Een lenige limousine houdt halt voor mijn deur. Daar zijn ze dan : mijn Neven van vaderszijde. Ik schrijf ze met hoofdletter, want vaak zie ik ze niet, zodat hun plotse verschijning iets wegheeft van de Blijde Inkomst van koningen. De oudste, Albert, is 85. De jongste, Joe, nog maar 79. Toch waren hun vaders en de mijne broers. Die leeftijdskloof kwam er doordat mijn vader het kakkernestje was in een gezin van 11, en om mij te verwekken ook nog eens wachtte tot zijn 54e.
...

Een lenige limousine houdt halt voor mijn deur. Daar zijn ze dan : mijn Neven van vaderszijde. Ik schrijf ze met hoofdletter, want vaak zie ik ze niet, zodat hun plotse verschijning iets wegheeft van de Blijde Inkomst van koningen. De oudste, Albert, is 85. De jongste, Joe, nog maar 79. Toch waren hun vaders en de mijne broers. Die leeftijdskloof kwam er doordat mijn vader het kakkernestje was in een gezin van 11, en om mij te verwekken ook nog eens wachtte tot zijn 54e. Joe is een gebruinde gentleman met borstelige wenkbrauwen. Bijna zijn hele leven lang heeft hij op Vanuatu gewoond, de paradijselijke eilandengroep in de Stille Oceaan die dit jaar werd uitgeroepen tot gelukkigste plaats ter wereld (België strandde op 78). Hij heeft een schelpensnoer meegebracht en een pluizige speelgoedkoala, die zich aan dingen kan vastklampen. "Bij bosbranden wacht hen een droevig lot", zegt hij droog als ik meer over de dieren met hun dopneus wil weten. "Ze vreten zich te pletter aan eucalyptusbladeren en zitten vol brandbare olie. They simply explode."Ik probeer mij een ontploffende koalabeer voor te stellen, maar dat lukt niet zo best. Op zijn beurt wil Joe van alles over ons fort van Eben-Emael weten. Dat is zijn dada. Op je 79e nog zo bij de pinken zijn : ik wil er direct voor tekenen. "Ben je helemaal in je eentje van Brisbane naar België gevlogen ?" vraag ik hem. " Comme un grand", knipoogt hij. Met Albert is het minder. Voetje voor voetje en steunend op zijn stok, sloft hij het huis door op weg naar het toilet. Luttele jaren geleden reisde ook hij nochtans nog de wereld af. De Muldersen zijn een volk van volleerde imkers en onverschrokken reizigers. Er zit een hoop avontuur in ons, dat mij echter heeft overgeslagen. Ik ben een bijenboer, die het bovendien niet gewoon is volk over de vloer te krijgen. Samenscholingen van meer dan twee personen vinden zo goed als nooit plaats in dit huis. Dat blijkt uit de haastig bijgeschoven klapstoel en het tafelservies, dat uit drie verschillende modellen kopjes is samengesteld. Gelukkig compenseer ik die armetierigheid met een overvloed aan exquise dranken. Joe vindt de trappist van Westvleteren erg drinkbaar en Albert gaat zich te buiten aan een vingerhoed armagnac uit 1981. Zijn ogen twinkelen als hij ervan nipt. Het goedje maakt zo te zien herinneringen wakker aan de tijd dat hij nog jong en lenig was, en door de korenvelden danste. Ik slaag erin iedereen weemoedig te maken door op te merken dat, toen dit vocht gebotteld werd, nonkel John (mijn vader) nog leefde. "Nonkel Marcel ook", zucht Joe. "En nonkel Emile en nonkel Charel. Mijn adresboekje vertoont stilaan meer strepen dan namen."Zo zitten we daar en we drinken, bijeengehouden door slordig rondgestrooide genen en door de herfstzon, die het soort poederachtige licht in de kamer werpt dat tot mildheid stemt. In de keuken, terwijl ik een tweede kan koffie zet, haalt Joe iets uit zijn binnenzak. Hij overhandigt het mij plechtig. Een bruine, vervagende foto van een heertje dat op een stoel zit en nors in de lens kijkt. "Jij bent jonger dan ik", zegt Joe bezwerend. "Nu is het jouw beurt om hem te bewaren.""Hem", dat is Johannes Franciscus Mulders, mijn betovergrootvader. Voor het eerst staan we oog in oog met elkaar. Volgens de potloodkrabbel op de achterkant van de foto is hij geboren in 1814. Vlak vóór de slag bij Waterloo. De fotografie is rond 1840 uitgevonden, weet ik toevallig. De foto die ik in mijn handen houd, moet dus een van de eerste zijn die ooit gemaakt werden. Een foto van een verdere voorvader van mij kan, technisch gesproken, gewoon niet bestaan. Gefascineerd kijk ik naar dat strikje. Naar het ouderwetse motief in het tafellaken. Naar de wal onder het rechteroog, die evengoed een vetvlek kan zijn die zich daar in 1957 vastgezet heeft. Of in 1908. Of in 1862. Vol ontzag kijk ik naar wellicht het enige beeld ter wereld dat nog bestaat van deze man die zo veraf lijkt, maar zonder wiens lang vergeten liefdesnachten ik niet zou hebben bestaan. Had Joe mij een goudklomp gegeven, ik zou er niet blijer mee zijn geweest. Als mijn Neven vertrokken zijn, leg ik de foto meteen op de scanner, zodat hij over het wereldwijde web kan reizen en nooit meer verloren zal gaan. Reacties : jp.mulders@skynet.beJean-Paul Mulders