R amasapaja, Ajanawe, Awejana, Ramasapaja, Sapaja. Een twintigtal boeddhistische monniken chanten onverstoorbaar een stroom Sanskriet, een ritmisch gezang met minimalistische stembuigingen, sporadisch onderbroken door extatische uithalen. De nieuwbakken novicen van de laatste rij kennen de onverstaanbare tekst niet, nemen het gezang nog niet al te serieus en zijn afgeleid door de buitenlandse aandacht. De monniken draperen hun oranje gewaden zorgvuldig over hun blote voeten. Een jongen in burger maant mij lachend aan om ook op mijn knieën te zitten, mijn voeten beleefd van boeddha weg. Hoezeer ik de tempeletiquette ook wil respecteren, een half uur onbeweeglijk knielen, is een onmogelijke opdracht voor een weinig elastische barang. Mijn gehannes zorgt enkel voor meer gegniffel bij de novicen. Na de dienst kruipt de vrome jongen naar de oudste monnik. Zoals de meeste Laotiaanse jongens wil hij, minstens tijdelijk, monnik worden. De leerlingen, gretig om hun twee-woorden-Engels bij te spijkeren, willen weten waar ik vandaan kom. Ik wijs naar de brede bruine stroom aan de voet van de heuvel. Vanuit Thailand ben ik in een kano de Mekong overgestoken voor een verkenning van Noord-Laos, het grensgebied met Birma en China, de befaamde Gouden Driehoek.
...

R amasapaja, Ajanawe, Awejana, Ramasapaja, Sapaja. Een twintigtal boeddhistische monniken chanten onverstoorbaar een stroom Sanskriet, een ritmisch gezang met minimalistische stembuigingen, sporadisch onderbroken door extatische uithalen. De nieuwbakken novicen van de laatste rij kennen de onverstaanbare tekst niet, nemen het gezang nog niet al te serieus en zijn afgeleid door de buitenlandse aandacht. De monniken draperen hun oranje gewaden zorgvuldig over hun blote voeten. Een jongen in burger maant mij lachend aan om ook op mijn knieën te zitten, mijn voeten beleefd van boeddha weg. Hoezeer ik de tempeletiquette ook wil respecteren, een half uur onbeweeglijk knielen, is een onmogelijke opdracht voor een weinig elastische barang. Mijn gehannes zorgt enkel voor meer gegniffel bij de novicen. Na de dienst kruipt de vrome jongen naar de oudste monnik. Zoals de meeste Laotiaanse jongens wil hij, minstens tijdelijk, monnik worden. De leerlingen, gretig om hun twee-woorden-Engels bij te spijkeren, willen weten waar ik vandaan kom. Ik wijs naar de brede bruine stroom aan de voet van de heuvel. Vanuit Thailand ben ik in een kano de Mekong overgestoken voor een verkenning van Noord-Laos, het grensgebied met Birma en China, de befaamde Gouden Driehoek. In zijn geaffecteerd Frans karikaturiseert Monsieur Chitaly, de supervriendelijke uitbater van Houeixai's guesthouse, de koloniale erfenis. Ooit was hij, pal op de grens met Thailand, zakenman. Hij deed in import en export. Al jaren spreekt men hier van een brug naar Thailand, recent zelfs van een heraanleggen van de hele weg naar het noorden, tot de grens met Zuid-China. In afwachting blijft het behelpen met monsieur le chauffeur du pick-up voor de trip naar Luang Namtha, twaalf uren in Paris-Dakar-stijl. Deze weg - 170 kilometer door de bergen - is naar verluidt de slechtste van Laos. Het konvooi volgepakte jeeps hobbelt en slipt over de modderpiste, als gemotoriseerde slakken door het slijk. Bij het doorwaden van een rivier overspoelt het water de treeplank, enkele checkpoints zijn plaspauzes, een krakkemikkig brugje steken we te voet over, een klapband wordt routineus vervangen, een omgewaaide boom met vereende krachten van de weg geduwd. Langs de drassige rijstvelden en dichtbegroeide heuvels kruisen we nauwelijks ander verkeer, uitgezonderd enkele vrachtwagens die tropisch hardwoud naar de Thaise grens denderen. De Fransman die geen hinder van de botsende rit schijnt te ondervinden, lacht minzaam in zijn opiumroes. Al voor de derde keer maakt hij de lange reis naar Muang Sing, een marktstadje in de Gouden Driehoek. Muang Sing, het laatste Laotiaanse dorp van enige omvang, ligt op elf kilometer van China, een zeventigtal kilometer van Myanmar (Birma). Eeuwenlang was het grensgebied een twistappel tussen Thaise Nan, Zuid-Chinese Yunnan en Laotiaanse koninkrijken. Maar tijdens de oorlog van de jaren zeventig werd het dorp als een van de weinige in de streek niet platgebombardeerd. De oude houten huizen, in verschillende stadia van verval, stralen een zekere tijdloosheid uit. Op de vroege markt ontmoeten uiteenlopende hooglandstammen elkaar, dagelijkse getuigen van de multiculturele erfenis : Akha, Yao, Hmong, Thai Dam, Thai Lu en Lanten. Even bijzonder als de marktlui in hun traditionele klederdracht zijn de aangeprezen eetwaren : rijst en groenten, tropisch fruit, bamboescheuten en lotusstengels, naast levende slijkvis, kaalgeplukte mussen, gegrilde vleermuizen en gestroopte eekhoorns. Als het beweegt, is het eetbaar, aldus het eerste gebod van de Laotiaanse keuken. Ik waag mij niet aan een ontbijt aan een van de marktkraampjes. De aantrekkingskracht van de vallei is immers niet zozeer culinair, maar cultureel. De tuk tuk, een driewieler met overdekte laadbak, stopt na enkele kilometers slijkpad aan een riviertje. In het regenseizoen gaat alle verkeer vanaf hier te voet, langs rijstvelden en over groene hellingen. In Kunong, een Hmong-dorp van paddestoelhuizen, leven vluchtelingen die zes jaar geleden uit Thailand terugkeerden. De Hmong, achttiende-eeuwse immigranten uit Tibet en China, zijn een van de stammen behorend tot de Lao Soung, de hoogland-Laotianen. Zij bouwen geen paalwoningen zoals de meerderheid, maar hutten op de grond. De hooglanders zijn geen boeddhisten, maar animisten die bomen, rotsen en dieren vereren. Dieper in het regenwoud, op de steile hellingen, kondigt een geestenpoort een Akha-dorp aan. De Akha, afstammelingen van de eerste bewoners van Laos, van Mon-Khmer-origine, geloven dat de bamboepijlen en speren, houten machinegeweren en fallussymbolen op de beschermende dorpspoort boze bosgeesten op afstand houden. Twee keer per jaar, na het zaaien en na de oogst, gaat het bouwsel in vlammen op. De rijstteelt is verweven met mythen en complexe rituelen die nauwgezet nageleefd worden. Centraal in elk dorp staat een gigantische schommel. Tijdens het jaarlijkse swing-festival schommelt men dagenlang ter ere van de voorvaderen. De Akha hebben een orale cultuur : tot zeventig generaties voorouderlijke namen reciteren ze. De vrouwen, met kleurrijke zilveren hoedjes, versierd met oude munten en kettinkjes, lachen tanden bloot, die rood zijn van het betelnoten kauwen. "Opium ?" Mijn gids kijkt afkeurend, maar ik wil het goedje wel eens bekijken ; een zwarte kleverige pasta in een beduimeld stukje krantenpapier. Laos is een van 's werelds belangrijkste opiumproducenten. "In deze dorpen bedraagt het percentage opiumverslaafden het dubbele van de alfabetiseringsgraad." Toch is mijn gids geen voorstander van een War on Drugs. "Opium behoort hier van oudsher tot het plattelandsleven. Wie in dergelijke barre omstandigheden leeft, kan af en toe een pijnstiller gebruiken. Wat we alleszins kunnen missen, zijn buitenlanders die hier opium roken. Het leven van de Akha staat in een moderner wordende samenleving al genoeg onder druk." In de dorpen zijn er nochtans weinig sporen van moderniteit te vinden. De rieten paalwoningen, met gevlochten wanden en strooien daken, zijn klein en armtierig. Onder een hut vlecht een man een rieten wand. Tussen scharrelende kippen en eenden spelen naakte kinderen met zelfgeknutselde wagentjes. Een ouderling rookt een rieten waterpijp op zijn veranda. We stappen door de dichte jungle, tussen palmen en gevlekte woudreuzen, slingerplanten en luchtwortels. Hoog op de hellingen duiden verkoolde stammen tussen droge rijstplanten op slash and burn-landbouw. Maar het zijn niet de hooglanders die het meest ontbossen, weet mijn gids. "Meestal komen de boeren pas nadat buitenlandse houthandelaren de jungle geruimd hebben." In de vallei balanceren we over smalle dijkjes die de natte rijstvelden afbakenen. De Akha in de dorpen die we bezoeken, behoren tot verschillende stammen, Pouillie of Copien, telkens met verschillende details in klederdracht en hoofdtooi. Het vrolijkst gekleed zijn de Yao : indigo vrouwen met zware tulbanden en bloedrode sjaals, de kinderen met knalrode pompons op hun mutsje. "Misschien het elegantst geklede, maar het slechtst behuisde volk ter wereld", juicht mijn reisgids. De heuvels schemeren in grijstinten, zwarte wolken pakken samen, de hemel verzuurt. Een regenbui verandert de straten in modder. Toch heeft reizen in het regenseizoen zijn voordelen : intens groene velden, brede bevaarbare rivieren, uitbundig fruit en... hoogseizoen voor de garnalenvisserij. Zoals vele dorpen in de bergen is Nong Khiaw, op de oever van de Nam Ou, enkel langs de rivier bereikbaar. Het vissersdorp ligt in een dramatisch landschap van krijtkliffen, de paalwoningen hoog boven de bruine rivier verheven. Vissers in kano's plaatsen fuiken in de rivier en in de zijarmen, waar vers bergwater naar de brede stroom vloeit. De vangst is overvloedig : garnalen en verschillende soorten katvis. Eén kano blijkt een lege bomhuls te zijn. "Geen land ter wereld werd zo zwaar gebombardeerd als Laos : per inwoner duizend kilo bommen, meer dan in Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog", aldus kapitein Hinderlich van de ontmijnings-ngo Gerbera. "Ongeveer een derde van de bommen zijn blindganger : niet ontploft. Nog jaarlijks sterven tweehonderd mensen, vooral kinderen en boeren die in het veld op een bombi stoten, op een dodelijke tennisbal uit een clusterbom." Op een goede dag vindt een team wel zeshonderd stuks munitie. "Maar de paden die toeristen betreden, zijn geruimd", verzekert mijn gesprekspartner. Binnen enkele maanden keert hij als laatste Duitse gezant terug en neemt de plaatselijke staf het over. Hij heeft er alle vertrouwen in, maar er is nog werk voor vele tientallen jaren. Traditioneel zijn de rivieren in het noorden echte waterwegen, met druk verkeer van longboats en kano's. Naarmate het wegennet verbetert, wordt echter steeds minder gevaren. Betalende medereizigers voor mijn tocht over de Ou en de Mekong naar Luang Prabang vind ik niet. Maar al snel wordt mijn longboat een riviertaxi voor de oeverbewoners in de afgelegen dorpen. De Khamu zijn verre verwanten van de Akha. In de nederzettingen waar we aanmeren, wacht ons soms een uitbundige, soms een terughoudende ontvangst. In het ene dorp staan de hutten strak in het gelid langs een centrale brede straat als in een modeldorp. De kinderen spelen met hun slippers - hun enige speelgoed - een soort jeu de boules : nergens kan je vergeten dat dit ooit Frans Indochina was. Een monnik toont ons de enorme kano van de Way waarmee de tempelgemeenschap jaarlijks deelneemt aan de roeiwedstrijd in Luang Prabang. Maar in een ander dorp, chaotisch en rommelig, zijn de bewoners terughoudend en geïsoleerd. Na enkele uren varen langs ruige berglandschappen, met dichtbeboste heuvels en sporadisch rijsthellingen, mondt de Ou uit in de Mekong, dubbel zo breed als de al indrukwekkende Ou. In de loodrechte rotsen schuilen duizenden houten en gouden boeddhabeelden. Sedert de zestiende eeuw zijn de grotten een bedevaartsoord voor de jaarlijkse Pimay in april. In de hoger gelegen grot heerst duisternis en mystiek als de talloze boeddha's-biddend-voor-regen, met de armen straks langs het lichaam, in het zaklampschijnsel oplichten. Maar in de benedengrot, halfopen naar de rivier, weerkaatst het gebrul van de speedboten die over de Mekong razen oorverdovend. De tijdloze rust van de bergen is verbroken. De stroom is hier honderden meters breed, hutten op de andere oever zijn moeilijk te onderscheiden. Een uur later meert de schipper aan op de eerste kade van het schiereiland : over de Mekong naar Luang Prabang varen, de droom wordt werkelijkheid. Naga's, veelkoppige slangen, houden de wacht. Boven aan de steile trappen schittert Wat Xien Thong, de parel van Luang Prabang. Op de met bladgoud beschilderde wanden herken ik plattelandstaferelen die getuigen dat de tijd in de dorpen de laatste honderden jaren niet bewoog. De afgebeelde ossenkarren herken ik uit het straatbeeld. De koninklijke hoofdstad van Lane Xang, het Rijk van één miljoen olifanten, behoort sinds 1995 tot het werelderfgoed van de Unesco. Van grootsteedse drukte is in het slaperig stadje geen sprake, maar de boeddhistische en de koloniale erfenis verlenen het een onweerstaanbare charme. De huizen zijn gebouwd in een mengvorm van traditionele paalwoningen en Franse villa's, met terrassen en erkers. Sommige huizen staan op instorten, andere zijn gerestaureerd tot statige hotels of smakelijke restaurants. Het schiereiland, gevormd door de bochtige samenvloeiing van de Nam Khan en de Mekong, is bezaaid met tempels. Ooit waren er ruim zestig Wats in de stad, nu nog dertig. Vroeg in de ochtend kleurt een eindeloze stoet bedelmonniken de straten oranje. Op de heilige Phousi-berg, centraal in de stad, geniet ik van het panorama over de bergen, de brede bruine rivieren, de spiraalvormige pagodes en overlappende daken van de tempels, priemend boven het groen. Franse Laotianen - voor het eerst in tientallen jaren keren ze terug - overtuigen mij bij het boeddhabeeld mijn geluk te betrachten. Geknield hef ik het aambeeldvormig altaar driemaal boven mijn hoofd. Vervolgens schud ik de met stokjes gevulde koker tot er één boodschap uit tuimelt. Het lot is mij erg gunstig, aldus de enthousiaste vertalers : "En naar een andere stad zal je verhuizen." Als het moet, laat het dan naar Luang Prabang zijn. n Tekst en foto's Jo FransenIn de dorpen van de Gouden Driehoek bedraagt het percentage opiumverslaafden het dubbele van de alfabetiseringsgraad.