Er loopt tegenwoordig een reclameboodschap op de radio waarin Wim Opbrouck opsomt wat handen allemaal kunnen. Een gevarieerde lijst van vaardigheden. En dan prijst hij een kopieertoestel aan, dat bijna net zo goed zou zijn.
...

Er loopt tegenwoordig een reclameboodschap op de radio waarin Wim Opbrouck opsomt wat handen allemaal kunnen. Een gevarieerde lijst van vaardigheden. En dan prijst hij een kopieertoestel aan, dat bijna net zo goed zou zijn. Handen zijn ongelooflijk nuttige lichaamsdelen. We doen er álles mee. Pas als ze stilliggen hebben we een probleem. Want waar blijf je ermee? Vooral als er anderen op zitten te kijken. Neem nu prins Charles, iemand die toch niet echt veel om handen heeft. Hebt u al eens op zijn handen gelet als hij ergens komt waar camera's staan, of veel volk? Hij frunnikt met zijn rechterhand aan zijn linkermouwboord, of soms eerst links en daarna rechts, alsof zijn hemdsmouwen te kort zijn, en hij ze nog even naar beneden moet trekken. Daarna grijpt hij zijn pink en bevoelt uitgebreid het onderste vingerkootje. Alsof hij gewond raakte bij het vervangen van de badkamerdeur. Ten slotte steekt hij zijn hand even in zijn jaszak, om te voelen of hij de toegangsbewijsjes wel bij zich heeft en Camilla voor een propere zakdoek heeft gezorgd. Dat is natuurlijk allemaal schijn: zijn hemden worden op maat gemaakt en hebt u ooit een prins zijn neus zien snuiten? Onze koning Boudewijn zaliger was veel minder bedreven in dit soort handenspel. Het vereist ook wel een drukke omgang met de beau monde vermoed ik, om het te leren. Boudewijn hield zijn handen meestal uit het gezicht, op de rug. Daar haalde hij ze alleen af, als hij er iemand een moest geven. Er bestaat een uitgebreid gamma van gebaartjes die "bezigheid" moeten voorwenden. Zoals het los- en vastknopen van het colbert. Dat doen heren van stand als er iemand nieuw bijkomt in het gezelschap: opstaan, colbert vastknopen, hand schudden - even een écht gebruik van de hand - weer gaan zitten en het colbert losknopen, want dat zit toch weer makkelijker. Of mannen die van stilstand naar beweging overgaan, een spreekgestoelte beklimmen bijvoorbeeld: even aan de das frunniken, zodat die een beetje bolt. Een moeilijke situatie is het toespraakje zonder spreekgestoelte. Een glas schuimwijn kan in zulke gevallen houvast bieden. Anders rest de keuze tussen deze twee houdingen: de handen zedig gekruist voor het geslacht, of spelen met de trouwring - voor wie zich in dit statuut bevindt. Veel meer mag dat niet zijn, want dan begeeft men zich op het delicate vlak van de lichaamstaal. Sla er maar een damesblad op na. Een beginnend spreker moffelt zijn handen al eens in zijn broekzakken. Lekker veilig, maar helemaal fout. Gevouwen handen zijn al evenmin een optie, want je wilt niet meteen een godsdienstig statement maken. Armen gekruist voor de borst dan, zoals we vroeger ter communie schreden? Dat staat in alle werkjes over bodylanguage beschreven als een afwerend of zelfbeschermend gebaar. En zelfs al voelt de spreker zich zo, hij mag toch graag een meer bevrijde indruk wekken. Handen in de zij, vind ik persoonlijk een comfortabele positie, maar het staat zo Mistero Buffo-achtig, alsof dra een strijdlied zal worden aangeheven. Voor de toehoorder is het al wat makkelijker: die loopt niet echt in het vizier, tenzij in dat van de spreker. Eén arm voor de borst, terwijl de andere hand de kin licht ondersteunt: een gebaar waaruit kritische aandacht spreekt. Kan nog wat worden gemilderd met een glimlach als u van het goeiige soort bent en de spreker wilt aanmoedigen. Wij, vrouwen, hebben natuurlijk het houvast bij uitstek: de handtas. Met twee handen vooraan of achteraan, met een hand opzij, of de tas bungelend aan één arm, waardoor de hand van de ene arm, de hand van de dragende arm moet vasthouden. Enfin, mogelijkheden legio. Het is duidelijk: handen gewoon als nutteloze dingen langs het lichaam laten hangen, is ongebruikelijk. En ze in het volle zicht van iedereen berustend in de schoot laten stilvallen: dat kan pas als we héél oud zijn.FRIEDA VAN WIJCK