Reykjavik mag dan wel de noordelijkst gelegen hoofdstad van de wereld zijn, het is niet echt de boeiendste. Een bruisende citytrip met uren shoppingplezier of romantisch drentelen door pittoreske straatjes zul je hier zeker niet beleven. Daar is de stad met zijn 120.000 inwoners op 275 km2 gewoonweg te klein voor. Reykjavik is eigenlijk een veredeld vissersdorp dat pas in de twintigste eeuw enigszins groeide. De huizen staan nog altijd hier en daar gemorst in het landschap, de wegen zijn niet druk, parkeerplaats is er zat, zelfs pal in het stadscentrum.
...

Reykjavik mag dan wel de noordelijkst gelegen hoofdstad van de wereld zijn, het is niet echt de boeiendste. Een bruisende citytrip met uren shoppingplezier of romantisch drentelen door pittoreske straatjes zul je hier zeker niet beleven. Daar is de stad met zijn 120.000 inwoners op 275 km2 gewoonweg te klein voor. Reykjavik is eigenlijk een veredeld vissersdorp dat pas in de twintigste eeuw enigszins groeide. De huizen staan nog altijd hier en daar gemorst in het landschap, de wegen zijn niet druk, parkeerplaats is er zat, zelfs pal in het stadscentrum. Reykjavik oogt vrij jong, er zijn haast geen waardevolle antieke gebouwen te bespeuren. Het gros van de stadswoningen dateert van na de Tweede Wereldoorlog. Ze zijn opgetrokken in beton, hebben meestal geen verdiepingen (als bescherming tegen aardschokken) en hebben felle kleurtjes. "Om de IJslanders wat op te vrolijken. Het schrale weer en het dorre landschap werken hier al genoeg op het humeur", vertelt de lokale gids ons. "In de winter, wanneer het maar een paar uur zonlicht per dag is, draait de temperatuur rond het vriespunt, in de zomer wordt het hoogstens 18 graden en gaat de zon nooit echt onder." Dat is nogal nefast voor het bioritme : we waren midden juli in IJsland en deden door de middernachtzon nauwelijks een oog dicht. Bijkomende slaapverstorende factor : in ons hotel, Radisson SAS 1919, sliepen we aan de straatkant, waar lawaaierige IJslanders zich schaamteloos zat dronken en lallend de nachtrust verstoorden. Tot zover het slechte nieuws, want het viersterrenhotel was wel degelijk topklasse. Het trendy adres is nieuw (bouwjaar 2005), al verraadt het jaartal in de naam iets authentieks : het hotel is een gerenoveerd kantoorgebouw van de IJslandse stoombootmaatschappij, in 1919 neergepoot vlak bij de haven én pal in het centrum. In 2005 verbouwde Radisson het imposante scheepvaartgebouw en de aanpalende belastingdienst tot één stijlvol designhotel van 5000 m2. In de trappenhal en de plafondornamenten zien we nog sporen van de statige architectuur van Gudjon Samúelsson, de ontwerper van zowat alle belangrijke nationale gebouwen in IJsland. Ook de gevel en de patrijspoortachtige voordeur knipogen nog naar het verleden, maar voor de rest is dit hotel modern. Alle 88 kamers en suites zijn uitgerust met flatscreens en wifi. Hedendaags Scandinavisch designmeubilair vinden we terug in de koele lobby en in de sfeervolle kamers, waar een parketvloer voor gezelligheid zorgt. Mijn kamer met uitzicht op de hyperpopulaire hotdogkraam aan de voordeur van het hotel voorspelde culinair niet veel goeds. Ons vooroordeel bleek onterecht : het hotelrestaurant Salt blonk uit met een verfijnde, experimentele keuken. We aten een voortreffelijk stukje kangoeroe (!) met een Italiaanse touch van mozzarella en balsamico, en perfecte in rozemarijn geroosterde heilbot met een Chinese toets van citroengras. Ook de aanpalende Salt chill-outbar beviel ons achteraf dusdanig dat we er de cocktailkaart frequenteerden. Opvallend : in de fauteuils tegenover ons zat een jong IJslands koppel zich overduidelijk te vervelen. Ze rookten zich in volstrekte stilte te pletter en bezatten zich aan een hels tempo. "Typisch," knikt onze gids, "voor echte stadsmensen is hier niet veel te beleven." Door Thijs Demeulemeester