Vinger op de bel. Gestommel in de gang. Het klikken van een slot. Deur gaat open. Gezicht verschijnt. Vragende blik. "Dag mevrouw. Ik ben Carla Cobbaut van de politiezone Pajottenland." Blik wordt onzeker. "Mag ik even binnenkomen ? Ik heb heel slecht nieuws."
...

Vinger op de bel. Gestommel in de gang. Het klikken van een slot. Deur gaat open. Gezicht verschijnt. Vragende blik. "Dag mevrouw. Ik ben Carla Cobbaut van de politiezone Pajottenland." Blik wordt onzeker. "Mag ik even binnenkomen ? Ik heb heel slecht nieuws." Zo begint het boek van Carla Cobbaut die al twintig jaar werkt als maatschappelijk assistente op de dienst slachtofferbejegening. Zo begint elke opdracht, want het is haar taak om het slechts denkbare nieuws te brengen aan families van slachtoffers van moord, verkeersongelukken en zelfdoding. Elke keer weer : aanbellen, in iemands bange ogen kijken en de verschrikkelijke tijding brengen : "Uw man is dood." Of : "Uw dochter is vermoord." Of : "Uw zoon heeft zich verhangen." Carla Cobbaut : "Wat dat betreft hebben mijn collega's en ik een heel traject afgelegd. Toen ik in 1995 pas was afgestudeerd en door de rijkswacht werd aangeworven, bestond er geen enkele procedure voor slachtofferbejegening. Dat was nog voor het tijdperk Dutroux, en we moesten alles nog zelf uitvinden. In elk Vlaams rijkswachtdistrict - in Veurne, Kortrijk, Brugge, Gent, Antwerpen, Turnhout, Mechelen, Leuven, Asse, Brussel - werd één maatschappelijk assistent belast met slachtofferbejegening. We waren dus met zijn tienen en hadden elk uitsluitend zeer zware dossiers. Ieder van ons had de verantwoordelijkheid voor een groot grondgebied. Ik had bijvoorbeeld het arrondissement Asse, Halle, Vilvoorde, een gebied dat nu vijftien politiezones omvat. Jarenlang waren slechtnieuwsmeldingen zo goed als dagelijkse kost. Geen flauw idee. Honderden, in ieder geval. En het went nooit. Het grijpt je telkens weer bij de keel. Gelukkig is mijn taak minder zwaar geworden dan in het begin. Sinds de politiehervorming werk ik nu in de landelijke politiezone Pajottenland, die bestaat uit zes gemeenten : Bever, Galmaarden, Pepingen, Herne, Lennik en Gooik. Op dat grondgebied waren er in 2013 vier dodelijke verkeersongevallen, drie verdachte overlijdens, zeven zelfdodingen. Nu komen ook minder erge zaken dan sterfgevallen, moord en doodslag en verkeersongelukken met fatale afloop bij mij terecht. We werken nu ook rond opvang van slachtoffers van diefstal met braak, partnergeweld, burenruzies, verkeersongevallen met zwaargekwetsten, aanrandingen, slagen en verwondingen, drugs, familiaal geweld, moeilijk opvoedbare jongeren, drugs. Het is heel belangrijk om meteen de waarheid te vertellen. Geen spanning opbouwen, niet om de pot draaien, meteen to the point. Eerst het feit, dan pas het verhaal. Het heeft geen enkele zin om de boodschap te rekken. Beginnen met : "Eigenlijk heb ik geen goed nieuws. Er is een verkeersongeval gebeurd ter hoogte van het kruispunt zus en zo. Uw man is met zijn wagen tegen een ander voertuig gebotst. Zijn auto is overkop gegaan in brand gevlogen. De ambulanciers hebben nog geprobeerd hem te reanimeren maar helaas..." Dat is dus totaal fout. Dan hoort men niet wat ik zeg, en lok ik nog meer verwarring en verbijstering uit : "Hij is toch niet dood ?" Hoe erg ook, de boodschap moet gebracht : er is iemand dood. Hoe dat gebeurde, is voor de familie natuurlijk belangrijk, maar pas nadat ze hebben gehoord wat ik kwam zeggen. Misschien klinkt het bizar, maar ik focus me nooit op het overlijden zelf, maar op wat ik kan betekenen voor wie dat slechte nieuws te horen krijgt. Je tuimelt binnen op het grootste crisismoment van hun leven : het moment dat de slag uitgedeeld wordt. Ik weet uit ervaring dat mensen op dat ogenblik de pedalen verliezen. Ze worden door zoveel emoties overspoeld op een moment dat ze het meest kwetsbaar zijn. Ze verzeilen plots in procedures die ze niet kennen. Er gebeuren dingen in hun huis waar ze niet op zijn voorbereid en niet om gevraagd hebben, zoals huiszoekingen bijvoorbeeld. Dat weet je nooit van tevoren. Daarom kun je je er ook niet op voorbereiden. Het is totaal onvoorspelbaar of ze zullen gillen, huilen, flauwvallen, instorten, weglopen... Ik had ooit een vader die letterlijk alle serviesgoed uit de kast haalde en het stuk voor stuk op de grond kapot-smeet. En een andere die riep : "Dan is dit ook voor mij het einde !" Ik kon nog maar net beletten dat hij in zijn auto sprong om zich te pletter te gaan rijden. Maar ik heb ook mensen meegemaakt die er heel rustig en kalm mee omgaan, als op automatische piloot. Ik heb een vrouw gekend die in een huisbrand zowat álles verloor : haar partner, haar eigen kind en haar stiefkinderen. Maar ze zei : "Ik moet zo goed mogelijk verder met mijn leven, al is het maar om hen eer te betuigen." Die dame heeft dat afgebrande huis laten afbreken en er op dezelfde plaats een ander gebouwd. Daar woont ze nu met een nieuwe partner, ze heeft het aangedurfd om te investeren in een nieuwe relatie. Uiteraard heeft ze nog dagen van verdriet, wanhoop en ontreddering, maar toch gaat ze dapper door. Ik heb oprecht het grootste ontzag voor wie zo'n zwaar leed moeten dragen. Ik sta vol bewondering voor mensen die overleven en hun kracht terugvinden, ook in de donkerste tunnel. Ik ga telkens met lood in mijn schoenen naar een slechtnieuwsmelding, maar toch doe ik mijn werk graag omdat ik weet wat het kan betekenen voor mensen. Als ik slecht nieuws breng, moet ik afstand nemen, rust uitstralen, praktisch zijn. Niemand is erbij gebaat als ik mee begin te huilen of in paniek raak. Nabestaanden hebben mij op dat ogenblik nodig om hen te informeren, orde te scheppen, hen draaiende te houden. Zelf moet ik kalm blijven en de controle bewaren. Maar dat betekent niet dat het me onverschillig laat of dat ik het niet mee naar huis neem. Hoe ik er zelf mee omga, komt pas achteraf. Als ik weer thuis ben, of op kantoor, of op de begrafenis. Dát zijn momenten dat ik emoties toelaat. Meer dan eens heb ik staan janken op een begrafenis. Maar daar is het mijn opdracht niet meer om de nabestaanden te steunen. Dan steunen zij elkaar. Maar ook maanden later maak ik me nog zorgen om hen en vraag ik me af hoe het met ze gaat. Dat ik niet woon in de politiezone waar ik werk, zorgt ook voor een beetje afstand. Ik zie me echt niet in mijn eigen gemeente 's nachts op pad gaan en ergens gaan aanbellen bij mensen die ik goed ken met zo'n vreselijke tijding. In Vlaanderen zijn er drie per dag, in België zeven. Het op één na hoogste zelfdodingcijfer in Europa. Soms treffen we een lichaam aan, verhangen of in een andere toestand. Als de politie heeft uitgezocht wie die persoon was, dan word ik opgeroepen om de boodschap te brengen van wat zich heeft voorgedaan. Maar vaak is het een familielid dat de overledene vindt. Daar moeten we het slecht nieuws niet meer brengen, want ze weten het al. Daar zorgen we voor de opvang na de schok. Gemiddeld zijn er acht rechtstreekse nabestaanden : partner, ouders, familie in de eerste of tweede graad, zeer close vrienden... Als we kijken naar de ruimere kring, met collega's en buren, breidt die groep zich uit als een inktvlek. Als je dan wéét dat die nabestaanden ook een risicogroep zijn... Dat is de reden waarom ik, naast mijn professioneel werk bij de politie, vrijwillige vormingswerkster ben bij de werkgroep Verder, voor nabestaanden na zelfdoding. En dat zijn er zeer veel. Vorige week heb ik een vorming gegeven aan familiehelpsters. In de groep van 21 deelnemers waren er twaalf die in hun onmiddellijke omgeving of ruimere kennissenkring een zelfdoding hadden meegemaakt. Bij élke vorming die ik geef, in welke bevolkingsgroep ook, zijn er heel veel mensen die in hun familie of vriendenkring, buren of kennissen verloren door zelfdoding. En al die nabestaanden blijven met veel vragen zitten, want veel mensen die zelfmoord plegen, laten geen brief achter. Natuurlijk. Een vrouw wier dochter neergestoken was. Ze heeft dat meisje niet meer mogen zien omdat ze zo lelijk was toegetakeld. Vroeger werden lichamen niet hersteld. Voor een autopsie werd de borstkas geopend en het schedeldak gelicht om onderzoeken te verrichten. Daarna ging het lichaam meteen de lijkzak in en recht naar de begrafenis. In 1998 kwam er een eerste omzendbrief, waarin stond dat men de mogelijkheid moest krijgen om afscheid te nemen van een dierbare, voor of na de autopsie. Nu herstelt de wetsdokter het lichaam, zodat nabestaanden hun dierbare nog kunnen zien : men heeft recht op een waardig afscheid. Het schedeldak gaat er weer op, de borstkas wordt weer dichtgenaaid. Daarna zorgt de begrafenisondernemer voor het verdere opbaren. Een zeer nuttige én noodzakelijke. Voor nabestaanden is het heel belangrijk om te weten wat er gaande is. Weinigen kijken uit naar een autopsie, maar veruit de meesten willen er wel graag de resultaten van krijgen. Ze willen de doodsoorzaak kennen. Ze willen weten of iemand nog pijn heeft gehad of lang heeft geleden. Nu wordt daar niet meer over gelogen. Vroeger wel, om mensen leed en gruwelijke details te besparen. Maar dan gaan ze zelf nare zaken opzoeken op het internet, of hun fantasie gaat met hen op de loop en ze beelden het zich nog erger in. Ook aan kinderen willen we geen leugens vertellen of ze de feiten besparen, want vroeg of laat komen ze het toch te weten. En ook zij moeten de kans krijgen om afscheid te nemen. Vroeger werden kinderen zelfs geweerd op begrafenissen. In Nederland laat men kinderen nu tijdens de uitvaartplechtigheid tekeningen maken, soms rechtsreeks op de doodskist, of soms worden ze erop gekleefd. Het is nog ondenkbaar dat Belgische kinderen er op die actieve manier bij betrokken worden. O ja. We hebben al een hele weg afgelegd, maar we zijn er nog lang niet, er is nog veel werk aan de winkel. Vroeger was het slachtoffer bijzaak, alleen de feitelijkheden telden. Nu is er een veel grotere bekommernis om de impact die feiten hebben op een mens voor de rest van diens leven. Er is veel meer opvang en begeleiding van de slachtoffers. Vroeger werd iemand soms opgebeld met de droge boodschap : "Uw man is dood." Er was geen enkele regelgeving rond. Nu mág slecht nieuws nooit meer telefonisch gemeld worden. Afscheid nemen moet mogelijk zijn, voor of na de autopsie. Nabestaanden moet aangeboden worden om naar de plaats van de feiten te gaan, als ze dat willen. Voor velen is dat belangrijk : de laatste plek bezoeken waar hun familielid in leven was. Voor een aantal nabestaanden is het ook belangrijk om zich een beeld te kunnen vormen van het gebeurde. Terwijl het verhakkelde voertuig er nog staat, met de overledene er nog in... Maar er zijn er even veel die wel willen weten wat er gebeurd is, maar het niet aankunnen om het ook met hun eigen ogen te aanschouwen. Natuurlijk respecteren wij dat : ze krijgen de mogelijkheid, maar we laten ze de keuze. En als ze het willen zien, vertellen wij ze vooraf wat ze te zien zullen krijgen. Ook daar probeer ik me zo goed mogelijk op voor te bereiden. Als het enigszins kan, ga ik eerst zelf ter plaatse kijken. Maar dat is niet altijd mogelijk. Soms heb ik bijna géén informatie. Ik ben ooit ouders moeten gaan vertellen dat hun zoon was omgekomen, tijdens een tocht in het buitenland in een ravijn gestort. Méér wist is niet. Ik kon ze alleen maar vertellen wat de mogelijkheden waren als het lichaam gerepatrieerd werd en hoe ze dan konden worden bijgestaan. We denken op structurele wijze na over wat we voor slachtoffers kunnen doen. We hebben veel politiemannen en -vrouwen opgeleid. Ook leden van spoorweg- en metropolitie, van luchtvaart- en wegpolitie doen vaststellingen van ernstige zaken. Ook zij moeten opgeleid zijn om slecht nieuws te kunnen melden. Maar er is nog altijd geen garantie dat bijvoorbeeld een slachtoffer van een zedendelict in Leuven op dezelfde manier wordt behandeld als in Gent of Mechelen. Dat is dan weer eigen aan ons Belgenland : de versnippering. Sommige korpsen hebben uitgebreide teams van slachtofferbejegening, andere korpsen kiezen voor één persoon in plaats van voor een team. En dat is moeilijk voor de continuïteit. Ik werk bijvoorbeeld in een kleine eenheid, met maar één ploeg op het terrein. Een richtlijn stelt dat slechtnieuwsbrengers best met zijn tweeën zijn, omdat je in een crisissituatie sterker staat dan helemaal alleen. Helaas is die richtlijn niet altijd uitvoerbaar. Vaak kan er maar één persoon aanwezig zijn. Als ik 's nachts in mijn eentje, in burgerkledij, want ik draag geen uniform, voor iemands deur sta, is de situatie heel anders dan voor een politieman met een combi. Dan wéét men meteen dat er iets mis is. Ik moet eerst uitleggen wie ik ben en wat ik kom doen. Bijvoorbeeld een ouderpaar vertellen dat hun dochter kwam te overlijden. De moeder valt flauw, de vader loopt wanhopig en kwaad weg... Hoe pak je dat aan als je alleen bent ? Zulke zaken neem je mee naar huis. Het kruipt echt in je kleren, je legt het niet zomaar naast je neer. Politiemensen hebben een verhoogd risico op problemen als depressie, burn-out, zelfdoding. Daar wordt nog veel nog veel te weinig aandacht aan geschonken, ze krijgen veel te weinig begeleiding. In mijn geval moet mijn man het ontgelden. Ik moet mijn ei kwijt, of het nu overdag is of in het holst van de nacht. Ik heb ook enkele goede collega's met wie ik kan praten. Naar de begrafenis gaan helpt me ook. Dat is voor mij een manier om een zaak af te ronden. Carla Cobbaut, 'Ik ben bang dat ik slecht nieuws heb', uitg. Borgerhoff&Lamberigts, 208 blz., 22,50 euro. Voor een noodgesprek : zelfmoordlijn 1813 Nabestaanden : www.werkgroepverder.be DOOR GRIET SCHRAUWEN & PORTRET CHARLIE DE KEERSMAECKER & ILLUSTRATIE RICHARD WILKINSON"Het went nooit. En het is totaal onvoorspelbaar of men zal gillen, huilen, flauwvallen, instorten, weglopen..." "Weinig mensen kijken uit naar een autopsie, maar de meesten willen wel de doodsoorzaak kennen"