Ik ken een winkelierster in Knokke die in geen twintig jaar de zee heeft gezien", vertelt een vriendin die ook een zaak uitbaat in die stad. Voor iemand als ik, die liever een uur minder slaapt dan haar dagelijkse fietstocht langs de zee te missen, is dat onbegrijpelijk. Ik merk het elk jaar als ik in België ben. Steek me een beetje te lang in het binnenland en ik hunker naar water. Echt water. Een brede stroom die niet te ver weg in de zee uitmondt is goed, een bulderende oceaan is beter.

Afgelopen mei in Amsterdam zat ik prima. Tien minuten fietsen en hop, daar achter het Centraal Station deinde het IJ, wenkten eilandjes, vaarden grote en kleine boten, en rook het al een beetje naar de echte zoute zee. Ik stapte op een van de veerbootjes en enkele minuten later begon ik mijn dag zoals ik dat in New York gewoon ben, fietsend langs het water. Kijk eens op de kaart naar New York. De stad is omringd door water. Baaien, rivieren, de oceaan: ze klotsen er allemaal tegenaan. En toch.

Manhattan, het hart van New York, is misschien wel het enige eiland ter wereld waar aan land zoveel gebeurt dat je makkelijk vergeet dat je omringd bent door water. Heel veel New Yorkers hebben het, net als die Knokse bakkerin, gewoon te druk om even vijf, tien, hooguit vijftien minuten links of rechts naar het water te lopen. Wandel van oost naar west, van de East River naar de Hudson River dus, en je hebt amper drie kilometer afgelegd.

Er zijn duizenden plaatsen in New York vanwaar je van een zicht op het water kunt genieten. Sommige zoals Battery Park, South Street Seaport of de Chelsea Piers trekken jaarlijks miljoenen toeristen. Daar vindt u dus wel alleen uw weg naartoe. Laat ons liever wat verder uptown gaan naar de Boat Basin, een magisch, afgelegen plekje aan het einde van de 79ste straat aan de oever van de Hudson. Het hotel Lucerne, waar om een of andere reden veel Belgen logeren, is slechts enkele minuten van hier. Central Park en het Museum of Natural History liggen amper iets verder. Achter mij ligt Riverside, het lange smalle park dat zich van de 72ste tot de 158ste straat uitstrekt. Aan de overkant van de rivier rijzen de steile kliffen van New Jersey. Enkele mensen laten hun honden uit op het wandelpad langs het water. Drie moeders duwen elk een kinderwagen voort. Twee heel bejaarde heren keuvelen op een bank naast de mijne. Een paar fietsers peddelen rustig voorbij. Zelfs een groepje rollerbladers remt af. De Boat Basin kalmeert de zenuwachtigste haastigaard.

In een wip ben je er nochtans door. De plaats heeft iets intiems, iets dorps bijna. Ik kijk naar de dobberende jachten en de woonboten opgesmukt met bloemen. Ben ik in een vissershaventje ver weg van de grote stad? In de rest van Manhattan is het spitsuur in volle gang. Hier, me koesterend in de avondzon, merk ik daar niets van. Toeristische afleidingen zijn er niet. Het Vrijheidsstandbeeld is niet te zien. Er zijn geen winkels. Er zijn geen sportvelden. En het enige restaurant, ook Boat Basin genaamd, is niet om over naar huis te schrijven. Maar het grote terras in natuursteen vanwaar je het komen en gaan op de rivier kunt gadeslaan, is uitnodigend. "Het is hier elke avond heel druk", zegt onze kelner.

Het Boat Basin is een plek om niets te doen. De woonboten met namen als Aubergine, Excalibur en Urban Desire doen dat al jaren. De meeste van hun motoren werken niet meer. In dit wat rommelig aandoende waterdorp kun je naar New Yorkse maatstaven voor een prikje eeuwig schommelend wonen. Daarnaast, achter een pier, ligt een vloot glanzende zeilboten die zich helemaal tot aan de 96ste straat uitstrekt. "Komt u hier vaak?", vraag ik aan een stel dat net uit een luxueuze boot stapt. "Bijna elke week," zegt de vrouw, "het is een van onze lievelingsplekjes." De arme en rijke waterratten in het Boat Basin delen hun paradijs met eenden, meeuwen, zwanen, ganzen, haviken, zeeschildpadden, palingen, havenzeehonden, blauwe krabben en diverse soorten vissen. No entry staat er op een bord naast de ingang van een tunnel die in de rotswand van de oever verdwijnt. In de verte brandt een flauw peertje. Ik loop binnen. Ik sta in een ondergrondse parking. Het water druipt van de ooit witgeschilderde muren. Op de grond liggen grote plassen. Slechts hier en daar staat een auto. De parking lijkt een decor voor een film die New York op zijn griezeligst wil tonen. Ooit stond het hier vol met dure auto's. De parking werd in 1937 aangelegd samen met de rest van het Boat Basin. Het was toen de luxejachthaven bij uitstek voor wie New York City wou bezoeken en op zijn boot logeren. Tegen de jaren 1970 schoot er niets meer over van al dat moois. Daklozen en junkies kampeerden hier omringd door tonnen vuilnis. De Boat Basin was een plek waar je op je hoede moest zijn. De laatste jaren heeft New York weer genoeg geld in kas om sommige van zijn vele, lang verwaarloosde parels op te knappen. Ook het Boat Basin werd onder handen genomen. Straks is het Rosj Hasjana, het joodse nieuwjaar. Duizenden joden uit de wijk hierboven komen dan 's avonds naar hier om broodkruimels in de rivier te gooien. Taschlich heet dit ritueel, 'het wegwerpen' van de zonden. Er is geen betere plek om dat te doen in New York dan het Boat Basin.

Jacqueline Goossens vanuit New York