Ik maak maar eten klaar", protesteerde Jeroen Meus toen hij tijdens de recente uitreiking van de Televisiesterren zijn derde protserige trofee in de handen gedrukt kreeg. En het is waar, hoe vlot en sympathiek hij ook is en hoe handig met knolgewassen en keukengerief, de Redder des Vaderlands is Meus niet, hoogstens de Redder van de Boekenbeurs. Maar mocht er nu een verkiezing van grootste Vlaming georganiseerd worden, de Heilige van Molokai en de Kannibaal van Meensel-Kiezegem zouden wellicht concurrentie ondervinden van de Toffe Peer van Wilsele.
...

Ik maak maar eten klaar", protesteerde Jeroen Meus toen hij tijdens de recente uitreiking van de Televisiesterren zijn derde protserige trofee in de handen gedrukt kreeg. En het is waar, hoe vlot en sympathiek hij ook is en hoe handig met knolgewassen en keukengerief, de Redder des Vaderlands is Meus niet, hoogstens de Redder van de Boekenbeurs. Maar mocht er nu een verkiezing van grootste Vlaming georganiseerd worden, de Heilige van Molokai en de Kannibaal van Meensel-Kiezegem zouden wellicht concurrentie ondervinden van de Toffe Peer van Wilsele. "Onfortuinlijk het land dat geen helden heeft", beweert leerling Andrea in Bertold Brechts Het leven van Galilei. Daar valt zeker iets voor te zeggen. Van een échte held - dapper, rechtlijnig, voorvechter van de goede zaak - valt allicht iets te leren. Maar Brecht heeft natuurlijk overschot van gelijk als hij meester Galileo laat repliceren : "Nee, onfortuinlijk het land dat naar helden verlangt." Zeker als de helden van het kaliber zijn die na een dopingcontrole van het schavotje donderen of na een zoveelste dronken of anderzijds beroesde escapade richting rehab afgevoerd worden. Nee, vroeger, dat waren nog eens helden. Kerels uit één stuk, zoals luitenant Lippens en sergeant De Bruyne, in 1892 gesneuveld voor 'de beschaving van Congo'. Hun lotgevallen werden uit de doeken gedaan in een van de reeks Historische Verhalen van uitgeverij De Sikkel die ik als tienjarige met rode oortjes verslond. Daarin was koning Leopold II de vriend van zwart Afrika, die zich nobel verzette tegen de gruwelijke slavenhandel van de Arabieren. Tijdens een van zijn militaire campagnes, zo las ik met bonzend hart, werden luitenant Lippens en zijn adjudant De Bruyne gevangengenomen door de wrede sultan Sefu. Kreeg De Bruyne toch wel de kans om te ontsnappen, zeker. Maar nee, hij weigerde zijn doodzieke overste in de steek te laten. De volgende morgen stonden hun afgehakte hoofden op staken. Dat gruwelijke detail deed het. En niet alleen in mijn kinderlijke geest. In 1900 al kregen Luitenant Lippens en sergeant De Bruyne een bronzen standbeeld in Blankenberge, als symbool van onvoorwaardelijke trouw. In de jaren dertig werd er de figuur van een anonieme naakte zwarte vrouw aan toegevoegd, die theatermaker Chokri Ben Chikha in 2010 nog tot een stand-uptragedie inspireerde. Want ja, intussen is onze visie op de kolonisatie wel enigszins veranderd. Leopold II was vooral uit op persoonlijke rijkdom, als het hem uitkwam, werkte hij zonder scrupules samen met de Arabieren. En wat las ik een paar jaar geleden in De Morgen ? Dat luitenant Lippens en sergeant De Bruyne geliefden waren die naar Congo trokken om daar vrijer hun homofiele relatie te kunnen beleven. Een gay website nam het bericht gretig over en maakte er een soort herenvariant van Romeo en Julia van, het verhaal van een onmogelijke liefde die noodlottig afliep. Niet dat De Bruynes opoffering er minder door wordt, maar het bewijst wel hoe prettig plooibaar helden zijn, zeker als ze al een poos dood zijn. Wat een held tot held maakt, is wat wij erop projecteren. Helden, de oude Grieken kenden er alles van. Oorspronkelijk betekende het Griekse woord heros halfgod. Een held was iemand die iets gepresteerd had wat de verwachtingen van de menselijke ervaring zodanig overtrof dat hij na zijn dood een onuitwisbare herinnering naliet. Hercules, Achilles, Odysseus, stuk voor stuk stelden ze daden die geweldig tot de verbeelding spraken. En nee, die daden hoefden niet per se achtbaar te zijn. Ook Oedipus die zijn vader om zeep hielp en met zijn moeder het bed indook en Medea die haar eigen kinderen ombracht kregen een heldenstatus. Tegenwoordig houdt heldendom bijna altijd een moreel oordeel in. Onze helden zijn die individuen die we bewonderen en graag zouden evenaren. Door de helden die we kiezen definiëren we onze idealen en omgekeerd definiëren de idealen die we koesteren - kwaliteiten als moed, integriteit, doortastendheid - onszelf. Wie Mahatma Gandhi, Nelson Mandela of Aung San Suu Kyi bewondert, heeft nu eenmaal een heel ander beeld van uitzonderlijke menselijke kwaliteiten dan iemand die opkijkt naar Lady Gaga of David Beckham. Cultuurpessimisten zullen niet geheel onterecht opmerken dat heldendom tegenwoordig maar al te gemakkelijk verward wordt met beroemdheid. Of met schoonheid, charisma of gewoon goed zijn in wat je doet. Schuld van de media alweer, die elk eendagswonder tot icoon uitroepen. Zo betreurde de Afro-Amerikaanse filmregisseur Spike Lee onlangs dat terwijl zijn generatie opkeek naar strijders voor burgerrechten, de huidige jonge zwarten vooral met gangsta rappers dwepen : "Alsof het jonge grut tegenwoordig het liefst van al pooier of stripper wil worden." Heeft elk tijdperk de helden die het verdient ? Zo lijkt het toch als je de Hollywoodhelden van de laatste decennia als studiemateriaal gebruikt. Voor mij is de ultieme filmheld nog altijd Gary Cooper in High Noon : lang, pezig, een man van weinig woorden, de eenzame ranger die in de uitgestorven hoofstraat van het westernstadje de confrontatie met vier outlaws tegemoet gaat, ' cos a man 's gotta do what he's gotta do'. Wat een verschil met superheroes uit de popcorncultuur, zoals Arnold Schwarzenegger, Sylvester Stallone en Bruce Willis, moordmachines met een gebeitelde kin, uitpuilende spieren en genoeg vuurkracht om in hun eentje hele roedels snoodaards naar de andere wereld te helpen. Het type held dat pijnlijk uit de mode bleek toen op 11 september 2001 echte helden opstonden : brandweerlui, politieagenten, burgers die hun eigen leven gaven terwijl ze dat van anderen probeerden te redden. Op hen is de uitspraak van de Nederlandse historicus Johan Huizinga van toepassing : "De naam held is de prijs die de levenden geven aan de gevallenen die zelf van geen heldendom wisten." Dat 9/11 het einde van de ironie zou betekenen, beweerden ethici wereldwijd, maar de memorie is kort. Hoogstens is het gamma Hollywoodhelden nu uitgebreider dan ooit. Er zijn verwarde antihelden als Jake Gyllenhaal in Jarhead en Jeremy Renner in The Hurt Locker, jonge mannen die ten strijde trekken tegen onduidelijke vijanden in zinloze oorlogen. Er is Colin Firth als de stotterende koning George VI in The King's Speech, die de moed vindt om zichzelf te overwinnen, en er nog een Oscar aan overhield ook. En niet te vergeten de nieuwe supersterster-in-wording Ryan Gosling als de coole stuntpiloot/kleine crimineel die in Drive in een oogwenk van tederheid naar extreme gewelddadigheid overschakelt. Maar net zo goed wemelt het op het grote scherm tegenwoordig van de avatars, Spider-, Super- en andere Batmannen die het kwaad uitroeien middels hallucinante speciale effecten, al dan niet in 3D. Typisch voor die cartoonhelden is dat ze telkens een geïdealiseerde übermenschversie zijn van een heel gewone, zelfs wat saaie man. Sterker nog : Peter Parker, Clark Kent en Bruce Wayne zijn stuk voor stuk hun eigen romantische rivaal, omdat hun liefjes het bovenmenselijke alter ego boven de echte man verkiezen. Maar zoals altijd is de realiteit sterker dan fictie : Christopher Reeve, nog altijd de meest bekende Superman, werd off-screen een échte held toen hij in een rolstoel na een ongeval ging lobbyen voor betere levensomstandigheden voor mensen met een dwarslaesie. "In de Grote Mannen huist de ziel van de wereldgeschiedenis", schrijft de Amerikaanse Lucy Hughes-Hallet in haar boek Helden. Verlossers, verraders, supermensen : een geschiedenis van heldenverering. "En de Grote Vrouwen dan ?" vraagt een mens zich af. Er zijn toch voorbeelden genoeg van heldhaftige vrouwen : de Amazones, Jeanne d'Arc, Florence Nightingale, Ada Lovelace, de uitvindster van het eerste computerprogramma, pilote Amelia Earhart, Nobelprijswinnares Marie Curie, verzetsstrijdster Sophie Scholl, Phoolan Devi alias The Bandit Queen, en die andere voorvechtster van de Indiase kastelozen, zuster Jeanne. Toegegeven, niet allemaal huishoudnamen. Journaliste Eliane Van den Ende vulde een heel boek met de levensverhalen van Karakterdames, waarvan velen de status van heldin verdienen, maar die onbekend zijn bij het grote publiek. Vrouwelijke helden, is het een contradictio in terminis ? Geraldine Reymenants, onderzoekster van het Instituut voor de Gelijkheid van Mannen en Vrouwen, schreef er een boeiende bijdrage over. "Geen twijfel mogelijk, de mannelijke held is de norm. 'Echte' helden belichamen typisch mannelijke kenmerken ; 'vrouwelijke' eigenschappen zoals zorgzaamheid, empathie en bescheidenheid, komen niet echt van pas bij het verrichten van heldendaden. Wat ook niet helpt, is dat huishouden en gezin niet de meest geschikte arena waren (zijn) voor het ontplooien van grootse daden met een maatschappelijke impact." Omdat alternatieve vrouwelijke heldendaden niet passen in het normatieve heldenbeeld, worden ze vaak niet herkend, aldus Reymenants. Maar er is hoop : nu steeds meer mannenbastions ook voor vrouwen toegankelijk zijn, zijn er volop vacatures voor heldinnen. Ook op het grote scherm. Waar zijn de hedendaagse versies van sterke vrouwen zoals eertijds gestalte gegeven door Bette Davis, Joan Crawford en Barbara Stanwyck ? Toch niet Lara Croft zeker. Helden komen en gaan : vandaag aanbeden, morgen verguisd. Een enkele keer krijgt een gevallen held een tweede kans en wordt Boonen weer Tommeke. De persoonlijkheidscultus is van alle tijden, evenals de berekende manipulatie van het heldendom voor allerlei doeleinden. Helden helpen om angsten van het volk te bespelen, om naties bij elkaar te houden. Maar verwachten we eigenlijk niet te veel van hen ? Achilles had een zwakke hiel. John F Kennedy, Martin Luther King, Bill Clinton en ontelbare andere groten, ook dichter bij huis, een iets te uitbundig libido. Ja, macht erotiseert, als zelfs Wilfried Martens dat ondervond. Maar maakt(e) het al die staatsmannen minder groots ? "We hebben helden nodig om de limieten van onze aspiraties te definiëren", beweert de Amerikaanse ethicus Scott LaBarge. Misschien komt het er in de praktijk op neer dat we die dingen onderscheiden die helden opmerkelijk maken en de tekortkomingen vergeven die hun perfectie bezoedelen. Want niet alle helden hebben zichzelf op dat voetstuk gezet. En wie dat wel deed, neme een voorbeeld aan de machtige Romeinse veldheer Pompeius die tijdens zijn zegetochten na het innemen van 900 steden een slaaf in zijn strijdwagen meevoerde die onafgebroken in zijn oor fluisterde : "Je bent maar een mens, je bent maar een mens." In het kader van Erfgoeddag 2012 zetten op zondag 22 april 550 organisaties een recordaantal activiteiten op rond het thema 'helden'. Alle info : http://erfgoeddag.faronet.be/2012 DOOR LINDA ASSEBERGSOok Oedipus, die zijn vader om zeep hielp en met zijn moeder het bed indook, en Medea, die haar eigen kinderen ombracht, kregen een heldenstatus Achilles had een zwakke hiel. John F Kennedy, Martin Luther King, Bill Clinton en vele anderen een iets te uitbundig libido