De meeste reizigers komen Urugay binnen via Colonia, een historische plek ten westen van de hoofdstad en niet toevallig sinds 1995 op de World Heritage-lijst van de Unesco. Hoewel de stad, die in 1680 door Manuel Lobo gesticht werd als een Portugese evenknie van Buenos Aires, een zeer woelige koloniale tijd kende, is ze toch van bescheiden afmetingen. Haar succes hangt nauw samen met enkele gerestaureerde straatjes. De bezoeker gaat er terug in de tijd, naar de koloniale periode, compleet met kasseien en gebouwen uit de achttiende eeuw. Maar ik wil de hoofdstad zien, al was het maar omdat de meningen erover danig verschillen.
...

De meeste reizigers komen Urugay binnen via Colonia, een historische plek ten westen van de hoofdstad en niet toevallig sinds 1995 op de World Heritage-lijst van de Unesco. Hoewel de stad, die in 1680 door Manuel Lobo gesticht werd als een Portugese evenknie van Buenos Aires, een zeer woelige koloniale tijd kende, is ze toch van bescheiden afmetingen. Haar succes hangt nauw samen met enkele gerestaureerde straatjes. De bezoeker gaat er terug in de tijd, naar de koloniale periode, compleet met kasseien en gebouwen uit de achttiende eeuw. Maar ik wil de hoofdstad zien, al was het maar omdat de meningen erover danig verschillen. Onderweg van de luchthaven overheerst een indruk van netheid en orde die standhoudt tot aan de Rambla, de boulevard langs de kustlijn met zijn ontspannen sfeertje van de tijd van toen. Hier geen nerveus geclaxonneer, de chauffeurs cruisen veeleer ontspannen. Die relaxte sfeer blijft aanhouden tot aan de buitenwijken met hun hellende straten die een tikje aan San Francisco doen denken, maar met groen als hoofdkleur. In de oude binnenstad, het meest westelijke deel van het schiereiland, onderga ik een déjà vu-gevoel. Het lijkt wel Havanna, maar met bredere lanen, omzoomd door gebouwen die betere tijden hebben gekend. Er zit een fotogeniek sfeertje van verval aan vast, met pick-ups uit de jaren zestig en Si vendo-borden. De hoofdstraten ogen leeg en verpauperd op zondag. Aan de haven strijk ik neer in een allereenvoudigste kroeg voor een stevige koffie die uit een soortement vooroorlogse, handbediende espressomachine wordt getoverd. In de andere helft van het café worden vislijnen en lokaas verkocht, en op deze luie zondagmiddag hebben de hoofdstedelingen op het gazon tussen de stad en de zee hun vouwstoelen neergepoot tussen de andere zonnekloppers in badpak, de thermos met maté binnen handbereik. Anderen zitten op de rand van de dijk met de hengel in aanslag. Als ik door de straten kuier en een plan openplooi, stopt spontaan een auto met een familie langszij. Of ze kunnen helpen. Ik zeg dat ik me wel red en denk aan de Porteno's die me hadden gewaarschuwd : de inwoners van Montevideo zijn uitzonderlijk vriendelijk, maar ook een beetje traag en daarom wordt er in Argentinië een beetje meelijwekkend naar gekeken. Zoals ze dat in Brussel met West-Vlamingen of Limburgers doen. De oude binnenstad heeft potentieel voor wie dat wil zien. Ik bekijk oude pakhuizen waaruit prachtige lofts zouden kunnen ontstaan, en juweeltjes van vervallen gevels. In een zijstraat neem ik even de tijd in het café Brasilero, een bescheiden monument uit 1877 met een houten vloer en dito lambrisering, Thonetstoelen, een rijkelijk gevulde bar met sterkedrank en een tafeltje met leesvoer. Wie de lelijke hoofdader verlaat - een kakofonie van stijlen en niet gesynchroniseerde verkeerslichten - en rechtsaf Palermo induikt, komt door koele, beschaduwde straten met veel bomen en groen. Palermo is gewoon verfrissend mooi, met veel gelijkenissen met de gelijknamige buurt in Buenos Aires. Alleen ontbreekt hier blijkbaar het geld of de energie om de modernisering door te zetten. Wie door de stad slentert, begrijpt meteen waarom de meningen verdeeld blijven : de stad biedt een vreemd mengsel van contrasten. Aan de westzijde heerste de typische bedrijvigheid van de haven, een buurt met opeengestapelde containers en in de week de levendige Mercado del Puerto waar veel lokale bewoners uit eten gaan. Aan de zuidzijde kronkelt de Ramblas langs zee, daar zijn snelwandelaars en joggers in de weer. Voor sommigen oogt Montevideo als een nostalgisch amalgaam van stijlen, terwijl anderen alleen maar de stadsdrukte en de lelijke gebouwen zien. Zelf betrek ik een kamer in het Sheraton, in de wijk Pocitos. Er zijn boekhandels en boetieks en tussen de hoogbouw duiken verrassend mooie art-nouveaupareltjes en art-decovilla's op en kleine restaurants. Ik drink er koffie met een gepensioneerde lokale dokter die perfect Frans spreekt, weg is van de Franse cultuur omdat die hem zuurstof geeft en contact met de Europese cultuurstromingen. Want Uruguay vindt hij op cultureel vlak helemaal niets. De wat verwarrende indruk die de hoofdstad op me heeft achtergelaten, verandert snel als ik oostwaarts reis, naar de meest internationale plek van het land. Na goed twee uur rijden daalt de weg af naar de kust en daar wil ik zijn, want nog voor aankomst in het hotel wil ik een zeer merkwaardig bouwsel bezoeken dat me al jaren fascineert. Hét monument van Punta del Este is het levenswerk van Carlos Pàez Vilaro, een kunstenaar met een afkeer voor de rechte lijn in het algemeen en voor rechte hoeken in het bijzonder. In de jaren vijftig zocht hij de eenzaamheid op aan de kust, zo'n tien kilometer benoorden Punta del Este, in een gebied waar hij in de natuur niets van de moderne maatschappij hoefde te zien. Hij trok er zich terug in niet veel meer dan een houten studio. Later bouwde hij een huis waar hij vrienden kon ontvangen om uiteindelijk aan zijn ideaal te beginnen : een beeldhouwwerk waarin hij wilde wonen. Wie bij het Casa Pueblo aankomt, merkt vrijwel meteen waar Pàez Vilaro zijn mosterd haalde. In zijn sculpturale architectuur zitten invloeden van Gaudí en van Hundertwasser, en sommigen zien er zelfs een variante in op de lemen moskeeën uit Mali. Het witte gebouw is inmiddels uitgebouwd tot een geheel van zeventig kamers, die vaak aan de kleine kant zijn, maar een schitterend uitzicht bieden over de baai. Omdat ze wit zijn roepen ze ook de sfeer van het Griekse eiland Santorini op. Hoewel er in de buurt inmiddels wat huizen zijn bijgekomen, heeft het bouwwerk niets van zijn charme verloren. Casa Pueblo blijft fascineren en mocht de beroemdheden van deze wereld verwelkomen, van Placido Domingo tot Bo Derek en Lech Walesa. Ook de rit naar Zuid-Amerika's op een na meest beroemde badplaats is van een tijdloze schoonheid. Het schiereiland is rond de jaarwisseling the place to be voor de Argentijnen die in eigen land geen vergelijkbare badplaats vinden en dan maar massaal naar Punta del Este afzakken. Dan wemelt het er van de vedetten en de partyschuimers, met in hun zog de spotters van beroemdheden. Zowel aan de westelijke als aan de oostelijke zijde van het schiereiland verrijst moderne hoogbouw, maar daartussenin duiken taferelen op uit het Zoute : villa's met strooien daken, omringd door groen, en doorsneden door stille, schilderachtige laantjes waar het lekker fietsen is. Verder naar het oosten, richting José Ignacio, verzamelen de surfers die er op de mooiste golven van het zuidelijk halfrond wachten. Wij nestelen ons in de gezellige drukte van Mia Bistro & Sushi, een klein strandrestaurant met houten vloer en rieten fauteuils, waar het heerlijk koffie drinken is, of lezen bij een glas gekoelde witte wijn. Een unieke plek waar een lichte keuken wordt geserveerd met de dagvangst en wat groenten. Het was hier dat Francisco Aguilar in 1829 een kleine nederzetting van vissers opzette, die enkele jaren later het gezelschap kregen van een Amerikaan, Luis Burmeister die de zoutpannen ging exploiteren, want zout was een veelgevraagde grondstof om vlees te bewaren. Maar het bleef een winderige, weinig aantrekkelijke plek tot Antonio Lussich, bekend omdat hij de eerste gauchoverhalen optekende, en de Britse viceconsul Henry Burnett pijnbomen en eucalyptus lieten aanplanten, om de zandduinen te stabiliseren. Op deze ondergrond viel er nauwelijks wat te ontginnen en dat nadeel werd uiteindelijk een troef, zo bleef de plek gevrijwaard van wildbouw. De eerste hotels werden pas aan het begin van de vorige eeuw gebouwd, maar de echte boom kwam er vijftig jaar later toen de Argentijnse president generaal Peron zijn landgenoten toestemming gaf om naar het buitenland te reizen. De rijke Argentijnen adopteerden Punta del Este al snel als hun buitengoed. In geen tijd werd het stadje het centrum van de Latijns-Amerikaanse wereld en kon het wedijveren met Havanna. Een filmfestival lokte Europese sterren, als Marcello Mastroianni en Gina Lollobrigida, naar het voormalige vissersdorp. Maar Punta del Este is Uruguay niet en wie via de snelweg naar de hoofdstad terugkeert, merkt dat dit kleine land nog volop in ontwikkeling is. Langs de route terug ontdek ik kleine ateliers, een verkoper van schitterende oldtimers en meer kleinschalig ambachtelijk werk. Ik luister er naar de verhalen van de gaucho's en de pioniers in het binnenland, en besef dat ik terug moet keren om het binnenland te verkennen. DOOR PIERRE DARGE - FOTO'S PPIMONTEVIDEO BIEDT EEN VREEMD MENGSEL VAN STIJLEN EN CONTRASTEN.ROND NIEUWJAAR ZIEN ARGENTIJNEN PUNTA DEL ESTE ALS HUN EIGEN BUITENGOED.