Het is een schok: voor het eerst in meer dan dertig jaar sta ik weer op Nicaraguaanse grond, om precies te zijn op de Aeropuerto Augusto Sandino, de luchthaven van hoofdstad Managua. De aankomsthal is gelardeerd met uitbundig gekleurde foto's van Nicaragua's nevelwouden, vulkanen, meren, stranden, wilde dieren en mooie meisjes. Naast die foto's staan mannen in uniform, die betaald worden om nors te kijken.
...

Het is een schok: voor het eerst in meer dan dertig jaar sta ik weer op Nicaraguaanse grond, om precies te zijn op de Aeropuerto Augusto Sandino, de luchthaven van hoofdstad Managua. De aankomsthal is gelardeerd met uitbundig gekleurde foto's van Nicaragua's nevelwouden, vulkanen, meren, stranden, wilde dieren en mooie meisjes. Naast die foto's staan mannen in uniform, die betaald worden om nors te kijken. Ik arriveerde met een vlucht uit Houston en wacht achter een rij Amerikanen in shorts op mijn beurt bij de douane. "Voor het eerst in Nicaragua?", vraagt de beambte terwijl hij mijn paspoort doorsnuffelt. "Nee," zeg ik enthousiast, "ik was hier eerder, in 1985." De douanier kijkt me cynisch aan: "Ah, je was een revolutietoerist." Ik knik bedremmeld. Bang ! Met een harde klap knalt de man een nieuw stempel in mijn reisdocument. Doorlopen maar : welkom in Nicaragua. Ik denk even aan die dag in 1985, toen ik na een lange bustocht door Honduras, voor het eerst Nicaragua binnenkwam. De grenspost was toen een kaal houten hokje, met alleen een stoel en een tafel. Op die stoel hing een jonge sandinistische soldaat. Op die tafel lag zijn kalasjnikov, de favoriet van de revolutionairen van de twintigste eeuw. "Wat kom je hier doen?", vroeg de soldaat. Ik liet hem mijn tas met camera's zien. "Fotografo", zei ik in mijn kakelverse Spaans. "Pas maar op," zei de soldaat, "het is hier oorlog." Nog diezelfde dag hoorde ik voor het eerst hoe het klinkt wanneer iemand de trekker van zo'n AK-47 overhaalt. Dat was toen. Ik weet intussen - uit de media - dat Nicaragua veranderd is. Gelukkig maar. "Zo'n dertig jaar geleden kende iedereen Nicaragua door de sandinistische revolutie en daarna door de oorlog", zegt Roberto Rappaccioli, de zeventigjarige eigenaar van de zeer relaxte ecolodge Carazo in Diriamba. "Maar sedert de grote verzoening in 1990 zijn we alleen nog in het nieuws wanneer we een aardbeving hebben of een orkaan." Ook dat verandert. Nicaragua wordt in snel tempo ontdekt door toeristen, vooral door het type reiziger dat een beetje avontuur niet schuwt. "Nicaragua", zegt Rappaccioli met gevoel voor drama, "is een ongepolijste diamant." Diriamba is tijdens het festival van San Sebastian, ieder jaar in de tweede en derde week van januari, één deinende mensenmassa. Muziek schettert door de straten en nog voor een haan 's ochtends de kans heeft om te kraaien, gaat het eerste vuurwerk de lucht al in. Op de eerste dag van het festival wordt het met pijlen doorboorde beeld van de heilige Sebastiaan uit de kerk gesjouwd en in een vijf kilometer lange processie naar de kerk van Dolores gedragen voor de jaarlijkse rendez-vous met de beelden van San Marco en Santiago. Wanneer de beelden daar op de schouders van de gespierde dragers met elkaar hebben gedanst, keren ze gezamenlijk terug naar Diriamba en barst het feest los. Het festival van San Sebastian is meer dan een katholieke traditie. In de processie die de heiligenbeelden begeleidt, lopen honderden gemaskerde figuren mee. Sommigen dansen. Sommigen zingen. Sommigen slaan op trommels. Anderen voeren schijngevechten uit of dreigen het publiek te lijf te gaan met stokken. "Het zijn allemaal figuren uit verhalen die dateren uit de precolumbiaanse of de vroege koloniale tijd", vertelt Rappaccioli. Terwijl het festival in Diriamba nog in volle gang is, zit ik al op de Che Guevarra, de enigszins bejaarde veerboot van San Jorge naar Ometepe, een eiland in het immense Meer van Nicaragua. De naam Ometepe, komt uit het Nahuatl : ome betekent twee, en tepetl berg. Vanaf de hevig zwaaiende brug van het scheepje zie ik dan ook de twee vulkanen van het eiland dichterbij komen. De 1610 m hoge Conception, met zijn perfecte kegelvorm, is een actieve vulkaan. Tijdens de recentste uitbarsting, in 2010, werd de bevolking opgeroepen om in allerijl het eiland te verlaten. Maar niets daarvan. "Alleen angsthazen gingen weg," zegt Norman, "we zijn hier niet bang voor een beetje rook en zwavel." De twintigjarige visser van Ometepe bewijst dat eilandbewoners nog koppiger zijn dan boeren. Tussen de berg en de mensen groeide er een haat-liefderelatie. Conception mag dan af en toe met dood en verderf dreigen, de vulkaan levert ook de supervruchtbare vulkanische grond, waarop de eilandbewoners al eeuwenlang maïs, bakbananen en sesamzaad verbouwen. Tegenwoordig verdienen lokale touroperators, pension-uitbaters en gidsen ook goed geld aan de toeristen die door een woud vol brulapen en orchideeën de flanken van de Conception beklimmen om daarna een paar dagen lui maar tevreden in een hangmat te slijten. Momenteel is niet el vulcan het gesprek van de dag op Ometepe, maar el canal. Sinds het Chinese bedrijf HKND van president Ortega in 2013 een concessie kreeg om, dwars door Nicaragua, een kanaal aan te leggen dat wijder, dieper en langer moet worden dan het Panamakanaal, zijn de bewoners van Ometepe zo goed als in opstand. Voor het graven van de vaargeul zal het Meer van Nicaragua over een afstand van 107 km moeten worden uitgebaggerd. "We willen dat niet," zegt Norman, "al dat gebagger zal het meer vervuilen en dan gaan alle vissen dood." De bewoners van Ometepe zijn ook bang dat het megaproject toeristen zal afschrikken. In het haventje van Moyogalpa geniet ik op het einde van de middag van een glas zeven jaar gerijpte Flor de Caña, Nicaragua's onvolprezen rum. Vanaf de betonnen steiger waar de veerboten aanleggen, plonzen jongetjes keer op keer in het water. Ze leggen 'bommetjes' zoals jongetjes in de hele wereld dat al eeuwenlang doen. Nicaragua is in dertig jaar enigszins veranderd, maar Granada, de oudste koloniale stad op het westelijk halfrond, heeft in dezelfde periode een complete metamorfose ondergaan. Ik herinner me een stad met vervallen kerken, afgebladderde verf, armoede, uitgewoonde huizen en stoffige straten die onveilig werden gemaakt door roedels uitgehongerde honden. Vrijwel alle huizen, alle winkels, alle hotels en alle kerken in het stadscentrum zijn nu gerenoveerd en opgesierd met lagen verf in de meest uitbundige kleuren. De Calle La Calzada, in mijn herinnering een tochtgat tussen het centrale plein en de oever van het Meer van Nicaragua, is nu omzoomd met espressobars, patiorestaurants, touroperators, B&B's, bars, yogastudio's en souvenirwinkels. De terrasjes zitten 's avonds vol met Duitsers, Zweden, Amerikanen, Italianen en opvallend veel Belgen en Nederlanders. De toren van de Mercedkerk biedt een prachtig uitzicht over Granada en omgeving. In zuidelijke richting zie ik de gerestaureerde kathedraal, de gele muren zinderend in de zon. Achter de kathedraal, nog verder naar het zuiden, ligt het Meer van Nicaragua. Iets meer naar het westen ontwaar ik Las Isletas, een labyrint van waterwegen rondom 365 uitbundig begroeide, vulkanische eilandjes waar je kunt kajakken, vissen, zwemmen of genieten van iguana's en orchideeën. Nog verder naar het westen : Mombacho, de vulkaan die altijd over Granada waakt en iedere avond een lange schaduw over de stad werpt. Juist hier in Granada, een stad waar alles te krijg is wat je met geld kunt kopen, bestaat een scherp contrast tussen weelde en armoede. Nicaragua is na Haïti het armste land van het westelijk halfrond : 40% van de bevolking leeft van minder dan twee dollar per dag. Wie zijn ogen daarvoor niet sluit, ziet tientallen straatkinderen die slapen, bedelen of aan een pot lijm snuiven in parkjes, op straathoeken en in portieken. In deze stad trekt een ngo zich het lot aan van die kinderen. "Kijk," zegt Maussie Kühl, "hier groeit onze beste organische koffie. Die exporteren we naar Amerika." De bejaarde, maar onvoorstelbaar energieke dame, loopt in stevig tempo tegen een dichtbegroeide helling op waar koffieplanten groeien onder een bladerdak van voornamelijk fruitbomen. "Koffie die onder een sinaasappelboom groeit, krijgt een beetje een citrussmaak", doceert ze. La Selva Negra is Spaans voor Het Zwarte Woud en Maussie behoort dan ook tot een Duitse migrantenfamilie die zich hier in de jaren dertig van de vorige eeuw vestigde. "Al onze koffie is arabica," vertelt Maussi, "en 80 % is organisch." Het is oogsttijd en tientallen plukkers - mannen, vrouwen, tieners - scharrelen met grote manden langs de struiken om de rijpe vruchten te plukken. In Selva Negra leer je alles wat je ook maar ooit zou willen weten over koffie, Nicaragua's belangrijkste exportproduct. De plantage ligt op een hoogte van zo'n 1000 m in de bergen bij de noordelijke stad Matagalpa, de stad waar het altijd lente lijkt te zijn. Het centrale punt van Selva Negra is een bergmeer met daarnaast een groot gebouw waarin een restaurant en een koffiemuseum zijn gevestigd. Rondom het meer liggen de hutten die het hotel vormen. Daal je vanaf het meer de berghelling af, dan loop je door de uitgestrekte koffieplantage en het dorp waar de arbeiders wonen. Ga je omhoog, dan kun je urenlang dwalen over een labyrint van paden dat is aangelegd in een nevelwoud en waar alleen brulapen de rust kunnen verstoren. Tekst en foto's Teake Zuidema"Dat kanaal willen we niet! Al dat gebagger zal het Meer van Nicaragua vervuilen en dan gaan alle vissen dood"