen het laatste vocht uit hun knollen. Langs de rand van weilanden lokken schaarse bomen het vee dat komt schuilen in de donkere kamers van hun gebladerte. Nog meer vuurwerk : klaprozen knallen uit de rossige wegberm.
...

In een aangepast voertuig - een oude Land Rover van het Engelse leger - rijden wij naar Picardië, naar de stad Albert en de slagvelden bij de Somme. Wanneer we vertrekken, hangt er over de akkers nog een metertje nevel, als schuim : God reinigt zijn vloerbekleding. De jeep loeit als een vliegtuig dat vergeefs op hoogte tracht te komen. Maar wie zoals ik jaren boven een 12.000 pk-sleepbootmotor sliep, is wel wat gewend. Dat er geen raampjes in de deuren zitten, is mooi meegenomen, want verwonderlijk vroeg al schroeit de zon het land als een vlammenwerper. Boeren bekleden tijdelijk de functie van brandweerman en sproeien hectoliters water over hun velden, maar ik weet, hun inspanningen zijn slechts druppels op een hete plaat. Over de grens beginnen de Franse vlierbloesems op bruingeroosterde broden te lijken en het is alsof de akkers geel bloemend koolzaad ook écht in de fik staan. Rogge en tarwe houden zich nog kranig rechtop, de bieten laten hun bladeren hangen als waren het vuile vodden, de aardappelplanten zuigen het laatste vocht uit hun knollen. Langs de rand van weilanden lokken schaarse bomen het vee dat komt schuilen in de donkere kamers van hun gebladerte. Nog meer vuurwerk : klaprozen knallen uit de rossige wegberm. In Albert, op een terras voor La Basilique Notre-Dame de Brebières, drink ik bier, koud als sneeuwwater, en noteer dat alle schaduw uit de stad verdwenen lijkt. En La Basilique is volgens mij helemaal geen basiliek, maar wel de wonderlijkste en stilistisch meest eclectische kerk die ik ooit zag. Het buitenverblijf van een paar excentrieke heiligen ? De toren in zand- en baksteen telt zoveel Moorse elementen dat hij wel een wat breed uitgevallen minaret lijkt. Hoefijzervormige, tweekleurige bogen, geschraagd door roze kolommen, kronen de poorten. Hoger, alles symmetrisch : rozetten, kalkstenen driehoeken, mozaïek, streepjes goud, galmgaten in wit en rood, trappen die van nergens naar nergens leiden, een balkon (voor de imam ?), en bijna boven, opnieuw een hoefijzertje. De toren draagt een kletterend gouden hoedje waarop de Heilige Maagd triomfantelijk haar zoon omhoogsteekt. Eén keer heeft ze hem bijna laten vallen. Op 15 januari 1915 wordt de kerk getroffen door 2000 obussen. Maria komt horizontaal op haar gouden sokkel te liggen maar blijft, met de kracht van moeders in paniek, haar baby stevig vasthouden. Al gauw doet een gerucht in de stad de ronde : de dag dat ze valt, zal de oorlog eindigen. En zo is geschied. Maar zelfs dàn heeft ze haar kind niet gelost. Binnen is de vermenging van stijlen nog schokkender. Louis Duthoit, die in 1926 de kerk mocht herstellen, heeft zijn hele zak architecturale bagage in het gebouw leeggeschud. Een beeld van Jeanne d' Arc in zuivere art deco naast een vroeg-negentiende-eeuwse piëta, een plafond gesteund door ingewikkelde houten constructies en beschilderd in oosters aandoende kleuren, een marmeren biechtstoel in wit en turkoois die oogt als een kaboutermoskee, vierkante zuilen waarvan de doorsnee gelijk is aan die van een achtpersoonstafel, een vloer in mozaïek, zo complex en kleurig dat je er best niet te lang naar kijkt als je overeind wilt blijven. In een vol restaurant eet ik een gebakken tong begeleid door ongeveer alles wat de moestuin in deze tijden van voorjaarsdroogte nog te bieden heeft. Als dessert : een flinke plak Fourme d'Ambert, een schimmelkaas. Ik hoop dat de voor mij onweerstaanbare lekkernij mijn lever zal passeren zonder al te veel schade aan te richten. Na nog een glas sneeuwwater op het terras komt onze gids opdagen. Hij heeft de hele vorige dag in een cabriolet rondgetoerd en ziet eruit als een wandelend terracottabeeld. Hij rijdt met ons mee - hopelijk breekt hij niet ! In de driehoek gevormd door de steden Arras, Albert en Péronne werden tijdens de Eerste Wereldoorlog verschrikkelijke veldslagen geleverd. Op honderden kerkhoven, onder sobere zerken, liggen de soldaten begraven in de grond waarop ze sneuvelden. Een leger tuinmannen giet de éne roos die bloeit naast elke steen. Het aantal nationaliteiten dat hier vocht, is indrukwekkend : Indiërs, Britten, Canadezen, Senegalezen, Algerijnen, zelfs Malagassiërs, die, ver van hun lycheebomen en hun tropenzon, aangebeten door de ratten, ondervoed en bang, wegkwijnden in de modder van Noord-Frankrijk. De slagvelden werden kort nadat de vrede getekend werd door Duitse krijgsgevangenen opgeruimd en weer beplantbaar gemaakt. Maar onze gebakken gids kent plekken die door die schoonmaakploeg over het hoofd werden gezien. Verscholen in een bos toont hij ons half dichtgeslibde loopgraven. Ze zigzaggen, lijken op een lang, met gras begroeid zaagblad. Die vorm gaf soldaten de kans om in de hoeken te schuilen voor vijandelijk vuur en de impact van een inslaande obus werd erdoor verkleind. Al groeit er hier en daar, als een grijze champignon, een kleine bunker in een weiland, het landschap ziet er nu idyllisch uit. De her en der opgerichte gedenktekens zijn geen stenen juichkreten. Ze appelleren veeleer aan de hier geleden miserie dan aan de overwinning. Een bataljon Ieren, dat klem kwam te zitten tussen Duits mitrailleurvuur en Engelse kanonnen en waarvan slechts een handvol mannen levend uit het pandemonium kwam, wordt herdacht in een kerkje. De New Foundlanders hebben een bronzen hert dat uitkijkt over een lap grond vol putten en grachten - het lijkt wel of er 's nachts een reuzenkonijn aan het dabben is geweest. In het monument voor The missing of the Somme staan 73.367 namen gebeiteld. Regelmatig worden er nog vermisten opgegraven, soms zelfs geïdentificeerd aan de hand van hun regimentsnummer. Zouden ze zo'n naam dan uit de marmeren gedenkplaten weghakken ? Al zijn de twee landen het in de loop der geschiedenis vaak duchtig oneens geweest, bovenop wapperen de Engelse én de Franse vlag naast elkaar. In Flanders fields the poppies blow... , en ook hier is de klaproos een symbool dat staat voor vrede. En, misschien, gezien zijn kleur, voor het vergoten bloed ? Omdat de wilde bloem verlept nog voor je er twintig meter mee gelopen hebt, wordt ze in stof nagemaakt en tot kransen gevlochten. Overal zie je ze liggen. Soms met een foto erbij, een naam, een tekening, een vers : Red lips are not so red / as the stained stones kissed by the English dead. De grond zit nog vol met negentig jaar geleden afgevuurde munitie, schrapnels, granaatscherven. Op een boerenerf zien we een stapel van het bovengehaalde, roestige oorlogsafval, groot als een hooimijt. Heel af en toe komt de ontmijningsdienst de onontplofte stukken oppikken. Een enkele obus die onaangetast bleef door de elementen, staat nog op scherp. Een tik van een ploeg kan genoeg zijn om ze tot ontploffing te brengen. Af en toe sterft er nog iemand door een projectiel dat voor zijn overgrootvader bedoeld was. Onze laatste halte is een krater waarin - stel dat het lang zou regenen - een klein zeeschip kan wenden. De Duitsers leefden, meer nog dan de geallieerden, ondergronds. Een Schotse compagnie vond daar wat op en groef een tweehonderd meter lange gang die eindigde in een kamer recht onder en dus nóg dieper dan de Duitse holen. De Schotten stopten er zevenentwintig ton dynamiet in, kropen weer terug en drukten op de knop. Hun stunt heeft de loop van de strijd nauwelijks beïnvloed, maar de put lokt jaarlijks busladingen bezoekers die met opengevallen mond en ogen vol ongeloof in de diepte komen staren. Wij worden verwacht in de chambre d' hôte van madame Walrop in het dorpje Fresnes Mazancourt. Samen met een koppel fietsende Antwerpenaars en een Franse zakenman die dit soort gelegenheden prefereert boven een hotel, zijn we de enige gasten. Het is tegenwoordig een trend : in een hotel of restaurant kooklessen volgen. En ook hier word ik verondersteld de gastvrouw een handje toe te steken en haar zoveel mogelijk culinaire geheimen te ontfutselen. Ik heb er geen zin in. Na veertien jaar zelf achter het fornuis te hebben gestaan wil ik enkel nog eten. Nooit meer koken. Madame Walrop is niet gelukkig met mijn desinteresse, ook niet wanneer ik haar vertel waar die vandaan komt. Een beetje nukkig werkt ze aan de vulling van haar pannenkoeken : gesnipperde champignons, ham, tuinkruiden. Opgerold en belegd met dunne plakjes Comte, een streekkaas, gaan ze de oven in. Gezeten aan een tafel in haar gloeikeuken - zo ver heeft ze me wél gekregen - bestel ik Picardisch bier : Colvert. De drank is sterk en smaakt in de verte naar de zurige geuze waarvan Baudelaire zei 'dat die al een keer gedronken was'. Er staat een vliegende wilde eend op het etiket van de 75cl-fles. Ik zie het verband niet maar vermoed dat het beest, als je maar genoeg drinkt, wel eens naar beneden zou kunnen donderen. Weg uit de keuken, in de enorme eet- en zitplaats, krijgen we, in afwachting van de pannenkoekjes, als voorgerecht een terrine van parelhoen met blauwe pruimen die werden opgelegd in kruidenazijn. Heerlijk. Ik feliciteer madame Walrop maar ze blijft koppen. Langs eindeloos grote akkers met een horizon bomen die nooit dichterbij komt, langs blauwige lappen vlas en percelen tuinbonen groot als vier voetbalvelden, rammelen we naar Péronne om er het museum L' Historial de la Grande Guerre te bezoeken. Het is gevestigd in een kasteel waar met een of andere Franse koning wat belangrijks gebeurde. Dat is trouwens zo in àlle Franse kastelen, maar wie de geschiedenis van het land niet kent, verdwaalt in de wirwar van data en de namen van hun genummerde koningen. Elk stuk in het museum is authentiek. Op kleine televisieschermpjes kun je er vier uur oude beelden bekijken : 'Het leven zoals het was'. Toen. Maar wat mij in dit museum zo aanspreekt, is zijn grote en gevarieerde collectie kunst. Litho's, etsen, doeken, potloodschetsen en pastels, gemaakt door bekende of lang vergeten artiesten, in de loopgraven, of later, weer thuis na de gruwelijke ervaringen, trachtend de opgelopen trauma's te verwerken. Indrukwekkend is de reeks van vijftig etsen, De Oorlog, gemaakt door de in 1891 in Duitsland geboren, postexpressionistische Otto Dix. De serie werd in een kleine oplage gedrukt en dit museum heeft ze compleet. Een zeldzaamheid. Otto Dix vocht zelf in de loopgraven en de verschrikkingen van het geweld zullen hem tot aan zijn dood in 1969 blijven achtervolgen en inspireren. Ik heb iets met Dix. Hij kijkt naar de dingen zoals ik ernaar kijk, al heeft hij veel gezien dat ik gelukkig nooit zal hoeven te zien. Het lijk in de prikkeldraadversperring, bijvoorbeeld. De dode hangt er, in veel zwart en weinig wit, al heel lang. Zijn oogkassen zijn leeg, zijn lippenloze mond grijnst, zijn kameraden proberen hem te bergen maar kregen al wekenlang niet één kans om naar hem toe te sluipen. Of De kantine in Haplincourt. Soldaten die drinkend proberen te vergeten, vallend, kotsend, dansend, waggelend. Ik ken deze graad van dronkenschap, de roes voorbij, in de greep van de angst, het geheugen gewist, verleden en toekomst : bodemloze putten. Spelen met soldaatjes, paardjes, bootjes, dino's - ook al zijn die tegenwoordig vaak virtueel - hoort bij jongetjes, zoals poppen wiegen en kinderwagens duwen, alle postfeministische kritiek ten spijt, bij meisjes hoort. Maar op bepaalde vlakken gaan mannen meer neotenie (het behoud van kinderlijke eigenschappen) vertonen dan vrouwen. Het Musée de la Figurine in Compiègne bezit 160.000 stuks van de hoger genoemde jongensspeeltjes, bijna allemaal gemaakt door mannen. Ze zijn er in alle materialen, van tin tot goud, van ivoor tot visgraat. Vele zijn zo mooi afgewerkt dat je de strepen op de mouw van een vijf centimeter hoge generaal kunt tellen. De meeste worden getoond in diorama's die in grootte variëren van een aquariumpje tot een grootwarenhuisvitrine. De slag van Waterloo beslaat twintig vierkante meter en zet 10.000 soldaatjes aan het vechten. Een troep zigeuners - verjaagd uit een ander kastje ? - moet het stellen met een ruimte van een vierde vierkante meter. In een balzaal walsen edelen op muziek die alleen zíj horen kunnen. Een loden tentenkamp uit 1791 blijkt tweedimensionaal, maar het duurt even vooraleer ik dat doorheb, zó goed kende de schilder de wetten van het perspectief. Uit geweerlopen komen watten plukjes kruitdamp, bij grotere explosies brandt er een minuscuul lampje in de prop katoen. Paarden springen zoals ze dat doen op schilderijen gemaakt vóór de uitvinding van de fotografie : voor- en achterbenen gestrekt, parallel aan elkaar. Scheepjes zinken in blauw karton. Figuranten die nog wachten op een rol staan wat onwennig bij elkaar : een boer naast een clown naast een ridder en een muzikant. Hier kom je er ook achter waarom de Franse troepen in 1914 al onmiddellijk zulke enorme verliezen leden. Ze droegen uniformen uit de tijd van Napoleon ! Een knalrode broek, een blauw vest en een petje in plaats van een helm. De goed gecamoufleerde Duitsers zagen hen van op kilometers afstand komen. De tientallen koningsparen in een pronkkast dragen heuse marcasietjes, kleiner dan een speldenknop, in hun kronen. Wij raken hier maar moeilijk weg. De mannen die het museum beheren, zijn zó enthousiast dat ze door elkaar heen praten en ons liefst in een diorama zouden opsluiten zodat ze nog een paar dagen konden doorlullen. We vluchten. De tinnen soldaatjes zijn wel klein, maar het zijn er zo veel... We rijden naar Oulches-la-Vallée-Foulon, naar La Caverne du Dragon, en weten absoluut niet wat ons te wachten staat. Een wijnkelder, een bunker, een prehistorische woning, een drakenburcht ? Om er te komen, blijken we een heel eind over een als Chemin des Dames gemarkeerde, iets hoger gelegen weg te moeten rijden. Zelfs wanneer we bij de caverne parkeren en het gebouw binnenlopen, wordt het mysterie niet onmiddellijk opgelost. Dat gebeurt pas nadat we met een gids een lift hebben genomen. Onder de betonnen inkomhall liggen vier hectaren mergelgrot. Tot op het einde van de negentiende eeuw werden hier bouwstenen gewonnen. In september 1914 kwamen de Duitsers. Ze schoten de Fransen uit hun rode broeken, namen met gemak de Chemin des Dames en vonden tot hun groot genoegen de mergelgrot plus nog een paar gelijkaardige maar kleinere ruimtes. De invasie stokte. Vonden de Duitsers de Caverne du Dragon zo gezellig ? Of had het ermee te maken dat de Fransen effectief een ander uniform kregen ? Én de steun van de Engelsen ? Hoe dan ook, de stellingoorlog was begonnen. De Duitsers konden de gehele omgeving overzien en zaten zelf veilig in hun grotten. Elke geallieerde aanval liep stuk op hun mitrailleursnesten. Intussen werd de caverne uitgebouwd tot een waar fort. Al het nodige werd aangevoerd via lange tunnels die begonnen ver buiten het zicht van de Franse artillerie. Vandaag kun je er nog het hospitaal en de slaapbarakken, de keuken en zelfs een ondergrondse begraafplaats zien. Na bijna drie jaar, in april 1917, verliezen de geallieerden hun geduld. Generaal Nivelle besluit tot een groots offensief. Maar ondanks de inzet van tanks en een dagenlang intensief bombardement wordt de aanval een ramp. Over een frontlijn van 26 kilometer vallen 300.000 doden en de Duitsers wijken geen meter. In de Franse loopgraven dreigt muiterij. Nivelle wordt vervangen, een aantal verbitterde oproerkraaiers wordt gefusilleerd, de rantsoenen verbeteren. Een echte soldatenopstand breekt niet door. Pas op 10 oktober 1918 kunnen de geallieerden, geholpen door de Amerikanen, de Duitsers voorgoed uit hun holen roken. Nu nog is de hele omgeving bezaaid met stukken metaal van honderdduizenden obussen. Een oudijzermarchand kan zich hier rijk rapen. De gids neemt ons even mee naar een droge gracht, honderd meter van de weg. Er ligt, alsof hij gisteren werd afgeschoten, een enorme onontplofte bom. "Best niet op kloppen", krijgen we, quasi terloops, mee als goede raad. De man moet het géén twee keer zeggen. Waarom hij niet onschadelijk wordt gemaakt ? "Ach, er liggen er zo veel... Er is geen beginnen aan." Pas 26 kilometer verder halen we weer opgelucht adem. n Tekst Bart Plouvier