De tweede ekogolf staat voor de deur. Na het onbespoten katoen en ongeverfd kreukellinnen komt nu de "re-mode" : kleding van gerecycled textiel. Dat is goed voor het milieu : minder textiel op de afvalberg, en een besparing van grondstoffen en energie. Wordt hergebruik een nieuwe modetrend ?
...

De tweede ekogolf staat voor de deur. Na het onbespoten katoen en ongeverfd kreukellinnen komt nu de "re-mode" : kleding van gerecycled textiel. Dat is goed voor het milieu : minder textiel op de afvalberg, en een besparing van grondstoffen en energie. Wordt hergebruik een nieuwe modetrend ? DIEUWKE GRIJPMADanielle de Diesbach, direktrice van het Franse trendbureau Promostyl, voorspelde twee jaar geleden : "Het milieu wordt de belangrijkste motor voor nieuwe modetrends. " Zat de gerenommeerde trendonderzoekster ernaast ? Was de wens misschien de vader van de gedachte ? Als je in de winkels rondkijkt, krijg je wel die indruk. Want de eko-look is voorbij. Onbespoten katoen en ongeverfd kreukellinnen zijn vrijwel nergens meer te koop. Glanzende kunststoffen in felle kleuren zijn ervoor in de plaats gekomen. Hoewel het er niet naar uitziet, had De Diesbach toch gelijk. Nog nooit heeft de textielindustrie zich zo voor een beter milieu ingezet als nu. Daarbij lopen de fabrikanten van kunstvezels voorop. Zij willen niet alleen hun produkten verbeteren, maar ook hun imago. Ze moeten wel, want in de ogen van de konsument zijn natuurlijke materialen beter dan kunstvezels. De inspanningen van de chemische industrie richten zich vooral op recycling, omdat daarmee de grootste milieuwinst te behalen is. De opmerkelijkste vorm van hergebruik is kleding gemaakt uit afgedankte plastic frisdrankflessen. De soda bottle fashion is in Amerika een rage. Het idee komt van Wellman, een Amerikaanse vezelproducent. Wellman verwerkt frisdrankflessen van polyethyleenterefthalaat (PET) tot polyester vezels. De flessen worden eerst gereinigd en dan tot granulaat versneden. Dat wordt gesmolten en tot vezels geperst. De vezels worden gebruikt in de tapijtindustrie, maar ook als vulmateriaal voor slaapzakken, meubelen en ski-jacks. In 1993 slaagde Wellman erin uit het PET-recyclaat een vezel te maken die geschikt is voor kledingtextiel. Sinds die tijd is het snel gegaan. Er zijn in Amerika al meer dan 100 textiel- en kledingfabrikanten die produkten maken uit EcoSpun, zoals deze gerecyclede vezel wordt genoemd. Nu heeft ook de Europese industrie belangstelling. Verschillende sport- en vrijetijdskledingproducenten, onder andere uit Engeland, Zweden en Duitsland, maken al kleding uit EcoSpun. Zij gaan ervan uit dat mensen die aan buitensport doen en veel in de natuur zijn, zich graag milieuvriendelijk gedragen. Als deze konsumenten de keuze hebben tussen een polyester jack uit een nieuwe of een gerecyclede vezel, kiezen ze voor hergebruik, zo verwachten de producenten. Eén van Wellmans grootste klanten, de Amerikaanse textielfabrikant Malden Mills, krijgt vanuit Europa zoveel vraag naar zijn fleece-stoffen van gerecyclede polyester, dat het bedrijf besloot een vestiging in Europa te beginnen. Bij Görlitz, een stad in de voormalige DDR, wordt een nieuwe fabriek gebouwd. De produktie start in het najaar. Voorlopig moet het vezelmateriaal nog uit Amerika komen, want in Europa worden nog niet genoeg PET-flessen ingezameld en gerecycleerd om het bedrijf van een konstante vezelaanvoer te voorzien. Malden Mills heeft zich alvast aangesloten bij het Ecolog Recycling Network, opgericht door vauDe, een Duitse fabrikant van funktionele buitensportkleding. Ecolog is een netwerk van fabrikanten en winkeliers die ernaar streven zoveel mogelijk gebruikte en afgedragen polyester kleding in te zamelen en te recycleren. Behalve Malden hebben zich ook andere fabrikanten van polyester stoffen, producenten van fournituren, enkele kledingfabrikanten en 500 winkeliers uit heel Europa bij het Ecolog-projekt aangesloten. In de kleding van de fabrikanten die aan het projekt deelnemen, zit een etiket dat de kopers garandeert dat ze het kledingstuk na verloop van tijd zonder kosten kunnen inleveren bij de winkel waar het gekocht is. De kopers kunnen er zeker van zijn dat het gerecycleerd zal worden. Recent is ook in Japan een Ecolog-netwerk opgericht dat zich richt op landen in het Verre Oosten. Ecolog bestaat pas sinds 1994, en het zal dan ook nog wel een jaar of drie duren eer de eerste kleding terugkomt voor recycling. Intussen hoopt Ecolog dat zich meer producenten en detaillisten zullen aansluiten bij het netwerk, want alleen bij een massaal aanbod is recycling van de polyester grondstof ekonomisch haalbaar. Een met Ecolog vergelijkbaar recyclingnetwerk is onder de naam Balance Projekt opgericht door textielfabrikant Gore en een aantal kledingfabrikanten. Gore produceert Gore-Tex, een materiaal dat veel gebruikt wordt voor buitensport- en vrijetijdskleding. Gore-Tex bestaat uit twee komponenten : polyester en een membraan van PTFE (Teflon). De kleding wordt zo gekonstrueerd dat de komponenten na de gebruiksfaze probleemloos gescheiden en gerecycleerd kunnen worden. Ook de kunstvezelproducenten Akzo, DuPont en Hoechst Celanese Corp. startten recyclingprojekten. Hergebruik van textielvezels is eigenlijk niets nieuws. Tot het eind van vorige eeuw, toen men erin slaagde papier te maken uit de vezels van naaldhout, waren lompen de belangrijkste grondstof voor papier. De lompen werden klein gesneden en in water vermalen tot er een dikke vezelbrij ontstond. Die moest een tijdje broeien (rotten), en kwam dan in een roerbak. Bij de uiteindelijke fabrikage grepen de vezels in elkaar. Hout verdrong textiel als grondstof, maar voor de duurzaamste papiersoorten, zoals bankpapier, worden nog steeds lompen gebruikt. Papier maken uit textiel is een vorm van downcycling. Van recycling is alleen sprake als van oud weer nieuw textiel gemaakt wordt. Bij wol gebeurt dat al sinds het begin van vorige eeuw. De techniek werd ontwikkeld door de Engelsman Benjamin Law uit Batley in Yorkshire, de streek waar de wollenstoffenindustrie is gevestigd. Grondstofschaarste en hoge prijzen van nieuwe wol brachten Law ertoe een machine te ontwikkelen voor het machinaal uit elkaar rafelen van wollen stoffen. De zogeheten scheurwol werd gemengd met nieuwe wol, meestal in de verhouding 30-60. Tot in de jaren '60 was de scheurwolindustrie een belangrijke bedrijfstak in Europa. De grote centra op dit gebied waren Dewsbury in Engeland en Prato in Italië. Honderden scheurwolfabrikanten in deze steden leverden hun produkten aan wolspinnerijen in de omgeving. Daar kwam een eind aan toen in het begin van de jaren '60 de prijzen van nieuwe wol (scheerwol) daalden. Gerecycleerde wol was ekonomisch niet meer interessant. Veel scheurwolfabrikanten sloten hun bedrijven, en ook de meeste voddenboeren stopten ermee. De firma Parkinson in Dewsbury was een van de weinige bedrijven die doorgingen, maar in 1990 stond John Parkinson uiteindelijk toch voor de keuze : stoppen of failliet gaan. Zijn vrouw verhinderde dat. Ze zei : "Waarom doe je niet net als de papierindustrie die trots vertelt dat ze recycleert ? Jij denkt dat je een minderwaardig produkt maakt, maar dat is helemaal niet waar. Wat jij doet is goed voor het milieu. " Parkinson had daar nooit bij stilgestaan, maar zag wel ineens nieuwe mogelijkheden voor zijn produkt. Hij gaf zijn bedrijf een nieuwe naam (Evergreen), en liet bij een spinnerij in de buurt garens spinnen van zijn gerecycleerde vezels. Daarvan liet hij stoffen weven en kleding maken, die hij vervolgens prezenteerde op een beurs. Winkeliers bleken niet geïnteresseerd in zijn wat oubollige tweed mantelpakken. Maar milieubewuste kledingfabrikanten hadden wel belangstelling voor de gerecycleerde stoffen. Parkinson ontwikkelt sinds die tijd voortdurend nieuwe gerecycleerde garens en stoffen. Hij mengt zelf de verschillende vezelsoorten en kleuren. Soms voegt hij er ter versteviging ook wat nieuwe vezels bij, zoals hennep of biologisch geteelde katoen, of mengt hij zijn eigen gerecycleerde vezels met gerecycleerde polyester van Malden Mills. Parkinson recycleert veel wollen kleding, maar ook linnen en katoenen kleding en zelfs denim spijkerbroeken. Breigarens en stoffen uit gerecycleerd denim zijn volgens Parkinson een groot verkoopsukses. "En daar hoeven we niet eens reklame voor te maken. Levi's doet de marketing voor ons", lacht hij. Zijn klanten vindt Parkinson voornamelijk onder grote geëngageerde kledingbedrijven als Esprit en Marc O'Polo, maar hij heeft ook veel kleine klanten : jonge ontwerpers die een eigen merk begonnen zijn. Milieuorganizaties als Greenpeace behoren ook tot zijn afnemers. Zij laten van garens en stoffen van Evergreen kleding maken voor hun postordercatalogi. Van gerecycleerde jute van oude postzakken, wol en katoen maakt hij tegenwoordig ook textiel voor schoenen. Zijn grootste klant voor dat kanvasachtige produkt is de Engelse schoenfabrikant Clarks. Parkinson koopt zijn grondstoffen bij sorteerbedrijven, die hun waren weer betrekken van liefdadigheidsinstellingen. Deze organizaties zijn halverwege de jaren '60 begonnen met kledinginzamelingen. De nog draagbare kleding verkochten ze in eigen winkels of stuurden ze als noodhulp naar arme gebieden. Kleding die niet meer geschikt was voor hergebruik, ging naar de resterende scheurwolfabrieken of de poetsdoekenindustrie. Toen in de jaren '70 de welvaart toenam en mensen vaker nieuwe kleding kochten, nam het aanbod aan afgedankte kleding explosief toe. De charitatieve instellingen konden de enorme hoeveelheden niet meer verwerken, en zochten samenwerking met commerciële sorteerbedrijven. Tegenwoordig is het inzamelen van oude kleding voor de liefdadigheidsinstellingen een belangrijke bron van inkomsten. Ze betalen er hun sociale aktiviteiten van. De sorteerbedrijven exporteren de afgedankte kleding naar ontwikkelingslanden, voornamelijk in Afrika. De tweedehands kleding is in die landen goedkoper dan de lokaal gefabriceerde kleding. Door de konkurrentie van de afdankertjes uit Europa en Amerika zijn er al tienduizenden arbeidsplaatsen in de Afrikaanse textiel- en kledingindustrie verloren gegaan. De werkgelegenheid in Afrika zou erbij gebaat zijn als in Europa en Amerika de textielrecycling weer op gang zou komen, zo blijkt uit een onderzoek van vorig jaar. In Duitsland gaat dat gebeuren. De aanleiding is niet de werkgelegenheid in Afrika, maar een nieuwe wet die producenten en detaillisten verplicht produkten, die door de konsument zijn afgedankt, terug te nemen en te recyclen. Het Kreislaufwirtschaftsgesetz wordt in 1996 van kracht, maar er is een overgangsregeling van twee jaar. Het bedrijf R + T Umwelt in Leipzig, een dochteronderneming van de Rheinisch-Westfälische Elektrizitätswerke, is samen met liefdadigheidsinstellingen en kledingindustrie en -handel bezig in heel Duitsland een kledinginzamelsysteem op te zetten. Nu wordt slechts een derde van alle afgedankte kleding ingezameld, de rest komt terecht in de vuilnisbak. De bedoeling is om honderd procent in te zamelen en te recyclen. Drie textielrecyclingbedrijven in de vroegere DDR hebben zich bij R + T Umwelt aangesloten, maar er moeten er meer komen. R + T Umwelt heeft grote plannen. Met de in Duitsland opgedane ervaring wil het bedrijf over enkele jaren in heel Europa textiel inzamelen en recyclen. Als dat op een eigentijdse geïndustrializeerde manier gebeurt, is dat volgens de Duitse onderneming ekonomisch haalbaar. Als de plannen van R + T Umwelt gerealizeerd worden, zal in de toekomst een groot deel van het kledingaanbod van gerecycled materiaal gemaakt zijn. In Amerika, waar een groot aantal konsumenten zeer milieubewust is, wordt entoesiast gereageerd op kleding van afgedankte frisdrankflessen. Maar het is de vraag of ook de konsumenten in Europa bereid zijn zich kleding van gerecyclede grondstof aan te schaffen, zelfs al is er geen verschil in prijs en kwaliteit met kleding van nieuw materiaal. John Parkinson van Evergreen verwacht dat oudere konsumenten daar moeite mee zullen hebben. "Jonge moeders, kinderen en natuurliefhebbers zijn het gevoeligst voor recyclingargumenten", zegt hij. "Op die doelgroepen kan de recyclingindustrie zich het best richten. "Modeontwerpers wacht nog een moeilijke taak. Zij zullen de estetische kodes moeten ontwikkelen voor deze nieuwe, etisch verantwoorde kleding. Op een of andere wijze zullen zij zichtbaar moeten maken dat het om gerecyclede kleding gaat, want de milieubewuste konsument wil ervoor uitkomen dat hij of zij zich verantwoord gedraagt. Een etiket is de eenvoudigste manier om dat te laten zien. Maar er zullen ook nieuwe stijlkenmerken ontwikkeld moeten worden voor deze nieuwe morele mode. Als dat niet gebeurt, zal de re-mode net zo'n kort leven beschoren zijn als de eko-look. Alle onderdelen zijn van polyester en 100 % recycleerbaar.Marc O'Polo-trui in garen van gerecyclede kleren (Evergreen).Verschillende sport- en vrijetijdskledingproducenten gebruiken EcoSpun : vezels van gerecyclede plastic frisdrankflessen.