In twee columns the Big Apple in je zak steken, is even onmogelijk als de stad in één dag bezoeken. Toch is dat een theoretische verzoeking die een lezeres mijn New Yorkse tegenhanger ooit heeft voorgelegd. Zo irritant als die vraag lijkt, zo boeiend is de oefening en Jacqueline maakte een lijst van wat ze die ene dag allemaal zou (proberen te) doen. Haar uitputtend traject valt in grote lijnen samen met mijn verlangens, alleen had ik twee zomers terug acht dagen meer om te genieten van mijn zwerftocht.
...

In twee columns the Big Apple in je zak steken, is even onmogelijk als de stad in één dag bezoeken. Toch is dat een theoretische verzoeking die een lezeres mijn New Yorkse tegenhanger ooit heeft voorgelegd. Zo irritant als die vraag lijkt, zo boeiend is de oefening en Jacqueline maakte een lijst van wat ze die ene dag allemaal zou (proberen te) doen. Haar uitputtend traject valt in grote lijnen samen met mijn verlangens, alleen had ik twee zomers terug acht dagen meer om te genieten van mijn zwerftocht. Met yellow cab en metro naar de uithoeken van de stad, maar in het centrum, van Lower Manhattan tot Harlem, doe ik alles te voet. Rondslenteren, nooit meer dan één wijk per dag. Soms heb ik pech: in Brooklyn regent het, maar niets is prachtiger dan een wandeling over Brooklyn Bridge, een kunstwerk van graniet en staaldraad dat de East River overspant. Snuisteren in winkeltjes van Greenwich, vogeltjes kijken in Central Park en een gospeldienst volgen in een Harlemse kerk, voor de warmte van de mensen en ons gezamenlijk heimwee naar Afrika. Dan word ik weer wakker met de Empire State Building voor het raam. Terwijl Serena Williams, Lindsay Davenport een pandoering geeft, is er reclame op tv, lokaal nieuws met politie en misdaad, en om de haverklap weerberichten: rode vlekken, meer dan dertig graden, heet. Die zondagmiddag kijk ik naar schakers in een lommerrijke hoek van Washington Square: het is de straatsport voor studenten, oude mannetjes, toekomstige genieën en beroepsspelers die passanten met gemak een pak dollars ontfutselen. De geruite schaakborden zijn een metafoor voor de stad met haar verticale boulevards en horizontale straten, ze zijn Manhattan in miniatuur. Het plein met de triomfboog maakt wel niet meer de eerbiedwaardige indruk die Henry James haar toedichtte, maar nog altijd is de square geanimeerd. Bij de fontein doe ik waar ik me de voorbije dagen met veel genoegen meermaals in heb geoefend: people-watching, een paar uur naar de mensen kijken die hier leven, wonen en voorbij paraderen. Rond de verfrissende waterstraal zitten tientallen bewoners. Het dagelijks leven open en bloot op straat, met spelende kinderen, burenruzies en taferelen die uit de show van Jerry Springer lijken weggeplukt. Geanimeerd theater, levensecht. Dan schiet me te binnen: hoeveel mensen heb ik deze dagen ontmoet? Een biertje met een Ecuadoraan, een zanger uit Nigeria, taxi met Griek en Marokkaan, een zwarte uit de Bronx met Lauryn Hill op haar T-shirt, een Chinees, een Ethiopische en natuurlijk Italianen in de restaurants, een Malinees in een klerenwinkel, Russen die me vragen een foto te maken op Brooklyn Heights, een Libanees aan de hotelreceptie, Argentijnse muzikanten in Central Park, Oost-Europese joden in Lower East Side, een Kameroense fotograaf die tafels afruimt in een eettent, straatventers uit Roemenië en Congo, een verkoopster uit Bangladesh, een bediende uit Koeweit, een Irakees in de metro, een blinde uit Ierland. Wat ik op m'n reizen door de wereld heb mogen proeven, de veelheid aan mensen en culturen, heb ik in deze ene stad ontmoet. Ik geloof er niet in, maar als er één werelddorp bestaat, is het New York. Natuurlijk koester ik verlangens voor een volgend bezoek. De Bronx staat op mijn lijstje. En Coney Island, mij bekend uit een song van Lou Reed, lange tijd in verval maar nu onder impuls van Russische migranten toe aan een renaissance. Als het dan al open is, staat ook het nieuwe museum over de Native Americans op het programma. En onvermijdelijk ga ik naar Ground Zero dat het epicentrum van New New York zal zijn. Ik zal omhoog kijken naar een lege hemel, want de torens met het uitzicht en de slechtvalk zijn weg, zoals een geamputeerde arm waarin je de zenuwen nog voelt trekken. Daarna zal ik rondslenteren door Battery Park en met de Staten Island Ferry terug naar huis varen, met rechts Liberty Statue en Ellis Island waar miljoenen immigranten in de negentiende en twintigste eeuw passeerden op hun zoektocht naar een betere wereld, en links - onzichtbaar maar ik kan ze ruiken - de zee en haar branding. Natuurlijk zal ik het niet kunnen laten en me omdraaien om nog een laatste keer naar de gekwetste stad te kijken, een stad die als geen andere de soepelheid heeft om overeind te kruipen. Dan is het voorbij en weet ik dat ik terug moet komen, niet ingebeeld zoals in deze twee stukjes maar opnieuw met verwondering, om dat nieuwe maar ook oude New York te (her)ontdekken. Ongetwijfeld zal dan ook dat illusoire verlangen om New Yorker te worden opnieuw ontwaken. Terwijl de ferry aanlegt, verandert mijn tred en wordt de imaginaire reiziger, net zoals Orlando op het eind van de roman van Virginia Woolf, in een nieuwe metamorfose een gedreven journaliste en vullen vanaf volgende week de New Yorkse verhalen van Jacqueline opnieuw deze laatste bladzijde. Mark Gielen vanuit Gent. Jacqueline Goossens is twee weken met vakantie.