Tekst en foto's Katrien Vervaele
...

Tekst en foto's Katrien VervaeleIk kuier wat rond en in de hoop dat de zon doorbreekt, zet ik mijn rugzak neer aan het beeld van Notre-Dame-des-Trépassés en bid zoals de schippers: "Help me bij de Pointe du Raz, grand Dieu, want de zee is zo groot en mijn schip zo klein." Ik ga ook een kijkje nemen in het maison du site, een gebouw dat perfect in het landschap staat geïntegreerd. Samen met de obligate souvenirwinkels en de naar pannenkoeken geurende eethuisjes werd het in een kom gebouwd zodat het deze ongerepte omgeving geenszins stoort. Vanaf het uitkijkpunt aan de klippen is er van deze gebouwen zelfs geen glimp te zien. Ooit was het anders. Begin vorige eeuw werden hier hotels neergepoot. Weliswaar stonden ze garant voor een prachtig uitzicht op het eiland, maar ze waren er ook de oorzaak van dat fauna en flora van deze unieke plek haast werden vernield. In de jaren zeventig werd besloten om de hotels af te breken en wandelpaden aan te leggen. Het is pas nu, dertig jaar later, dat de plantengroei zich in zijn oorspronkelijke staat heeft hersteld. Paarse heide en gele stekelbrem voeren de hoofdtoon, maar bij aandachtig kijken zie je ook guichelheil, silene, het roze vergeet-me-nietje en zelfs een zeldzame wilde orchidee. Deze plek werd in 1989 uitgeroepen tot grand site national. Beschermd gebied dus. Nodig, hoognodig, want hier stroomt jaarlijks wel een half miljoen bezoekers toe. En dan boort zich eindelijk een sprankje zon door de wolken en laat me het eiland zien: een witte streep drijvend tussen water en lucht. Ik neem wat foto's, maar vraag me meteen af waarom, want veel zal er niet op te zien zijn. Door een sluier van mist geeft een foto alleen nog meer waas. Toch doe ik het en schiet zelfs een half rolletje vol. Bang dat het eiland in mijn herinnering vervagen zal tot een streepje nog grijzere illusie? Hoe dan ook, ik wil best geloven dat de Kelten deze plek zagen als het mythische einde van de wereld, het land van de eeuwige jeugd, het land van de appels. Maar of er op dit eiland inderdaad ook negen priesteressen woonden die de maan aanbaden en raad gaven aan voorbijvarende zeelui, zoals geschreven staat in een oude Latijnse tekst van Pomponius Mela, is een vraag die me zal blijven achtervolgen tijdens mijn hele trip op en rond het eiland, dat toentertijd Sena heette. Dan kies ik het kustpad dat me naar La baie des trépassés voert. Volgens de legende werden vanuit deze baai de doden naar het eiland der gelukzaligen gebracht. Beurtelings werd een schipper aangeduid om de dode zielen over te varen. Hij werd verwittigd door een klop op de deur, midden in de nacht, waarop hij zich naar het strand moest begeven en zijn boot in het water trekken. De doden zag hij niet, maar hij voelde wel hoe zijn boot telkens iets lager kwam te liggen wanneer er een dode instapte. Als de schipper bij het eiland aankwam, stapten de zielen uit en noemden telkens hun naam. Pas als hij alle namen had gehoord, mocht de schipper terugvaren. Maar hoe hij ooit daarheen en weer terug was geraakt, mocht hij zich achteraf niet meer herinneren. Op het grillige kustpad dat me naar de baai voert, ben ik alleen, de zon is volop beginnen schijnen, van hieruit zie ik het île, nog steeds wat wazig, maar toch al duidelijker dan daarnet. De zee onder me is wild en af en toe glipt een salamander van voor mijn voeten weg. Hier kom ik tot rust, kan ik genieten op mijn ritme, hunker ik naar het zoute water dat er puur en helder uitziet. Na een drietal kilometer stappen kom ik aan de baai, waar ik in het hotel bij het strand een kamer reserveer. Ik zet er mijn bagage af en neem meteen een duik in zee. Het water is nog erg koud en ik ben dan ook de enige zwemmer, de surfers die halsbrekende toeren uithalen op de hoge golven niet meegerekend. Ik zie hoe de zee de rotsen uitvreet en er grotten in knaagt. Naar verluidt spoelden in deze grillige inhammen wel eens lijken van verdronken zeelui aan. Wat dan weer een andere verklaring kan zijn voor de naam van deze baai. Verkwikt stap ik weer het kustpad op, maar nu in de richting van de Pointe du Van. Zonder zware rugzak en met alleen mijn fototoestel voel ik me vederlicht en geniet nog meer. Het pad is iets ruwer en loopt af en toe wel erg dicht langs de rand van de steile klif. Voorzichtig kijken over de boord is een oefening in het overwinnen van mijn hoogtevrees, een fobie waar ik wellicht nooit van af geraak. Aan het uiterste punt, op een klif, ligt de kapel van Saint-They, verweerd door de regen en de zoute wind, rondom alleen maar lucht en zee. Aan de ingang staat een sobere maar bijzondere calvarie, die dateert uit 1630. De Heilige Maagd staat heel intiem, rug aan rug, met de pelgrim Sint-Jakob van Compostela. Deze plek ademt mystiek. En ook hier wordt weer een legende verteld. Bij stormweer zou het klokje vanzelf beginnen luiden om de zeelui te waarschuwen en tot bidden aan te manen om zich te beschermen tegen schipbreuk. Iets verder werd een klein bouwwerkje opgetrokken rond de miraculeuze fontein. Het water wordt gedronken tegen reumatische aandoeningen en schijnt ook nog een gelukbrengend effect te hebben. Van reumatische aandoeningen heb ik geen last, maar dat laatste ambieer ik wel. Van het groenige, brakke water durf ik echter niet te drinken, ik gooi er dus maar een muntje in. Ik heb weer zoveel te wensen dat ik niet eens één enkele wens geformuleerd krijg. Daarom probeer ik even niet te denken, alle rationele gedachten te bannen en gewoon te gooien. Waarom ik plots ontroerd word door de doffe plons waarmee de munt in het putje verdwijnt, begrijp ik niet zo meteen. Toch misschien een zweempje heimwee naar lief en kinderen thuis?Ik kijk over de rand van de klif naar het piepkleine eilandje waar Mary-Morgane woont. Een zeemeermin wier blonde lokken je kunt zien drijven. Zegt men. Aan mij laat de zeemeermin zich niet zien. Nog een paar kilometer verder ligt de Pointe de Castelmeur, een plek waar sporen werden gevonden van een Keltische nederzetting. In het kader van mijn speurtocht naar de priesteressen was ik er graag heen gegaan, maar de avond valt en ik krijg honger, dus keer ik terug. De eetzaal van het hotel baadt in een gouden licht. Aan de tafeltjes keuvelen de hotelgasten gezellig. Twee per twee, vier per vier. Ik vraag en krijg een plaatsje aan het raam, zicht op zee, waardoor ik kan zien hoe de zon langzaam het eiland wegglinstert. Als entree kies ik voor een halve krab en ben wel een half uur zoet met het peuteren en zuigen aan de scharen. Ondertussen speur ik naar het eiland dat niet meer te zien is. Opgelost in zee en licht. Een eiland dat bestaat en niet bestaat. Een eiland op de grens tussen realiteit en fantasie." C'était bon?", vraagt het meisje dat afruimt, maar dat naar mijn mening niet zou misstaan als jonge priesteres die op het eiland danst voor de maangodin. Maar goed, ze doet waar ze voor betaald wordt en serveert me roggenvleugel in saffraansaus, een gerecht dat mij nog meer in euforische stemming brengt. Of is het de muscadet? Als dessert neem ik appeltaart, in de hoop het verdwenen eiland, het land van de appelbomen, het land van de onsterfelijken, weer te zien opdoemen. Maar voet op het eiland zetten, kan ik pas twee dagen later, na een tussenstop in Audierne. Een beetje een verloren dag, want Audierne blijkt een ietwat matte stad met een strand zonder veel charme. Er is wel een mooi zicht op de ria, een door de zee overstroomd rivierdal. Iets verderop, aan de bedding van de Goyen, blijken nog sporen te zien van een Gallo-Romeinse vesting. Laat ik me wijsmaken door een boekhandelaar bij wie ik een boekje koop met legenden uit de streek. Ter plekke, tussen het woekerende groen, vind ik echter geen steenbrok of ander spoor van een vroege nederzetting. Wel laat ik me overrompelen door deze uiterst charmante, beschutte plek die bovendien erg strategisch gelegen is, aan de rivier, op een tweetal kilometer van de zee-inham. Op terugweg stuit ik op een melancholische 'marine'. Of noem ik het beter 'stilleven' of nature morte, dit kerkhof van boten? Met hun rottende karkassen en schimmelende kielen wachten ze tot ze helemaal zijn vermolmd en vergaan. Volgens een oud bijgeloof is het verboden om een wrak aan te raken dat schipbreuk liep, want het is de zee die het schip moet meenemen naar de stad onder de golven, de plek waar de schipbreukelingen wachten op hun boten die in stukken en brokken aanspoelen. Ze verzamelen de mast, de kiel, alle planken en spijkers, in de hoop hun boot te kunnen heropbouwen en zo uit de verdoemde stad te kunnen wegvaren. Vanaf Hotel de la Plage, waar ik logeer, is het de volgende morgen maar een kwartier stappen naar de steiger van Saint-Evette, waar de boot Enez Sun van de Compagnie Maritime Penn Ar Bed ligt te wachten. Al van ver zie ik hoe de pakken en kratten worden ingeladen. Vlees, brood, groenten, drank voor het winkeltje en de twee hotels, en de spullen van de mensen die hun vakantie in hun huisje op het eiland zullen doorbrengen. Als ik de kisten wijn zie die worden ingescheept, maak ik me de bedenking dat die eilanders goed kunnen drinken. Of is de wijn bestemd voor de toeristen die deze zomer het eiland zullen bezoeken? In ieder geval ben ik blij dat ik op voorhand boekte, want de boot zit goed vol. Ook een kamer heb ik al, want het zal je maar overkomen dat je twee dagen op het eiland wilt blijven maar geen plek hebt om te overnachten. De vrouw die op het dek van de boot naast me zit, blijkt de echtgenote van de vuurtorenwachter te zijn. Ze geeft les en haar zonen zitten op school op het vasteland. Maar nu is het vakantie en vervoegt ze haar man op het eiland, in het huis bij de vuurtoren. Ze heeft lichtjes in haar ogen als ze vertelt. Vuurtorenlicht?, vraag ik me af en hoop nog meer van die verhalen te horen en iets te begrijpen van wat mensen drijft om in die gesloten gemeenschap van dat kleine eiland te wonen. Op de boot voel je spanning, verwachting, verlangen.Het is zo goed als windstil, maar op momenten is er wat deining. Hier vloeien het Kanaal en de Atlantische Oceaan in elkaar over. We volgen de kuststrook, langs de Pointe du Raz, voorbij de vuurtorens la Vieille en la Plate. We naderen het eiland. De huisjes van de quai des Paimpolais en van de quai des Français-Libres vormen een rij van aaneengesloten pasteltinten. Elk huis oogt vrolijk, uitnodigend en laat geenszins blijken hoe de golven hier bij stormweer tekeer kunnen gaan zodat ieder raam, deur en luik potdicht gaan. We varen het haventje binnen. Een heleboel mensen staat te wachten. Glimlachend. Wie zal er dit keer bij zijn? Een groepje jongelui, gebruind bovenlijf, zwaait naar twee meisjes die net klaar zijn op school. Er staan mannen te wachten, maar vooral vrouwen, onder wie een oudere vrouw in de typische zwarte klederdracht. Zwart, de kleur van de rouw, de kleur van verdriet om de mannen die omkwamen op de IJslandvaart, de kleur van de eenzaamheid en het lange, bange wachten. De meesten hebben bruine, vaak getaande gezichten. Ze kijken, ze zwaaien, ze lachen, ze groeten, ze roepen. Als de tweehonderd vijftig passagiers de kade op stappen, wordt er heel wat gekust. De gebruikelijke vier zoenen op de wang, ver van de mond. En " te voilà revenu" is een uitroep die je overal hoort. Het lijkt alsof iedereen iedereen kent. De mensen van het eiland. De mensen die hier elke zomer opnieuw hun vakantie doorbrengen en zich toch een beetje integreerden. En dan zijn er de toeristen. Zij die vanavond al naar land zullen terugkeren. En zij die een of meerdere nachtjes blijven. Ze lopen wat verloren in al die drukte. Zij horen er niet bij. En ook ik voel me even wat alleen. Maar al snel word ik overweldigd door de charme van het dorpje, de huizen op de kade, de kleurige bootjes, de zee, de rotsen en de wit-met-groene vuurtoren Men Brial, die deel uitmaakt van het dorp. En als ik zie dat het hotelletje Les trois dauphins op nog geen drie meter van het strand gelegen is, voel ik me al lang geen vreemde meer. Dit is een plek waar ik me thuis zal voelen. Al is het maar voor één nacht. Mijn kamer is geschilderd in lichtgroene tinten en afgewerkt met dennenhout. Knusser kan niet. Het venster wagenwijd open, de zee klotst op een tiental meter van mijn raam. Als het straks vloed wordt, komt ze nog veel dichter. Maar snel wil ik naar buiten. Het eiland ontdekken. Proberen te weten te komen of hier inderdaad Keltische priesteressen hebben gewoond en zo ja, waar ze precies woonden, vanaf welke rotsen ze de winden en het weer bestudeerden, op welke plaatsen ze hun rituelen uitvoerden. Want ik blijf met mijn vragen zitten. Een eiland zo vlak en onbeschut, dor en kaal, zo laag, als lijkt het te drijven op de zeespiegel. Een eiland als een krabbenpoot, anderhalve kilometer lang en zo'n achthonderd meter breed. Waarom kwamen zich hier negen vrouwen vestigen? Waarom kozen ze dit oord als cultusplek? Vandaag schijnt de zon volop, er waait een zacht briesje, het is aangenaam vertoeven. Maar 's winters is het op dit onbeschutte eiland bar koud en winderig. Bij elke hevige storm dreigt een overstroming. Vandaar dat er dijken werden aangelegd. Om de golven te temmen. Maar dat gebeurde pas na de ramp van 1756, toen een storm het eiland bijna in tweeën scheurde.Ik stap door de nauwe steegjes van nog geen twee meter breed. Het is er duister en koel, de middagzon warmt enkel de daken. De huizen zijn klein, stevig gebouwd en gedrongen. Ze staan op elkaar gepropt, als wilden ze elkaar beschermen en beschutten. De ramen en deuren zijn op kabouterformaat. Net buiten het dorp ligt de kerk genoemd naar Saint-Guénol, de missionaris die in de vijfde eeuw na Christus Bretagne bekeerde. De mensen van het eiland hielden er echter nog eeuwenlang heidense gebruiken op na en waren er helemaal niet mee opgezet dat priesters op het eiland kwamen. Zelfs in 1613 nog werd een priester, le père Nobletz, die op het eiland wilde komen wonen, met messen bedreigd. Op een bepaald ogenblik keerde die tegenstand en werden de bewoners zelfs zo fanatiek dat ze hun kerk met eigen handen bouwden. Maar de plek die ze hiervoor kozen, getuigt nog van groot respect voor hun heidens verleden: ze bouwden haar vlak bij de twee menhirs Ar Bregourien. Die naam betekent les causeurs (de babbelaars): elk van de twee afgeplatte stenen vertoont een menselijk profiel, zodat het lijkt alsof ze met elkaar staan te praten. Hun schaduwen liggen naast elkaar, een dunne streep licht ertussen. Ik blijf wat rondhangen en probeer te begrijpen welke functie deze stenen ooit hadden. Ik kom er echter pas achter nadat ik er wat later weer naartoe ga en zie hoe de schaduwen steeds kleiner worden naarmate de zon hoger klimt en dat om twee uur de schaduw van de ene menhir pal, maar dan ook pal op de andere komt te liggen. Twee uur. De zon staat in het zenit, op haar hoogste punt. Zo zullen de schaduwen 's morgens parallel liggen en het oosten aanduiden, 's avonds het westen. En als ik verder redeneer, komt de zon met de dag- en nachtevening net tussen deze stenen op. Een paar minuten later kruipen de schaduwen weer naar de grond toe. Deze menhirs waren dus niet alleen een klok, maar toonden perfect de vier windstreken aan.Met een tevreden, wat mystiek gevoel ga ik verder het eiland verkennen. Het is niet groot maar heel gevarieerd. Zandstrandjes wisselen af met keienstranden, overal liggen vreemd gevormde rotsen en op enkele plekken zachte gesteenten die worden weggevreten door de zee. Mooi om zien hoe het eiland kleiner en smaller wordt bij vloed en uitdijt bij eb, wanneer de zee weer stranden, rotsen en keien prijsgeeft. Het eiland mag dan wel vlak en kaal zijn, onbeschut en smal, magische plekken zijn er genoeg. Er zijn plaatsen waar immense rotsblokken balanceren tussen zee en land, er is een prachtige rotsformatie met een inham waar ik mij moeiteloos een tempelfunctie bij kan voorstellen. Met een beetje verbeelding zie ik een priesteres op zo'n rots in zee, ze kijkt naar de wolken, ze voelt de wind en weet hoe die zal draaien en of het gunstig is om een bootreis naar het noordelijke groene eiland te ondernemen.Aan de uiterste punt van het eiland, waar de grote slanke witte vuurtoren staat, bloeien toefjes gele papavers. Spatten geel tussen de lichtgrijze keien. De bloemen die ik op het eerste gezicht zeer zeldzaam waan, blijken schijnpapavers te zijn, bloemen die hier weliswaar niet in elke voortuin bloeien, maar toch geregeld voorkomen aan de kusten van Engeland en West-Frankrijk. Wanneer ik verder langs de vuurtoren loop, kom ik op onbegaanbaar terrein. Alle ooit bestaande paadjes zijn overwoekerd. Ik baan me toch verder een weg tussen brandnetels en doornen want de stenen muurtjes van veldsteen intrigeren me. Ze zijn laag en verdelen dit stuk van het eiland in kleine percelen. Desolaatheid troef. Pas later verneem ik dat de bewoners hier wat aardappels probeerden te telen. De muurtjes dienden als bescherming tegen de zeewind. Nog wat verder kom ik aan een strand van lichtgele steen. De bedding werd door rolkeien uitgeslepen in bekkens met zachte, gepolijste randen. Net baden op mensenmaat. Telkens opnieuw vullen de bekkens zich met kristalhelder zeewater dat weer wegstroomt tot de volgende golf eraan komt. In de kommen rollen de keien mee. Misschien was dit een plek waar de priesteressen zich ritueel zuiverden? Ik ben alleen, dus lijkt het moment mij geschikt om dit even uit te proberen. Ik kleed me uit, ga in zo'n kom liggen en laat me door de zee overspoelen. Het wilde, ijskoude water schuimt over me heen. Het voelt heerlijk aan. Maar het water is te koud om lang te genieten. Als herboren droog ik me af, ga liggen warmen op een reusachtige kei en voel me - toch een beetje - priesteres.Maar het is pas bij de stompe witte toren Ar Guéveur dat ik helemaal overtuigd geraak van het verhaal van Pomponius Mela. De vuurtoren werd gebouwd op een reusachtig altaar van rotsen. Er loopt een stenen pad naartoe. Het is vloed, en de golven komen van links en rechts en proberen samen te vloeien om de toren in te sluiten, wat echter door de brug in steen onmogelijk wordt gemaakt. Ik denk de toren en de brug weg en verbeeld mij zonder moeite hoe de hogepriesteres met uitgestrekte armen naar de wind luistert en voorbijvarende zeelui toeroept welke koers ze wel en niet mogen varen. Het is vloed, de golven sluiten de rotspunt af van het eiland. Pas als de zee wegebt, zal de priesteres van het altaar kunnen komen, terug naar het eiland. Maar nu is nu, en de toren is er terug. Ik stap over de stenen brug en beklim de trappen. Het uitzicht overdondert me. Onder mij schuimt de zee. En dan loeit de toren. Van de schrik donder ik bijna van mijn altaar af. Een tweede en een derde keer brult hij. De vloed is op zijn hoogst. Als ik tegen de avond langs de quai des Français-Libres naar het hotelletje stap, passeer ik langs een huis dat gastenkamers aanbiedt. Aan de gevel hangt een koperen plaat met als opschrift: " Dans cette maison fut entendu par la population rassemblée l'appèl du 18 juin 40 lancé de Londres par le général de Gaulle. 141 rejoignissent le général. 32 d'entre eux ne revenèrent pas." Alle weerbare mannen van het eiland waren dus vertrokken. Vrouwen, kinderen en bejaarden bleven achter. Het grijpt me naar de keel. Maar leuk is deze anekdote wel: De Gaulle, die voor het eerst zijn 600 man sterke troepenmacht schouwde, hoorde niet minder dan 141 keer "Ile de Sein", waarop hij riep: " Sein, est-il donc le quart de la France?" 's Avonds, Chez Brigitte, proef ik een araignée. Deze morgen gevist en gekookt. Het is monnikenwerk om die dunne rode poten open te krijgen, maar 't is om vingers en duimen bij af te likken. Met al mijn smaakpapillen vang ik de oceaan. Zelfs in de boter die ik op het stokbrood smeer, proef ik het zout van de zee. Ook de Colin à la sauce aux herbes is een délice. Naast mij, aan dezelfde tafel, zit een aantal mannen en vrouwen dat met een zeilboot naar het eiland kwam varen. Een van de vrouwen, voor wie het de maidentrip was, is zeeziek en laat de heerlijke verse vis aan zich voorbijgaan. Zonde want voor heel weinig geld krijg je een koningsmaal voorgeschoteld. Aan de toog babbel ik nog wat met een visser die mij duidelijk probeert te maken waarom het op het eiland zoveel beter is dan op het vasteland. " Qu'avez-vous besoin de vos voitures et de vos supermarchés?" vraagt hij me. Hij lijkt erg zeker van zijn stuk en probeert vooral zichzelf wijs te maken dat hij eigenlijk zeer weinig nodig heeft. Met veel gebaren legt hij me uit waarom hij lak heeft aan steden met hun cinema's en winkelstraten, maar achter zijn woorden hoor ik een zekere angst voor de 'grote wereld'. Toch wordt het me duidelijk dat hij perfect gelukkig is op dit kleine eiland, waar de zee telkens opnieuw haar grenzen geeft en neemt. Als ik ga slapen is de zee zwart, met witte schuimkopjes. De vuurtorens knipperen me in slaap. Ik droom veel maar kan er me de volgende morgen niets meer van herinneren. Misschien waren het wel de priesteressen die mijn dromen wegwisten.PraktischReisVan de Bretonse kust naar Ile de Sein- met de Compagnie Maritime Penn Ar Bed: vertrek (rond 10 u.) aan de steiger Saint-Evette in Audierne. Reserveren is nodig! tel. +33-2-98 70 02 37 of +33-2-98 70 02 38.- met de plezierboot Biniou-II: vertrek aan de steiger Saint-Evette in Audierne (rond 10 u). Reserveren: tel. +33-2-98 70 21 15 of +32-2-98 70 13 78.VerblijfEten: er zijn enkele eetgelegenheden, een aanrader is het restaurantje Chez Brigitte op de quai des Paimpolais.Overnachten: reserveer vooraf, want veel slaapgelegenheid is er niet. Een klein, proper, gezellig hotelletje is Les trois dauphins, quai des Paimpolais (tel. +33-2-98 70 92 09). InfoMaison de la France, Guldenvlieslaan 21, 1050 Brussel, tel. 02-505 38 10, fax 02-514 33 75. E-mail: info@france-tourisme.be. Website: www.france-tourisme.beOp de dienst voor toerisme in Quimper word je erg hoffelijk onthaald. Ook telefonisch word je zo goed mogelijk geholpen. Informatie op maat, niet alleen over slaap- en eetgelegenheden, maar ook over cultuur en evenementen, natuur en sportieve activiteiten. Comité Départemental du Tourisme du Finistère, place de la résistance BP 1419, 29104 Quimper, tel. +33-2-98 76 20 70, e-mail finistère.tourisme@wanadoo.fr