V andaag in het gemeentelijk zwembad, ik zweer het u, zag ik een vent zijn neus snuiten in het water. Hij drukte daarbij zijn neusvleugels beurtelings dicht en zette kracht, zoals wielrenners tijdens bergritten doen. Ik moest me inhouden daar niets van te zeggen maar heb het na ampel beraad toch maar gelaten, want die gast zag er kloek uit en als je de gazetten mag geloven, weet je tegenwoordig maar nooit.
...

V andaag in het gemeentelijk zwembad, ik zweer het u, zag ik een vent zijn neus snuiten in het water. Hij drukte daarbij zijn neusvleugels beurtelings dicht en zette kracht, zoals wielrenners tijdens bergritten doen. Ik moest me inhouden daar niets van te zeggen maar heb het na ampel beraad toch maar gelaten, want die gast zag er kloek uit en als je de gazetten mag geloven, weet je tegenwoordig maar nooit. Neemt dit soort ongelikte berigheid nu hand over hand toe, of verbeeld ik mij dat maar ? Zit je in het voorportaal van het bejaardentehuis als je de indruk krijgt dat mensen vroeger meer respect voor elkaar hadden ? Omdat ik daar bevreesd voor ben, durf ik het niet al te hardop te zeggen. Maar dan pols je voorzichtig bij anderen, en hoor je hetzelfde verhaal. Of bots je tijdens het zappen op een televisie-uitzending over die Britse vrouw die dertig jaar geleden lerares was. Nu staat ze opnieuw voor de klas, gewapend met een verborgen camera, en klaagt erover dat jongeren zo onhandelbaar zijn geworden : "In vergelijking met vandaag, waren de jaren 1970 de hemel." Een paar dagen eerder zag ik, op de tram, een kreupele kerel die zich kwaad maakte op een meisje dat haar plaats niet aan hem wou afstaan. Verbouwereerd keek ze hem aan. Niet omdat hij boos was, besefte ik plots, maar omdat het zelfs niet in haar was opgekomen voor hem op te staan. Ze wist simpelweg niet waarover die rare kerel het had. Nu ben ik niet zo'n fan van oude heertjes die zich plaatsen toe-eigenen op trams. Ik heb er zo eens een gehad die wou voorkruipen aan de benzinepomp. Toen ik tegenpruttelde, wierp hij op dat hij nog bij de Royal Air Force gediend had. Dat ik het misschien wel aan hem te danken had, zei hij ook nog, dat ik tegenwoordig geen Duits sprak en de Hitlergroet niet bracht. "In dat geval", stamelde ik, en deinsde achteruit. Zo'n schaap was ik, toen. Tegenwoordig zou ik anders reageren. Ik ben mondiger geworden. Een keer te veel ben ik, in het bekende links-rechts links-rechts scenario, bijna tegen iemand aangebotst, heb daarbij gelachen en 'sorry' gezegd, terwijl de ander gewoon doorliep en keek alsof ik een aars- made was. In almaar bredere kringen wordt beleefdheid blijkbaar met zwakheid of onderdanigheid verward. Die opvatting werkt aanstekelijk, want weinig dingen doen je je lulliger voelen dan een deur openhouden waar dan zo'n brutale hansworst doorheen komt gewaggeld, zonder een kik te geven. Op zulke momenten ervaar ik mijn schone manieren, zoals ze vroeger werden genoemd, als een soort last die ik meesleep. Ik verafschuw etiquette, dat rare gedoe met handschoenen en hoeden dat ik ooit nog heb geleerd, en dat precies aanvoelde zoals het klinkt : als een stug etiket met wasvoorschriften in een kledingstuk, dat pijnlijk schuurt in je nek. "Een hoffelijk man trapt niet op de schaduw van zijn medemens", zeggen niettemin de Chinezen. Het is een houding die ik, met mate, betracht. Zoals onlangs, toen ik in een race naar de deur van het postkantoor verwikkeld geraakte met een Indiase man. U kent het vast, die merkwaardige situatie waarbij je allebei onwillekeurig sneller gaat wandelen om toch maar eerst bediend te geraken. Het kan zich ook bij de bakker voordoen, of bij de bankautomaat. Ik heb dat altijd erg gênant gevonden, vooral omdat er niet genoeg op het spel staat om je zo te laten kennen. Als we ons in de gekapseisde Herald of Free Enterprise bevonden, dan ja, dan wou ik nog wel eens iemands hoofd als opstapje gebruiken. Maar toch niet om als eerste bij het loket te zijn. Ik haalde het, maar hield op het laatste moment in, en presenteerde de man met een lichte buiging het deurgat. Wantrouwig keek hij mij aan. Hij aarzelde, wou mij laten voorgaan maar dat kon ik natuurlijk niet toestaan. Toen leek het alsof alle stress opeens van hem afgleed. Hij knikte vriendelijk en later, toen hij met zijn verrichtingen klaar was, schonk hij me nog een glimlach van oor tot oor. Alles samen kostte het mij twee minuten van mijn niet eens zo kostbare tijd. Toen ik op mijn beurt het postkantoor verliet, had ik het gevoel iets gedaan te hebben dat weliswaar weinig moeite had gekost maar toch niet helemaal onbelangrijk was.Jean-Paul Mulders