Wij zijn niet gemaakt om oud te worden. Of toch niet om zo oud te worden als de meesten van ons blijkbaar willen. Er wordt aangenomen dat een mens tijdens het grootste deel van de prehistorie zelden ouder werd dan veertig. Dan was de tijd van de voortplanting voor de vrouw voorbij. Voor de man kon het nog wel, maar oudere mensen waren extra kwetsbaar voor de belagers waar wij toen vaak mee te maken kregen. Een beetje minder alertheid en snelheid konden al fataal zijn voor wie per ongeluk het pad van een sabeltandtijger kruiste. Ouderlingen waren waarschijnlijk ook een rem op de mobiliteit van de zwervende groepjes die onze voorouders vormden. Die moesten nieuwe oorden opzoeken als de bessen en wortels op een bepaalde plek verorberd waren en het wild gewend was geraakt aan de aanwezigheid van jagers.
...

Wij zijn niet gemaakt om oud te worden. Of toch niet om zo oud te worden als de meesten van ons blijkbaar willen. Er wordt aangenomen dat een mens tijdens het grootste deel van de prehistorie zelden ouder werd dan veertig. Dan was de tijd van de voortplanting voor de vrouw voorbij. Voor de man kon het nog wel, maar oudere mensen waren extra kwetsbaar voor de belagers waar wij toen vaak mee te maken kregen. Een beetje minder alertheid en snelheid konden al fataal zijn voor wie per ongeluk het pad van een sabeltandtijger kruiste. Ouderlingen waren waarschijnlijk ook een rem op de mobiliteit van de zwervende groepjes die onze voorouders vormden. Die moesten nieuwe oorden opzoeken als de bessen en wortels op een bepaalde plek verorberd waren en het wild gewend was geraakt aan de aanwezigheid van jagers. De gemiddelde leeftijd, een hoge kindersterfte inbegrepen, zou destijds op 25 jaar gelegen hebben. Volgens wetenschappers volstond dat om voldoende nageslacht te produceren om een complexe soort als de onze een goede kans op overleving en uitbreiding te bieden. Toch zijn er sterke aanwijzingen dat de natuur de mensheid op een gegeven ogenblik een duwtje heeft gegeven om ouder te worden, en wel via het passieve proces van darwiniaanse evolutie van een nieuw kenmerk door natuurlijke selectie. Er kwamen oma's in beeld, oudere vrouwen in de menopauze die zich niet meer konden voortplanten, maar die zich toch nuttig maakten door mee te zorgen voor de kleinkinderen. Daardoor verhoogden ze de overlevingskansen van die kinderen, en dus ook de verspreiding van de genen die een hogere leeftijd mogelijk maakten. Volgens de meeste schattingen zou dat zo'n dertigduizend jaar geleden gebeurd zijn, toen onze soort in volle ontwikkeling was naar een complex sociaal leven. De logica achter de oma-hypothese is dat je als oudere vrouw weliswaar niet meer genoeg energie hebt om de last van een kind te dragen - zwangerschap, bevalling en borstvoeding vragen veel van een lichaam - maar omdat kleinkinderen een substantieel deel van je genen dragen, kon de succesvolle zorg voor hen zich vertalen in een evolutionair voordeel, waardoor de natuurlijke rem op ouder worden gelost werd. Oudere mensen waren niet langer ballast voor de groep, maar nuttig, ook door hun kennis en levenswijsheid. (Over opa's wordt in de oma-hypothese niet gesproken, maar ook jongens profiteerden mee van de ouderdomsverlenging.) Wetenschappers zijn naarstig op zoek naar andere voorbeelden van menopauze in de natuur, maar de gegevens zijn schaars. Menopauze moet echt zeldzaam zijn. Van de griend, een grote dolfijnachtige, is bekend dat oudere vrouwen op de kleinkinderen passen, net als bij ons tot voor kort de regel was. Biologen hebben recentelijk aanwijzingen gevonden dat bij orka's de menopauze bestaat. Meer zelfs, ze zou er, net als bij ons, een nuttige functie hebben. De orkagemeenschap wordt geleid door dominante vrouwen, en het orkaleven zou zo ingewikkeld zijn dat deze vrouwen wel oud moeten worden om al hun kennis door te kunnen geven aan de volgende generatie. Net als bij onze soort stopt de voortplantingsperiode van een orkavrouw zodra ze de veertig voorbij is, toch kan ze gemakkelijk negentig worden. Een decennium van intensieve waarnemingen van orkagroepen voor de westkust van de Verenigde Staten wees uit dat vooral in periodes van voedselschaarste de oudste vrouwen de groep leiden naar plekken waar nog wat te vangen valt. Ze zijn dus een bron van ervaring en van ecologische kennis die nuttig is voor deze intelligente en sociaal complexe soort. Niet voor niets worden dolfijnen beschouwd als de tegenhangers van de mens onder water. Pas vanaf de industriële revolutie, in het begin van de negentiende eeuw, maakten wij ons los van de directe lichamelijke belemmeringen op leeftijd. Technologische en geneeskundige innovaties maakten ons minder afhankelijk van ziektes en aftakeling. Langzaam gooiden wij de beperkingen van de natuurlijke selectie overboord, wat zich onder meer vertaalde in een sterke daling van de kindersterfte. Wij hielden en houden zoveel mogelijk in leven wie de natuur al lang geëlimineerd zou hebben. Vanaf de industriële revolutie kwamen er voor de gemiddelde mens per jaar drie extra maanden levensduur bij. Onze levensverwachting verdubbelde op korte tijd. De vraag is waar de limiet ligt. Want een constante vaststelling blijft dat bij de mens (en de meeste andere diersoorten) de sterfte toeneemt met de leeftijd. Als onze mortaliteit ons hele leven lang dezelfde zou blijven als in de puberteit, dan werden we gemiddeld ongeveer 1200 jaar oud. Dat gebeurt niet, onder meer omdat sommige sleutelgenen, die maken dat we ons op jonge leeftijd succesvol kunnen voortplanten, op oudere leeftijd voor problemen zorgen. Zulke balansen spelen dikwijls in de natuur, die uitsluitend inzet op geslaagde voortplanting. Wat er daarna gebeurt, speelt geen rol meer in de selectie van kenmerken. Oud worden is zelden nuttig in de evolutie van het leven. Wij investeren veel in onze voortplanting. Vroeger kregen we veel kinderen die we snel bijna helemaal aan hun lot overlieten, nu krijgen we minder kinderen, maar we zorgen er meer en langer voor. Die zorg vreet aan het lichaam. Voortplantingshormonen kunnen roofbouw plegen. Het is niet verwonderlijk dat veel vrouwen te maken krijgen met kankers van de voortplantingsorganen, vooral als ze die niet meer nodig hebben. De oma-ontwikkeling was niet sterk genoeg om dat te counteren. Het geslachtshormoon testosteron is voor jonge mannen nuttig voor succesvolle voortplanting, maar op oudere leeftijd leidt het tot prostaatkanker, omdat er geen functie ontwikkeld is om het uit te schakelen als de competitie om succes niet langer primordiaal is. Nogal wat dieren, zoals zalmen, sterven trouwens meteen na de eerste keer dat ze zich voortplanten - hun soort heeft ingezet op een systeem waarin ouderdom zelfs niet aan de orde is. Wetenschappers kijken graag naar andere dieren in hun pogingen om te begrijpen wat er bij ons aan de hand is. Ze zijn, bijvoorbeeld, in staat om de levensduur van wormen met een factor vijf te verlengen door ze op een hongerdieet te zetten. Voor muizen kan er op dezelfde manier een kwart aan levensduur bijkomen - een resultaat dat ook met bepaalde geneesmiddelen-in-wording behaald wordt. De diertjes zouden met zo'n streng dieet in een staat gaan die vergelijkbaar is met een winterslaap, waardoor alles in hun lichaam op een lager pitje wordt gedraaid. Je veroudert minder snel omdat je minder snel leeft. Het is de hoofdreden waarom de oudste wezens op aarde, die leeftijden van vele duizenden jaren kunnen halen, bomen en planten in vooral onherbergzame gebieden zijn, waar ze voorzichtig moeten leven. Het is evenmin verwonderlijk dat de oudste bekende dieren traag zijn. Schildpadden en kreeften kunnen probleemloos meer dan honderd jaar worden. De bijna uitgestorven doopvontschelp uit tropische oceanen, ook niet bekend om zijn flitsend bestaan, zou bijna vijfhonderd jaar oud kunnen worden. Het is evident dat bij deze dieren de (beperkte) investeringen in de voortplanting niet ten koste gaan van de lengte van het leven - of toch niet binnen het tijdskader dat bestudeerd is. Want misschien hebben ook zij een leeftijdslimiet, maar hebben we die nog niet gevonden. Het is vooralsnog een mysterie hoe ze in staat zijn zo lang te leven. Ze lijken niet te verouderen, maar waar het verschil met onze cellulaire uitputtingsslag ligt, is nog onduidelijk. Onze cellen verouderen dus wel. Ze worden regelmatig vervangen, maar op termijn sputtert de vervangingscapaciteit en komen er steeds meer genetische fouten bovendrijven. Die monden uit in moeilijk behandelbare aandoeningen, zoals kanker en dementie, en in een substantiële verzwakking van de afweer, waardoor wij ten prooi kunnen vallen aan infecties die we op jonge leeftijd als banaal ervaren. Momenteel kunnen de meesten van ons niet oud worden zonder medicatie, en hoe ouder we worden, hoe meer medicatie we nodig hebben om de natuurlijke aftakelingsprocessen te counteren. Wij verliezen geleidelijk de capaciteit tot zelfherstel, omdat die beperkt is in de tijd. Tot voor kort was het niet nodig dat cellen en organen langer dan vijftig jaar meegingen, want mensen werden niet zo oud. Sommige wetenschappers menen daarom dat er, als we kanker onder controle zouden krijgen, snel nieuwe problemen zouden opduiken. Problemen die zich nu niet manifesteren omdat ze geen kans krijgen, als gevolg van een einde versneld door kanker. De strijd tegen veroudering zal in deze visie altijd dweilen met de kraan open blijven. Anderen zijn optimistisch en stellen dat we nog maar aan het begin staan van het bijspijkeren van wat de natuur niet voorzien heeft, zodat er nog veel winst uit innovaties te verwachten is. Ze menen dat er misschien genen zijn die veroudering in de hand werken en alleen actief worden als een lichaam te oud wordt, hoewel niemand op dit moment precies weet hoe ze ontstaan zouden kunnen zijn. Ze zouden ertoe leiden dat ouderdomsdekens op tijd plaats maken voor de jeugd om demografische ontwrichting te vermijden. Het uitschakelen van die ouderdomsgenen zou ons echter met evolutionaire problemen van een andere orde opzadelen. We zouden nog veel meer worstelen met de gevolgen van een verouderende bevolking dan nu al het geval is. Er is waarschijnlijk geen enkele andere soort in de natuur die ooit met de situatie geconfronteerd is geweest dat het aantal oudere individuen die zich niet meer voortplanten, groter wordt dan het aantal jongeren. Je kunt toch niet verwachten dat we in een wereld gaan leven waarin een beperkte generatie jongeren zoveel moet investeren in de zorg voor de massa ouderen dat ze geen tijd meer heeft om zelf kinderen te krijgen. Dat zou letterlijk de wereld op zijn kop zijn. Het lijkt niet iets om naar uit te kijken, zeker niet als jongere.DOOR DIRK DRAULANSIn periodes van voedselschaarste leiden de oudste orkavrouwen de groep naar plekken waar nog wat te vangen valt. Hun ervaring is nuttig Als we kanker onder controle kregen, zouden snel nieuwe problemen kunnen opduiken. Problemen die zich nu niet manifesteren omdat ze de tijd niet krijgen