A.F. Vandevorst, democratische samenwerking

Klinkt alsof het een enkelvoudige persoonsnaam is, maar in feite betreft het hier een duo, een getrouwd stel zelfs. A.F. zijn de initialen van Filip Arickx (°1971), en An Vandevorst (°1968) gooit haar familienaam in het embleem van hun in 1998 gesticht bedrijf. Ze ontmoetten elkaar op de Antwerpse Academie, waar ze in hetzelfde leerjaar zaten (ze studeerden af in 1991). An was tot 1997 de eerste assistente van Dries Van Noten, terwijl Filip zijn modieuze sporen verdiende als stylist en als ontwerper bij allerhande Belgische modemerken. Met hun eigenste spaarcenten financierden ze hun eigen label, en hun eerste vrouwencollectie toonden ze in Parijs, in maart '98. Zoals hun merknaam het aangeeft, zijn hun ontwerpen het resultaat van een perfect democratische samenwerking - wie wat aanbrengt of concipieert, is niet af te lezen van het uiteindelijke kledingstuk. Ooit omschreven ze hun collecties als aparte bladzijden uit een boek dat zich seizoen per seizoen verder laat ontdekken : de ene keer laten ze zich inspireren door de paardendressuur of het ideeëngoed van Joseph Beuys, dan weer brengen ze poëtisch onderzoekwerk op kimono's, lingerie of bomberjacks. Al vroeg in hun carrière kregen ze ook in het buitenland respons : naar aanleiding van hun tweede collectie kregen ze de 'Vénus de la mode' uitgereikt, een belangrijke Franse mode-award. Een jaar later werden ze opgepikt door het Italiaanse ledermerk Ruffo Research, voor wie ze gedurende twee opeenvolgende seizoenen werkten. A.F. Vandevorst is ondertussen ook door het theatermilieu opgemerkt : in 2000 ontwierpen ze de kostuums voor het door Ivo Van Hove geregisseerde 'Alice in bed' van Susan Sontag, en in 2002 nodigde Van Hove hen opnieuw uit, voor de opera 'Vec Makropoulos' van Leos Janacek.
...

Klinkt alsof het een enkelvoudige persoonsnaam is, maar in feite betreft het hier een duo, een getrouwd stel zelfs. A.F. zijn de initialen van Filip Arickx (°1971), en An Vandevorst (°1968) gooit haar familienaam in het embleem van hun in 1998 gesticht bedrijf. Ze ontmoetten elkaar op de Antwerpse Academie, waar ze in hetzelfde leerjaar zaten (ze studeerden af in 1991). An was tot 1997 de eerste assistente van Dries Van Noten, terwijl Filip zijn modieuze sporen verdiende als stylist en als ontwerper bij allerhande Belgische modemerken. Met hun eigenste spaarcenten financierden ze hun eigen label, en hun eerste vrouwencollectie toonden ze in Parijs, in maart '98. Zoals hun merknaam het aangeeft, zijn hun ontwerpen het resultaat van een perfect democratische samenwerking - wie wat aanbrengt of concipieert, is niet af te lezen van het uiteindelijke kledingstuk. Ooit omschreven ze hun collecties als aparte bladzijden uit een boek dat zich seizoen per seizoen verder laat ontdekken : de ene keer laten ze zich inspireren door de paardendressuur of het ideeëngoed van Joseph Beuys, dan weer brengen ze poëtisch onderzoekwerk op kimono's, lingerie of bomberjacks. Al vroeg in hun carrière kregen ze ook in het buitenland respons : naar aanleiding van hun tweede collectie kregen ze de 'Vénus de la mode' uitgereikt, een belangrijke Franse mode-award. Een jaar later werden ze opgepikt door het Italiaanse ledermerk Ruffo Research, voor wie ze gedurende twee opeenvolgende seizoenen werkten. A.F. Vandevorst is ondertussen ook door het theatermilieu opgemerkt : in 2000 ontwierpen ze de kostuums voor het door Ivo Van Hove geregisseerde 'Alice in bed' van Susan Sontag, en in 2002 nodigde Van Hove hen opnieuw uit, voor de opera 'Vec Makropoulos' van Leos Janacek. Mocht er een Groot Allesomvattend Modeboek bestaan, dan mag Angelo Figus (°1975) met stip in het hoofdstuk 'Modestudent wordt in recordtempo een Ster' : nog geen twee maanden nadat hij zijn laatstejaarscollectie op de Antwerpse Academie had getoond (in juni '99), stond hij met dezelfde collectie (nota bene een mannenlijn) op de officiële kalender van de haute couture in Parijs. In februari 2000 presenteerde Figus zijn eerste 'echte' collectie, voor vrouwen, ook in Parijs. Alle ingrediënten van de vroegere en toekomstige Figus waren aanwezig : draperingen, plooien en onconventionele vormen, gelardeerd met drama en dromerigheid en meer dan één verwijzing naar zijn roots, zijnde Sardinië. Diezelfde stijl, maar dan met minder restricties, houdt hij ook aan wanneer hij werkt voor zijn andere liefdes, de kunst en het theater. In 2000 ontwierp hij de kostuums voor een performance van Ugo Rondinone in Gent, en in hetzelfde jaar werd hij door de Nederlandse Opera uitgenodigd voor de kostumering van een opera van Claude Vivier. Diezelfde Nederlandse Opera sprak hem opnieuw aan in 2002, voor 'Lohengrin' van Richard Wagner, geregisseerd door Pierre Audi. Een enigmatisch buitenbeentje van de Antwerpse scene, vooral door haar eigenzinnige, aan het modern theater ontleende presentaties en haar conceptueel ver doorgedreven ontwerpen. Anke Loh (°1973) is Duitse, en studeerde in 1999 af aan de Antwerpse Academie. Daarna kon ze aan de slag als stagiaire bij La Maison Margiela, maar kreeg een behoorlijke mentale opsteker toen ze in april 2000 de hoofdprijs van de belangrijke Franse wedstrijd 'Festival International des Arts et de la Mode' in Hyères wegkaapte. Het deed haar besluiten collecties onder haar eigen naam te ontwerpen : in oktober 2000 presenteerde ze haar eerste vrouwencollectie in Parijs. Haar stijl, tegelijk teer en deconstructivistisch, appelleerde meteen aan de dans- en theaterwereld : Anne Teresa de Keersmaeker belde haar in 2000 op om de kleding van het stuk 'In Real Time' te bedenken, en in hetzelfde jaar werkte ze ook samen met de Duitse choreograaf Sasha Waltz, voor diens stuk 'Dialoge', opgevoerd in Berlijn. Anna Heylen (°1963) studeerde in 1988 af aan de Antwerpse modeacademie, en startte met haar eigen collectie in 1996. Niet dat ze die hele tijd had stilgezeten : ze werkte voor een aantal Belgische modemerken, maar vooral aan haar poppen, die ze voor het eerst in 1993 aan het publiek liet zien. Die poppen (interpretaties in miniatuur van vrouwenlichamen, gekleed in expressieve, uit de meest uiteenlopende materialen geknipte Heylen-outfits) maakten een zodanige indruk, dat Heylens naam er nog steeds mee verbonden zijn. Ondertussen zijn de poppen (in de loop der jaren aangegroeid tot een leger van meer dan 300) al naar tentoonstellingen in Sao Paulo, Londen en Parijs gereisd. Ook in haar kleding schuwt Heylen het experimentele en het artistieke niet, maar ze zorgt er vooral voor dat haar stukken draagbaar en lichaamsvriendelijk zijn. In 1998 opende ze haar eigen boetiek in Antwerpen. Haar internationale naam dankt ze aan haar Portugees, Duits en Belgisch bloed, en ook haar stijl is een breedbeeldkijk op de wereld. Jong en sportief, en ook minimaal en degelijk, ideaal voor urban people overal. Ze studeerde in 1995 af aan de Antwerpse modeschool, maar had tijdens haar studiejaren al een eigen lijn in breigoed, die toen te koop werd aangeboden in de Brusselse boetiek Stijl. Na het behalen van haar diploma leerde ze de knepen van het vak op het Parijse bureau van Barbara Bui. In 1997 lanceerde ze haar eigen lijn, zowel voor mannen als vrouwen. Ze opende snel een shop in hartje Antwerpen, terwijl ze ook aan winkels in Azië en Amerika verkocht. Grootse presentaties zijn niet aan haar besteed : voor haar visueel imago doet ze slim een beroep op Zoé & James, twee fictieve figuren die elk seizoen via tekenverhalen en dagboeken de nieuwe collecties aan het grote publiek tonen. Eenmaal afgestudeerd aan de Antwerpse Academie in 1981, veranderde alles voor Ann Demeulemeester (°1959). Allereerst won ze in 1982 de eerste Gouden Spoel ; een paar jaar later showde ze haar collectie in Londen, samen met vijf andere ex-academiestudenten : vanaf dat moment was Ann Demeulemeester (die toen nog Verhelst als tweede naam droeg) officieel lid van de Antwerpse Zes. Met haar fotograferende echtgenoot Patrick Robyn richtte ze al in 1985 haar eigen bedrijf op, met als hoofdproject een vrouwencollectie, wat later uitgebreid met mannenkleren en schoenen. Al vroeg bleek ze aan een stille revolutie binnen het modebeeld te werken, via een signatuur (hard en streng en tegelijk romantisch en passioneel) dat uiterst persoonlijk getint was en desalniettemin wereldwijd bijzonder veel bijval genoot/geniet. In passerende trends heeft ze nooit geloofd, wel in de kracht van kledingstukken - "Een collectie maken is als een cadeau presenteren aan een anonieme persoon", zei ze ooit. Demeulemeester brengt haar boodschap vooral door haar kleren over, dankzij haar voortdurende zoektocht naar vormen, structuren, superposities en het samenbrengen van tactiele materialen. Zwart en wit blijven haar geliefkoosde kleuren ; fellere tinten komen enkel te pas als ze een conceptuele of psychologische meerwaarde brengen. Thema's zijn er nooit bij Demeulemeester, wel rode draden, zoals de balans tussen mannelijkheid en vrouwelijkheid, en een onderkoelde zin voor anarchie (zie haar algemene iconen, zoals de dichter Rimbaud en de zangeres Patti Smith, met wie ze ondertussen een vriendschapsband heeft opgebouwd). Demeulemeester showde voor het eerst in Parijs in 1992 ; vanaf 1996 toonde ze haar vrouwenkleren samen met haar mannensilhouetten. In 1996 ontwierp ze samen met haar man een witte tafel (het blad bespannen met schilderslinnen) voor de fabrikant Bulo. In 1999 opende ze haar eigen winkel op het Antwerpse Zuid. Na het verlaten van de Antwerpse modeschool (in 1999), deed Bruno Pieters ervaring op bij onder meer Martin Margiela, Thimister Haute Couture en Lacroix Haute Couture. In juli 2001 trad hij zelf de couture binnen en presenteerde een eigen collectie tijdens de Parijse week van de couture. Met zin voor vernieuwende concepten pakte Pieters zijn couture atypisch aan : in plaats van een traditionele allround collectie toonde hij de eerste keer uitsluitend variaties en studies op de tailleur, de tweede keer (in januari 2002) alleen de vele verschijningsvormen van de blouse. Vanaf maart 2002 neemt hij er ook nog eens prêt-à-porter bij. Beide strekkingen tonen zijn pleidooi voor modern eclecticisme : vormen, motieven en stoffen gebald tot avant-gardistisch ogende maar flatterende en draagbare outfits. Is zeer bekend in Japan, in België ook, in Nederland wat minder. Haar stoffen zijn licht, vaak transparant en ze werkt veel met tricot. Haar collectie gaat van sportief tot zeer gekleed. Ze is geen nieuwkomer in de business. Ze debuteerde in 1991 onder het 'Let it be'-label met een reeks opgemerkte truien. Later tekende ze bij Olivier Strelli de '22 Octobre'-lijn. In 1997 opende ze in Antwerpen haar eerste winkel. Janssens exporteert naar de omliggende landen en dus zelfs naar Japan. Deze zomer presenteerde ze haar eerste mannencollectie : 'Shabby met en een beetje chic, nonchalante, alledaagse kleding voor zachte bohémiens'. Christian Wijnants (°1977) werd al vroeg opgemerkt, als 'eerste' zelfs door Weekend Knack : zijn tweedejaarscollectie op de Antwerpse Academie werd door dit blad bedacht met onze jaarlijkse modeprijs, uitgereikt aan de Belgische modestudent met de meeste creatieve verbeelding. Toen presenteerde hij zijn tere, poëtische kleren op kleine kindermeisjes - allesbehalve een gimmick, veeleer een ode aan puurheid. Het was ook geen toevalstreffer : ook nu nog is Wijnants sterk in optimistische en dromerige sferen, zonder in gewauwel te verzanden. Hij studeerde af in 2000, maar naast het binnenrijven van prijzen had hij ook al wat ervaring opgedaan (bij de fabrikant Marc Gysemans, waarvoor hij een collectie tekende, en bij de Italiaanse dradenfabrikant Linea Piu). Zijn eerste solostappen deed hij met een kleine collectie T-shirts (meteen al te koop bij onder andere Colette in Parijs). Na het winnen van de juryprijs op het modefestival van Hyères, ging hij aan de slag als assistent bij Angelo Tarlazzi in Parijs, en daarna bij Dries Van Noten. Vanaf oktober 2001 concentreert hij zich voornamelijk op zichzelf. Zijn eigen collectie, voornamelijk gevuld met hoogstaand breiwerk, artistieke maar praktische coupes en frisse kleuren, verkoopt momenteel gestaag in Amerika en Japan. Afkomstig uit Duitsland, maar over de grens getrokken om mode te studeren aan de Antwerpse Academie, waaraan hij in 1994 afstudeerde. Christoph Broich (°1966) ging na zijn opleiding aan de slag als freelance ontwerper voor verschillende merken en als redactielid van de Duitse 'Elle'. Hij volgde ondertussen ook ambachtelijke kleermakerslessen, naast zijn Antwerpse educatie een prima basis voor een eigen collectie : in 1997 begon hij met een vrouwenlijn, in 1998 met een mannencollectie. In 2001 opende hij een eigen winkel in Antwerpen. Zijn grafische, artistieke mode vindt ook in het buitenland aftrek, maar zijn fans jubelen vooral over Broichs handgezette prints, vaak uitvergroot en gemanipuleerd totdat ze een grillig en/of ritmisch patroon opleveren en meteen een andere dimensie aan het kledingstuk geven. Dirk Schönberger (°1966) uit het Duitse Keulen kwam na het behalen van zijn diploma van modeontwerper naar Antwerpen om er als assistent van Dirk Bikkembergs te werken. Vier jaar hield hij die job aan, maar in 1996 sloeg hij zijn vleugels uit. Zijn eerste eigen mannencollectie stelde hij in Parijs voor, terwijl hij zijn creatieve studio in Antwerpen inrichtte. Schönberger bewandelt sinds het begin van zijn loopbaan met groot evenwichtsgevoel de dunne lijn tussen klassiek en experimenteel. Zijn ontwerpen hebben steevast een traditionele basis, maar door het inschakelen van nieuwe kniptechnieken en verrassende stofbewerkingen ogen ze vooruitstrevend en persoonlijk. Zijn stijl slaat aan, steeds meer, want op de internationale markt (vooral Japan en Amerika) is hij een waarde waar men graag rekening mee houdt. Zelfs Bono, de zanger van U2, zong de massa's toe in pakken van Schönberger, tijdens de 'Elevation'-tour in 2001. Dirk Schönberger werkte ook mee aan verscheidene projecten van de Nederlandse kunstenaar Cees Krijnen. In januari 2002 presenteerde hij voor het eerst vrouwenoutfits, tussen de silhouetten van zijn mannen-show. Steeds weer stuiten actuele modehistorici op hetzelfde probleem : hoe de stijl van Dirk Van Saene in enkele woorden samen te vatten ? Het is onbegonnen werk, maar dat is vooral door toedoen van deze ontwerper zelf. Van Saene (°1959) weigert zich aan een zelfde signatuur te houden en gruwt ervan heersende trends te volgen. Toch is zijn schare fans het erover eens : met de naam Dirk Van Saene in het label geweven, krijgt men kwaliteit en originaliteit, en dat is niet niks. Van Saene studeerde in 1981 af aan de Antwerpse Academie en opende meteen een eigen boetiek met eigen creaties, 'Beauties & Heroes' genaamd. In 1983 won hij de hoofdprijs tijdens de tweede editie van de Gouden Spoel. Als lid van de Antwerpse Zes trok hij met zijn collectie naar Londen, in 1987. Drie jaar later showde hij voor het eerst in Parijs. Ook tijdens zijn defilés doet Van Saene niets zoals het 'hoort' : de ene keer zet hij de hele backstage, incluis de kappers en make-upartiesten, op het hoofdpodium, een andere keer geeft hij elke mannequin een transistorradio mee, steeds met een ander muziekje erin. Zijn ontwerpen geven ook een immer veranderende wending aan : nu eens deconstructivistisch, dan weer erg couture en chic. De basis is steeds zijn liefde voor het vak én het vakmanschap : zijn doorgedreven technische kennis stelt hem in staat vaak vernuftige ontwerpen te verzinnen. In 2001 fungeerde Van Saene als curator van de tentoonstelling ter ere van Coco Chanel, in het kader van 'Mode 2001 : Landed-Geland'. Hetzelfde jaar was hij passerende hoofdredacteur van het Belgische modeblad Nr. A. Samen met zijn partner Walter Van Beirendonck baat hij ook de shop 'Walter' uit in Antwerpen. Toen was hij één zesde van de Antwerpse Zes, nu is hij een nationaal instituut. Dries Van Noten (°1958) is wat men noemt een begrip, en toch mag men dat woord in zijn bijzijn niet gebruiken. Zijn zin voor bescheidenheid en realiteit kenmerkt ook zijn kleren, want geen enkele Belgische ontwerper kan een gevoel van humanisme zodanig aan draagbare ontwerpen koppelen als hij. Schokeffecten of bruuske trendbepalingen zijn aan hem niet besteed ; seizoen na seizoen biedt hij garderobes vol keuzemogelijkheden aan, steeds met een klassieke en/of etnische ondertoon. Zijn mode promoot vrijheid en diversiteit : vormen zijn door de band los en comfortabel, stoffen zijn veelal voorgewassen en qua visuele totems refereren zijn items vaak aan andere culturen. Als telg uit een kleermakersfamilie startte hij zijn opleiding aan de Antwerpse academie in 1977 ; tijdens zijn studentenjaren verkocht hij al zelfontworpen hemden aan winkels in New York en Londen. In 1985 opende hij een eigen, kleine shop in Antwerpen, waar hij zijn collecties verkocht. In 1989 verhuisde hij naar het grotere Het Modepaleis (bouwjaar 1831), een stek die ondertussen een vaste waarde op het toeristische stratenplan van Antwerpen is geworden. Van Noten begon pas 'laat' met Parijse defilés : in 1991 toonde hij er zijn mannencollectie, en een jaar later zijn vrouwenlijn. Via deze shows slaagde hij er evenwel meteen in een eigen profiel neer te zetten : ondertussen weet elke modeprofessional dat Dries als geen ander een geanimeerde sfeer kan scheppen, met licht en muziek, en met eten en drank. In 1997 opende hij een eigen shop in Tokio en eentje in Hongkong. Wereldwijd doet Van Noten het uitstekend : zijn collecties worden in meer dan 500 winkels verkocht. Toch blijft hij verknocht aan zijn thuisstad. Zijn atelier, vijf verdiepingen hoog, kijkt uit op de haven van Antwerpen en tijdens interviews met de buitenlandse pers blijft deze sinjoor zijn stad met verve verdedigen. Studeerde in 1993 af aan de Antwerpse modeschool, en werd twee jaar later een fenomeen binnen de Antwerpse stadsmuren dankzij het openen van een eigen... frituur. Deze Frituur Erik baatte hij twee jaar lang zelf uit, maar daarna kreeg hij toch weer de modekriebels. Voor hij zich aan het frietvet waagde, had hij gewerkt bij La Gaviotta en Mer du Nord ; na zijn culinair interludium timmerde hij aan een eigen en eigengereide weg. In 2001 toonde hij zijn mannen- en vrouwencollecties, zij het niet volgens het geijkte systeem. Seizoenen bestaan voor hem niet, hij presenteert een stuk wanneer het klaar is. Ook in grote producties gelooft hij niet, eerder in unieke, veelal handgemaakte stukken, volgens het adagio 'op is op'. In Marina Yee vindt hij een geestesgenoot, want sinds 2002 hebben ze samen het 'Atelyee Verdonck'. Het tweetal is bijgevolg als duohoofddocent aangesteld aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag, afdeling mode en textiel. Frieda Degeyter kreeg haar diploma van de Antwerpse Academie in 1993. Ze ging aan de slag bij een aantal Belgische modemerken, en lanceerde in 2000 een kleurige en fleurige kinderlijn. Dezelfde ongecompliceerde, lichtjes excentrieke stijl hanteerde ze ook voor haar eerste vrouwencollectie, die ze in 2002 voorstelde. Weliswaar wonend en werkend in Antwerpen, en toch al een leven als wereldreiziger achter de rug. Haider Ackermann (°1971) werd in Colombia geboren en geadopteerd door Franse ouders. Met een zakenman als vader, bracht hij zijn jeugd door in achtereenvolgens Ethiopië, Tsjaad, Frankrijk, Algerije en Nederland, om nadien neer te strijken in Antwerpen. In 1994 werd hij toegelaten aan de Antwerpse modeschool, maar na drie studiejaren verliet hij de academie. In 1998 ging hij aan de slag als assistent bij Wim Neels. Ackermann had evenwel een droom, en eenmaal zijn spaarvarken vol genoeg was, liet hij die ook in vervulling gaan. Want in oktober 2002 presenteerde hij in Parijs een eigen vrouwencollectie die - dromen komen soms helemaal uit - insloeg als de spreekwoordelijke bom. Subtiele en toch gedecideerde kleren, met afgestreken lepels handwerk en vormenstudie, gedragen door en bedoeld voor vrouwen die mysterie boven exuberantie verkiezen. Samen met de internationale inkopers en journalisten was ook het Italiaanse ledermerk Ruffo Research meteen vragende partij. Bijgevolg mocht Ackermann, in navolging van onder meer Raf Simons, Veronique Branquinho en A.F. Vandevorst, twee seizoenen lang hun collectie (voor mannen en vrouwen) tekenen, ondertussen zijn eigen lijn met stijgend succes uitbouwend. Jurgi Persoons (°1969) haalde al het nieuws tijdens zijn studiejaren aan de Antwerpse Academie, met zijn boude kruisingen van ultraklassiek met sadomasochisme. Ook na het afstuderen in 1992, diepte hij zijn radicale en vernieuwende visie verder uit. Hij deed ervaring op bij Walter Van Beirendonck en begon in 1995 met zijn eigen vrouwencollecties. Hij bracht een eigen versie van het deconstructivisme : oerdegelijke klassiekers uit de vrouwengarderobe blies hij een tweede, avontuurlijker leven in, elementen die doorgaans als slechte smaak worden beschouwd maakte hij verleidelijk en trashy glamour, vaak met een decadent kantje, werd bij hem chic. Ook technisch kapt hij met geldende regels : vooral zijn vernuftige items, in elkaar gezet en/of bestrooid met minuscule, artisanale handsteekjes, zijn een handelsmerk geworden, naast zijn scheuren, patchwork en deformatie. In 1999 begon hij met presentaties in Parijs : geen defilés, maar statische taferelen, waarbij setting, decor en sfeer doorslaggevend zijn. Zo stopte hij zijn modellen in glazen boxen langs de oevers van de Seine, of vulde hij een nachtelijk park met eivormige sculpturen in plexiglas, elk gevuld met een roerloze mannequin. Een duo, bestaande uit Tom Notte en Bart Vandenbosch. Beiden studeerden in 2000 af aan de Antwerpse modeschool. Behalve de haard delen ze ook een voorliefde voor luxe, elegantie en poëzie, wat resulteerde in het samen oprichten van een eigen mannenlijn. Ze gebruiken graag de term 'Modern Nostalgics', een vlag die de lading dekt : hun ontwerpen refereren tegelijk aan klassieke dandy-looks en nonchalante, jongensachtige nachtvlinders van nu. In 2002 showden ze voor het eerst in Parijs. De stijl van Les Hommes trekt ook de actuele technoscene aan, want ze leenden hun kleren en stylings al voor een aantal videoclips. Maria Intscher (°1974) groeide op in haar geboorteland Canada, maar om haar vocatie als modeontwerpster waar te maken, trok ze naar Londen, waar ze tussen 1995 en 1997 school liep aan Central Saint Martins College of Art and Design. Daarna assisteerde ze Alexander McQueen. Toen lonkte Antwerpen : in 1999 begon ze mee te werken aan de vrouwenlijn van Dirk Bikkembergs. Na een jaartje Duitsland (als ontwerpster voor Strenesse) keerde ze weer terug naar Antwerpen, waar ze haar firma stichtte. Sinds 2001 brengt ze haar eigen vrouwencollecties, waarin ze puurheid met een sexy attitude vermengt. Marina Yee (°1958) is een blijver, hoewel ze de laatste twintig jaar af en toe bewust afstand nam van het modecircus. Haar parcours typeert haar, en meteen ook haar stijl : eigenzinnig en persoonlijk, menselijkheid en creativiteit voorop. Ze heeft nooit van de grote gebaren gehouden, en concentreert zich liever op inhoud en kwaliteit, volgens een eigen tempo. Ondanks het feit dat ze steeds weer verschillende projecten instapte, blijkt steeds weer haar voorliefde voor vakmanschap en vooral krachtige vrouwelijkheid. Zo ook in het begin van haar carrière : na het afstuderen aan de Antwerpse Academie in 1981, nam ze een jaar later deel aan de eerste editie van de Gouden Spoel. Tot en met 1985 stelde ze steeds weer nieuwe collecties voor tijdens shows georganiseerd door het ITCB, onder de banier van Mode: dit is Belgisch. Zo werd ze deel van de Antwerpse Zes, temeer na de ondertussen fameuze presentatie in Londen (1987). In 1986 startte ze haar eigen label, dat ze 'Marie' doopte : een gevoelige en toch stadse garderobe, met specifieke aandacht voor hoogstaande materialen en uitgedachte vormen. In 1992 gooide ze het roer om en bedacht een statement om de vluchtigheid van de modewereld op haar manier te pareren : een tearoom annex creatieve workshop in het centrum van Brussel. Ondanks haar low profile bleef Yee volop aan het werk, onder meer voor enkele Belgische merken en theaterproducties. Voor de 400ste verjaardag van de schilder Antoon Van Dijck, werd ze aangesteld als curator voor een aansluitende Antwerpse modetentoonstelling en merchandisingproject. In de periode 1998-2001 ontwierp ze collecties voor zowel Lena Lena als Dirk Bikkembergs (accessoires en ook de vrouwenafdeling). Samen met Erik Verdonck engageert ze zich voor het 'Atelyee Verdonck', een samenwerkingsproject dat momenteel in Parijs presenteert en een basis in Brussel plant. Ook met Verdonck is ze hoofddocent van de afdeling mode en textiel van de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunst in Den Haag. Zij presenteerde in maart 2003 haar eerste vrouwencollectie in Parijs, wat van haar nog een heel nieuwe telg in de Antwerpse modefamilie maakt. Maar schijn bedriegt, want Marjolijn Van Den Heuvel (°1976) heeft sinds ze aan de Antwerpse modeschool afstudeerde (in 1998) een indrukwekkend curriculum vitae uitgebouwd. Meteen na haar Antwerpse opleiding kon ze aan de slag bij Yves Saint Laurent Rive Gauche Homme in Parijs, alwaar Hedi Slimane indertijd de scepter zwaaide. Het daaropvolgende jaar ontwierp ze voor het Milanese luxehuis Lham. Eind 1999 werd ze aangenomen door La Maison Margiela in Parijs, als verantwoordelijke voor de eerste lijn van het huis, een job die ze tot april 2002 uitvoerde. Haar eerste eigen collectie verkocht al meteen aan winkels in Japan, Rusland, Amerika, Frankrijk en België. Géén ex-student van de Antwerpse Academie. Meer nog, Raf Simons (°1968) heeft nooit een textielopleiding gevolgd, wel studeerde hij industriële vormgeving in Genk. Toch heeft zijn verhaal een paar Antwerpse wortels. Eenmaal begonnen als meubelontwerper, zag hij al gauw de beperkingen in van zijn vakkeuze. Mode vooral fascineerde hem (hij had al stage gelopen bij Walter Van Beirendonck), en hij contacteerde Linda Loppa, docente aan de Antwerpse Academie, om advies te vragen. Zij raadde hem aan gewoonweg met mode te beginnen, wat alras geschiedde. In 1995 begon de officiële loopbaan van de ontwerper Raf Simons en dat heeft de wereld sindsdien geweten. Als mannenmodeontwerper sloeg Simons zijn kamp op te Antwerpen en presenteerde in showrooms in Milaan en Parijs. In 1997 defileerde hij voor het eerst in Parijs. De stijl van Simons bleek een radicale vernieuwing die vooral internationaal brokken maakte : nauwe, smalle, met precisie geknipte vormen met een traditionele basis, geïnjecteerd met referenties aan allerhande jeugdculturen, van punk over mod tot goth. Als antithese op het heersend mannelijk schoonheidsideaal, presenteerde hij zijn mode op (voor de modewereld anonieme) tienerjongens die hij via castings in Antwerpen en omstreken vond. Zo bouwde hij een universum uit dat vooral een esthetiek en een gevoel uitdroeg, versterkt en geïnspireerd door muziek, film en kunst (met steeds wederkerende iconen zoals onder meer David Bowie, Kraftwerk of Vanessa Beecroft). In 1999 ontwierp hij twee seizoenen lang de mannencollecties van het Italiaanse ledermerk Ruffo Research. Ondanks het grote succes, laste Simons in 2000 een break in, als reactie tegen de snelheid van de mode-industrie. In 2001 maakte hij zijn comeback, na een herstructurering van zijn bedrijf. Behalve in mode is Simons ook actief in de kunstwereld. Hij is consultant voor een Antwerpse privé-verzamelaar en trad op als curator van een tentoonstelling in Florence ('The Fourth Sex, januari 2003, over adolescentie, samen met Francesco Bonami, voor Pitti Imagine) en in Hasselt ('Guided by Heroes', juni-november 2003, over adoratie, voor Z33). Verder is Raf Simons docent mode aan de Universiteit voor Toegepaste Kunst in Wenen. Souad Feriani studeerde af aan de Antwerpse Academie in 1994. Ze nam haar tijd om de stap naar een eigen collectie te zetten : zeven jaar werkte ze bij verschillende Belgische modemerken. In 2002 trok ze naar Parijs om er haar eerste collectie voor te stellen, via een presentatie. Haar stijl is democratisch en zonder tierlantijnen, maar wel vrouwelijk en gesofisticeerd. Stephan Schneider (°1969), geboren in Duitsland, behaalde zijn diploma als modeontwerper aan de Antwerpse modeschool in 1994. De collectie die hij toen als laatstejaars toonde, maakte een zodanige indruk dat hem een stand op de modebeurs tijdens de Parijse modeweek werd aangeboden. Daar bleken de bestellingen van overal ter wereld binnen te lopen, wat Schneider sterkte in zijn plan meteen met eigen collecties te beginnen. In 1996 opende hij een eigen shop in Antwerpen. De mode van Stephan Schneider, voor zowel mannen als vrouwen, kenmerkt zich door realiteitszin : het alledaagse leven zelf is de inspiratiebron. Zijn kleren zijn fris en down-to-earth, gespitst op functionaliteit en universaliteit. Over het algemeen gebruikt hij dezelfde stoffen en prints voor zijn mannen- en vrouwenkleren : daardoor krijgen zijn damesontwerpen een ietwat strenger en formeler uiterlijk, en zijn herendesigns een zachtere aanblik. Sinds 2000 showt Schneider zijn mannencollecties in Parijs, steeds in een onbezorgde, mensvriendelijke sfeer. Momenteel verkoopt hij wereldwijd, met een speciale vermelding voor zijn meest loyale afnemer Japan, want daar is de tweede boetiek van Stephan Schneider gevestigd. Tim Van Steenbergen (°1977) studeerde in 2000 met luide trom af aan de Antwerpse Academie, letterlijk zelfs : zijn podiumvullende eindejaarscollectie werd begeleid door een oorverdovend geluid, geproduceerd door een klein legioen drummers. Oude naai- en drapeertechnieken, gecombineerd met een voorliefde voor historiek en pure vrouwelijkheid, dat was, en is, Tim Van Steenbergen. Toen Antwerpen de schilder Van Dijck het hele jaar 1999 vierde, kreeg hij dan ook de eenmalige, naar de kunstenaar genoemde prijs, en mocht hij speciaal voor de gelegenheid een T-shirt ontwerpen, onder supervisie van Marina Yee. In 2001 stonden vier couturejurken van zijn hand centraal in de expositie 'Framed', een project in samenwerking met de Bjorn Tagemose, Kate Blacker en het Groeninge Museum in Brugge. Van Steenbergen werkte ondertussen ook als assistent bij Olivier Theyskens, en startte twee jaar geleden met het presenteren van zijn eigen vrouwencollecties in Parijs. Veronique Branquinho (°1973) behaalde haar einddiploma aan de Antwerpse Academie in 1995. Daarna ging ze aan de slag voor enkele binnenlandse merken. In 1997 tekende ze haar eerste eigen vrouwencollectie, die ze in een Parijse galerij presenteerde. Het daaropvolgende seizoen bracht ze haar eerste defilé. Diepgeworteld in het werk van Veronique Branquinho is het thema van de vrouwelijke dualiteit. Via referenties naar ambigue, mysterieuze iconen als Laura Palmer uit Twin Peaks, Carrie uit de gelijknamige film van Brian De Palma of de erotiserende meisjes uit de foto's van David Hamilton, onderzoekt Branquinho vaak de transitie van meisje naar vrouw en alle tegenstrijdige emoties die met dat proces gepaard gaan. Voor deze ontwerpster is geen enkele vrouw eenzijdig : de innerlijke complexiteit van vrouwen inspireert haar, en ook haar persoonlijke indrukken verwerkt ze in haar creaties. Lange, geplisseerde rokken, ijle, gedrapeerde tops, sluike broeken, vloeiende kaftans, maar ook ascetische jurken van tweed, nachtelijke smokings en vervaarlijke motorjasjes : als geen ander kan Branquinho de gelaagde vrouwelijke psyche in kleren omzetten. In oktober 1998 mocht ze in New York de VH1 Award voor de beste nieuwkomer in ontvangst nemen. In 1999 ontwierp ze twee seizoenen lang de vrouwencollecties voor het Italiaanse ledermerk Ruffo Research. De Moët Fashion Award werd haar in 2000 uitgereikt, in Antwerpen. Voor Documenta 11 in Kassel (2002) ontwierp ze een exclusieve regenjas, met een oplage van driehonderd stuks. In januari 2003 lanceerde ze haar mannencollectie. Midden augustus 2003 opende ze de deuren van haar eigen winkel in het centrum van Antwerpen. Langsheen Van Beirendonck (°1957) kijkt niemand, daar zorgt de man met zijn bonte ontwerpen en zijn eigen excentrieke uiterlijk wel voor. De afgelopen twintig jaar creëerde hij een geheel eigen universum dat in het begin meewarig werd bekeken (toch door de goegemeente) maar mettertijd steeds meer bewondering afdwong, én volstrekt herkenbaar bleef. Alles wat sterke visuele (en emotionele) prikkels oproept, heeft Van Beirendonck al in zijn werk gemixt : humor, seks, sprookjes, strips, natuur, sciencefiction, dieren, geweld, muziek, consumptie, politiek, culturele diversiteit en nog honderd andere zaken. Hij is ook voortdurend op zoek naar andere definities van schoonheid, functionaliteit en identiteit, deels door zijn vernieuwingszucht inzake vormen, deels door een volgehouden sloganeske communicatie. Van Beirendonck voltooide in 1980 zijn studies aan de Antwerpse Academie, nam drie keer deel aan de Gouden Spoel-wedstrijd en brak, als lid van de Antwerpse Zes, internationaal door in 1987, na zijn deelname aan de British Designer Show in Londen. Ondertussen had hij zijn eigen label gesticht ; in 1991 kwam daar nog W< bij, een goedkopere lijn, specifiek gericht op een jong publiek. W< ging in 1992 in zee met de Duitse jeansgigant Mustang - een deal die Van Beirendonck aanzienlijk meer ruimte gaf om zijn modebeeld grootser neer te zetten. Er volgden een reeks defilés in Parijs, spektakels eigenlijk, compleet met dans, speciale effecten en technologie. In 1997 ontwierp Van Beirendonck de podiumoutfits voor de Popmart-tournee van de Ierse rockgroep U2. Een jaar later opende hij een eigen winkel annex galerie in Antwerpen, met toonmeubelen ontworpen door de designer Marc Newson. In 1998 werkte hij samen met de artieste Orlan en publiceerde hij een retrospectief boek ('Mutilate'). In 1999 liet hij W< achter, stichtte het merk Aestheticterrorists, en herlanceerde zijn eigen hoofdcollectie die hij tot vandaag enkel in zijn eigen shop verkoopt. In 2001 fungeerde hij als curator van Mode 2001 : Landed-Geland. In 2003 ontwierp hij de kostuums voor de dansproductie 'Not Strictly Rubens' voor het Ballet Van Vlaanderen. Walter Van Beirendonck is sinds 1985 docent mode aan de Antwerpse modeschool. Afgestudeerd aan de Antwerpse Academie in 1988. Wim Neels (°1965) werkte daarna als freelance illustrator en als assistent van Walter Van Beirendonck. In 1991 begon hij met een eigen vrouwencollectie, later gevolgd door een mannencollectie. Neels begon bescheiden, met een beperkt aantal stuks, maar zette toch meteen zijn stijl vast : sober en universeel, zonder franje maar met diepgang qua textuur en vormstudie. Enkel essentiële stukken voor een nuttige garderobe die geen clichématig onderscheid maakt tussen vrouwen of mannen, maar gewoon inspeelt op de noden van elk geslacht. Zijn kleren verkochten steeds beter in het buitenland, wat hem ertoe noopte een licentiedeal met Italiaanse fabrikanten aan te gaan. Sinds enkele seizoenen heeft Wim Neels opnieuw Antwerpen als uitvalsbasis. In 2002 presenteerde hij een bijkomende kleermakerslijn voor mannen in Parijs. Begin 2003 opende hij een eigen winkel in het centrum van Antwerpen. Naast zijn eigen lijnen, ontwerpt Wim Neels ook de Europese kledingcollectie voor het Japanse interieurmerk Muji.