Een lachend blond hoofd duikt op tussen de massa Hondurezen die zich staan te verdringen in de luchthaven van San Pedro Sula. Dirk woont al vier jaar in Copán, waar hij samen met drie landgenoten het ViaVia Café openhoudt, een stukje België in Honduras. Een betere gids kan ik niet vinden, want ook de ViaVia in León kent hij als geen ander.
...

Een lachend blond hoofd duikt op tussen de massa Hondurezen die zich staan te verdringen in de luchthaven van San Pedro Sula. Dirk woont al vier jaar in Copán, waar hij samen met drie landgenoten het ViaVia Café openhoudt, een stukje België in Honduras. Een betere gids kan ik niet vinden, want ook de ViaVia in León kent hij als geen ander. De eerste avond wordt meteen de toon gezet. Geen bezoek aan Latijns-Amerika zonder muziek, drank en veel ambiance. In de enige bruine kroeg van San Pedro Sula treedt Guillermo Anderson op, een van de bekendste zangers van Honduras, een latinversie van Raymond Van het Groenewoud. Het publiek gaat uit de bol, er wordt gedanst, het is erg heet. San Pedro Sula wordt niet voor niets de oven van Honduras genoemd. De bus naar Copán is comfortabel, alleen schuwen de Hondurezen het licht. Ik word dan ook verbaasd aangekeken als ik mijn gordijntje opentrek om van de omgeving te genieten. We passeren relatief weinig wagens. Paardrijden, fietsen en liften zijn erg populair, alleen de rijken kunnen zich een pick-up of jeep permitteren. De benzineprijzen zijn bijna even hoog als in België, terwijl Honduras na Nicaragua het armste land van Midden-Amerika is. In Copán is daar weinig van te merken. Het toerisme brengt er voldoende geld in het laatje. De straten zijn geplaveid met kasseien, de adobe huisjes, in uitbundige kleuren, lijken elkaar hier en daar te verdringen. De geur van houtvuren en gegrilde satés doordringen de toch al geparfumeerde, vochtige lucht. Het heeft iets van de Far West. Mannen parkeren hun paarden voor de bars en hebben bijna allemaal een revolver op zak. Ik merk meteen een bord op in de ViaVia, dat als café ook bij de lokale bevolking populair is : "Gelieve uw wapens af te geven", wat gehoorzaam wordt opgevolgd volgens Dirk. Ik word welkom geheten door de rest van de ploeg. Zoals overal in de wereld is dit een ideale hang-out voor avontuurlijke reizigers. Ik maak er kennis met de mensen van Arte y Accion die zich bezighouden met straatkinderen. Ze leren ze lezen, geven hen tekenles, laten hen zelf animatiefilms maken over normen en waarden en maken hen bewust van de natuur. Ik drink iets op het terras, bespreek een kamer voor de volgende nacht en word opgehaald door Carlos Castejón voor een dagje agrotoerisme op zijn finca El Cisne. Hij wil me het Hondurese boerenleven aan den lijve laten ondervinden. In 1927 begon zijn grootvader hier een koffieplantage. De oogst is net begonnen, dus ik krijg het hele verwerkingsproces te zien. Omdat de koffieprijzen lager zijn dan ooit, worden de bonen slechts half bewerkt verkocht. Ze branden nog maar drie procent van de hele oogst, veelal voor eigen gebruik. Met Raito, een van de zeventig paarden, verken ik de ettelijke hectaren land. We galopperen door weiden en boomgaarden, kijken naar het koffieplukken, volgen de cowboys die het vee bijeendrijven en nemen 's avonds een duik in de warmwaterbronnen, een idyllische plek in het tropische woud. Het is een leuke manier om met het dagelijkse leven van de Hondurezen in contact te komen. In het huis van zijn ouders krijgen we een typische Hondurese maaltijd opgediend. Slapen doe ik in het guesthouse, waar Carlos vijf gastenkamers heeft. Niet lang, want om drie uur begint een haan te kraaien, een uitslovertje. Copán is in de eerste plaats bekend voor zijn ruïnes. Vanwege de vele hiërogliefen wordt de vallei der koningen een van de interessantste Mayasites genoemd. Geleerden proberen het Mayageschrift steeds verder te ontcijferen en Copán Ruinas speelt daarin een cruciale rol. De hiërogliefentrap (25 meter en 64 treden hoog), die de geschiedenis van de 2000 jaar oude dynastie vertelt, is de belangrijkste sleutel. De meest besproken van de zeventien koningen was de dertiende : 18 rabbits (695-738). Zijn ietwat vreemde bijnaam had te maken met de belangrijke rol die konijnen speelden in de Mayalegenden over de overwinning op de god van de onderwereld. De meeste monolieten op de site beelden deze kunstzinnige koning af, hij werd als godheid vereerd. Op de achterkant van de beelden vertellen hiërogliefen details over zijn leven. Copán verdween plots van de kaart (rond 830). Er was een koude oorlog ontstaan met sites in Guatemala en Mexico. Maar de massale leegloop kwam er voornamelijk door overbevolking, een uitzonderlijke droogteperiode en ziekten. De mensen vluchtten de bergen van Guatemala in, waar nu nog steeds de grootste Mayagemeenschap leeft. De Lenca Trail gaat recht door de bergen, we beslissen een pick-up te huren. In de oude indianendorpen lijkt het alsof je teruggaat in de tijd. Kleien huizen van een paar eeuwen oud, koloniale kerkjes, paarden en koeien in de straten, zelfs de ossenwagen is er nog populair. Het is een heel authentieke wereld met voorouderlijke tradities, wij staan er met open mond naar te kijken, maar voor de plaatselijk jongeren valt er weinig te beleven. Die ontbreken dan ook compleet in het straatbeeld. We nemen af en toe lifters mee, een ervan slaapt in de laadbak zijn roes uit. De politie van La Esperanza helpt hem eruit. Wanneer we de agent vertellen dat we geen idee hebben waar zijn huis zich bevindt, antwoordt die man lachend : "Hij is net thuisgekomen." Wij slapen die nacht iets luxueuzer, in Los Pinos, een hotel van een excentrieke kerel die zijn fantasiewereld tot realiteit heeft verheven, een soort sprookje voor volwassenen. 's Avonds biedt La Esperanza, met zijn gehavende zandwegen, een desolate indruk. Maar de felle kleuren van de huizen zorgen ervoor dat het niets onheilspellends krijgt. Om zes uur 's ochtends komt de stad tot leven wanneer vrachtwagens binnenrijden, volgeladen met mensen uit de bergen die hun waar uitstallen in de straten. De indiaanse vrouwen dragen de traditionele, wijde rokken en kleurrijke, geweven sjaals Hun ontbijt bestaat uit atol chuco, een maïspap met kaneel die uit een kalebas wordt gelepeld. Elk dorp in de bergen heeft zijn eigen specialiteit. In Cofradia is er een pottenbakkerssociëteit. Chiligatoro is bekend om de weefgetouwen. In Yamaran-guila hebben ze nog het enige overgebleven altaar van de tradi-tionele Lencagodsdienst : arca de dios (de regenboog van God). Don Gavino vertelt dat de godsdienst al zevenhonderd jaar bestaat, een vermenging van katholicisme met een aantal traditionele gebruiken. Tweemaal per jaar worden er nog oogstdansen uitgevoerd, die worden begeleid op fluit, trom en de caramba, een eensnarig instrument. Arca de dios mag dan roomse wortels hebben, een kerstmaal met kalkoen op tafel is er niet bij, die vogel is hier net zo heilig als een koe in India. Honduras heeft vele gezichten. Het gebergte is van een onmeetbare schoonheid, je hebt eeuwenoude koloniale stadjes, er zijn de ruïnes en de Mayacultuur, soms zie je kilometerslang niets anders dan dennenbomen, er zijn prachtige meren, er is de Stille Oceaan en de Caribische Zee met de Mosquito Coast, het laatste stuk echte jungle in Midden-Amerika. Op weg naar Ceiba krijg ik weer een ander Honduras te zien, de adobe en koloniale huizen hebben plaatsgemaakt voor houten woningen. Hoe dichter we bij de kust komen hoe tropischer de omgeving wordt : immense ananasvelden, grote palmplantages die scherp afsteken tegen het in nevel gehulde gebergte, bananenplanten, felgroene vlakten en jungle. Een Duits echtpaar, Udo en Sylvia, openden in 1992, vlak bij het kuststadje Ceiba aan de rivier Cangrejal de allereerste junglelodge. Intussen hebben velen hun voorbeeld gevolgd, ecotoerisme is een begrip geworden. De Omega Tours Lodge kijkt uit op de Pico Bonito, de op één na hoogste berg van Honduras (2400 m). Het is een trefplaats voor rafters, maar je kunt er ook paardrijden of kajakken in de lagoon. De Cangrejal is een droom voor rafters, omdat ze er elke moeilijkheidsniveau vinden. Er wordt ook aan wildwatersurfen en rodeoraften gedaan, volkomen veilig volgens de instructeurs, maar ik houd het op paardrijden. Als volleerde cowboys galopperen we op het strand, de teugels losjes in één hand. We eten in een plaatselijke kroeg waar de rancheromuziek door het hele dorp galmt. De volgende dag gaan we met kajaks de Cacao Lagoon op. Cacao was vroeger erg in trek, het werd zelfs een tijd als betaalmiddel gebruikt. De lagune loopt uit in zee. Een valk vliegt in duikvlucht over, ijsvogels zitten vanaf de oever toe te kijken. Arenden laten zich dragen op de warme lucht. Het is bloedheet. In een smal zijkanaal moeten we manoeuvreren tussen mangroven, omgewaaide bomen en afgebroken takken. We vorderen moeizaam, maar krijgen als opsteker een familie brulapen te zien. De Cayos Cochinos dagen op in de nevel, een archipel van dertien eilandjes voor de kust van Honduras. Eind negentiende eeuw werden ze vol varkens gezet, zodat de scheepsbemanningen, wanneer ze na een lange tocht voorbijkwamen, te eten hadden. Vandaar hun naam : cochinos betekent varkentjes. We gaan aan land in Chachaguate, een Garifunadorp, waar amper tachtig man woont. Op de dertien varkentjes leven er in totaal amper 250 mensen. Traditie speelt een grote rol in hun leven, ze zijn animistisch en wonen in primitieve hutten zonder elektriciteit, omringd door enkele palmbomen en het grote niets. We drinken een Bahiabiertje in de plaatselijke bar. Een paar pelikanen vliegt rakelings over. Her en der smeulen er vuurtjes waarop kokosbrood wordt gebakken en verse vis gegrild. Garifunas zijn zwarte slaven die uit de Cariben naar hier zijn gevlucht, ze leven uitsluitend van de visvangst. Van op de eilandjes zien we Ceiba liggen, het vasteland van Honduras. Ook daar heb je Garifunadorpen : Miami is er zo een, geperst op een smalle strook strand tussen een schitterende lagune en de Caribische Zee. Voorbij Miami, in het noorden van Honduras, op het uiterste puntje van natuurreservaat Jeannette Kawas, ligt Punta Sal. De enige manier om er te raken is met een boot. Op één middag zie je zand- en rotsstranden, moeras, rivieren, regenwoud, lagunen, koraalriffen en indrukwekkende kliffen. Na een tocht door de jungle, waar we proberen een conversatie aan te gaan met de brulapen, snorkelen we in Port Caribe. Onze lunch wordt op het paradijselijke Coalitostrand geserveerd. Pas laat in de middag komen we aan in Tela, een typisch kuststadje waar we op het terras van het Maya Vista Hotel de hele baai overzien. Het doel van mijn reis komt naderbij : de twee ViaVia's over land verbinden. We nemen een bus van San Pedro naar Managua (hoofdstad van Nicaragua) : een rit die twaalf uur duurt. De weg is slecht, maar dat zijn we intussen gewoon. De grensovergang verloopt relatief makkelijk. Managua heet de gevaarlijkste stad van Midden-Amerika te zijn. We rijden dus meteen door naar Granada aan het immense Nicaraguameer (8624 km2). Het is een indrukwekkende koloniale stad : kleurrijk en authentiek. De kerken en traditionele gebouwen zijn impressionant, de restaurants en cafés gezellig, de straten lijken weggelopen uit een prentenboek. Normaal zou je hier een toeristenstroom verwachten, maar Granada is zowat het best bewaarde geheim van Centraal-Amerika gebleven. 's Ochtends word ik wakker van muziek. Het is feest. Jongeren blazen de longen uit hun lijf in de plaatselijke fanfare. Majorettes poseren gewillig met hun rijglaarzen. 's Avonds zetten livegroepen de menigte in vuur en vlam in Café Nuit. De volgende ochtend waag ik me aan een typisch Nicaraguaans ontbijt op de markt : chicharon (knapperend gebakken varkensvet), geserveerd in een bananenblad met pikante koolsla, chili en yuca. Het is best lekker. De Santiagokrater van de Masaya, een vulkaan op een half uur van Granada, is gehuld in mysterieuze dampen. Het is een van de vijf actieve kraters van een keten van dertig vulkanen. Groene papegaaien hebben er hun habitat van gemaakt en overleven vreemd genoeg in de toxische dampen. In de gifnevel weten ze zich beschermd tegen hun natuurlijke vijanden. De krater was bij de franciscanen bekend als de mond van de hel en volgens indiaanse legenden leefde er een godheid op de bodem waaraan ze kinderen en maagden offerden om hem gunstig te stemmen. Het koloniale León was tot in 1851 de hoofdstad van Nicaragua. Het is altijd een politiek actieve stad geweest. De sandinisten richtten er hun voorlopige regering op in 1979 en bleven er tot 1996. Getuige daarvan zijn muurschilderingen waarop de CIA als een slang wordt afgebeeld die in de hand van het volk bijt, de hand waarmee het volk stemt. In de tekening wordt ook allusie gemaakt op het feit dat de sandinisten hun volk tenminste wilden leren lezen en schrijven, 62 procent is nu nog altijd analfabeet. De stad werd gebombardeerd en is nooit gerestaureerd zoals Granada, toch bleef heel veel van de koloniale stijl bewaard. De enorme kathedraal uit 1747 deed tijdens een burgeroorlog in 1824 dienst als fort. Politiek lijkt Nicaragua nu stabiel. Het doel van mijn reis is ook hier een stukje België ontdekken in een ViaVia Café, zoals Joker er overal ter wereld heeft opgericht. Het is een mooi huis met een enorme binnentuin waar de slaapzaal en twee privékamers op uitkomen. "Er komen nog kamers bij", belooft Kurt, een jongen uit Dendermonde die de eigenlijke bazen Virginie en Bart vervangt. Het café is een grote, gezellige ruimte met een biljart. Je kunt er ook lekker eten. Net zoals in de andere ViaVia worden er uitstappen georganiseerd. Kurt gaat het liefst naar de hanengevechten in de arme wijken buiten de stad. Op de terugweg van de kust, waar we een heerlijke vissoep en grote conchas hebben gegeten op het bijna verlaten strand van Poneloya, treffen we zo'n gevecht. De tribune zit vol, de hanen gaan elkaar te lijf met messen aan de poten. Op de echt belangrijke wedstrijden, waar ze vanuit Miami en Mexico aan meedoen, wordt er voor duizenden dollars gewed. Het gevecht kan na enkele seconden over zijn en de dure haan dood. Toch vinden latino's dit een leuke sport. Ik eet die dag uit solidariteit geen kip. Kurt stelt carne à la Kurt voor (Vlaamse stoofkarbonaden), maar ook dat stukje exotisch België laat ik aan de locals over. De reis Deze avontuurlijke reis van Honduras naar Nicaragua die de twee ViaVia Joker reiscafés verbindt, duurt 23 dagen. Vertrek : 2 juni en 30 september 2006 en 2 februari 2007. De prijs : 1337 euro. Zelf breng je een budget mee van 900 euro (voor logies, plaatselijk transport, maaltijden en drank) Een groep bestaat uit maximaal 12 personen, en wordt begeleid door Dirk of Geert van de ViaVia in Copán. Praktische informatie vind je op www.joker.be/nian Er zijn nog andere reizen naar Honduras of Nicaragua met uiteraard andere vertrekdata, die je kunt terugvinden in de Jokerbrochures of op www.joker.be Reserveren kan via de site of in een van de 10 Jokerkantoren. Info : o.a. 015 21 87 77. FormaliteitenHet reispas moet nog zes maanden geldig zijn na terugkeer. Geld In Honduras betaal je met de lempira (1 euro is 23,27 lempira), in Nicaragua met de cordoba (1 euro is 20 cordoba). In Honduras kun je in weinig banken met reischeques terecht. Soms is het bedrag beperkt en betaal je een flinke commissie, bovendien staan er lange wachtrijen. Thomas Cook is makkelijker dan American Express. Alleen in de steden zijn er apparaten waar je met een Visakaart geld kunt afhalen. Neem dollars mee. In Nicaragua lukt het beter met reischeques, zonder limieten. InentingenGeen speciale vereisten, wel een paar aanraders. Malariapreventie is raadzaam. Het dure Lariam of Malarone is niet nodig, nivaquine volstaat. Voor de juiste dosis en andere inlichtingen : het Instituut voor Tropische Geneeskunde, 0900/10110 (betaallijn), www.itg.be KlimaatTropisch, de temperatuur schommelt nauwelijks. Het regenseizoen loopt van mei-juni tot eind oktober. Aan de Caribische kust en aan de Stille Oceaan is het bijna altijd vochtig en heet (tot 35°), in de bergen is het iets koeler (25 tot 30°). In de bergen (Nicaragua) kan het kwik wel onder de 20° dalen. Myriam Thys