Met zijn kunstproject Fiumara d'Arte deed Antonio Presti begin jaren tachtig in het zonnige Sicilië heel wat stof opwaaien. Hij ging ermee recht tegen de maffia in, die toen op het eiland nog openlijk de plak zwaaide. Deze zoon van een steenrijke betonbaron liet Italiaanse en internationale kunstenaars in de opgedroogde rivierbeddingen tussen Messina en Palermo een aantal monumentale kustwerken neerpoten. Onder het motto dat kunst van iedereen en voor iedereen moet zijn, en niet mag worden afgezonderd in galerijen en musea. Een antimonopolistische overtuiging waar vooral de lokale functionarissen (lees maffia) niet echt mee opgezet waren.
...

Met zijn kunstproject Fiumara d'Arte deed Antonio Presti begin jaren tachtig in het zonnige Sicilië heel wat stof opwaaien. Hij ging ermee recht tegen de maffia in, die toen op het eiland nog openlijk de plak zwaaide. Deze zoon van een steenrijke betonbaron liet Italiaanse en internationale kunstenaars in de opgedroogde rivierbeddingen tussen Messina en Palermo een aantal monumentale kustwerken neerpoten. Onder het motto dat kunst van iedereen en voor iedereen moet zijn, en niet mag worden afgezonderd in galerijen en musea. Een antimonopolistische overtuiging waar vooral de lokale functionarissen (lees maffia) niet echt mee opgezet waren. Maar Presti, zelf kunstenaar maar vooral bedreven in het bedenken van sociaal geëngageerde projecten met en rond kunst, liet zijn ambitieuze project niet kelderen. Na twintig jaar - negen monumentale werken en een verblijf in de gevangenis verder - kon hij de lokale autoriteiten overtuigen de strijdbijl te begraven en het geëngageerde project te klasseren als landschapsmuseum, toeristische trekpleister en meerwaarde voor de streek en de gemeenschap. Eerst moest het echter zover komen dat Presti het symbolische Finestra sul mare ('Venster op de zee') van Tano Festa (1989) als aanklacht tegen de aanhoudende boycot liet dichtmetselen. Om het uiteindelijk, nadat het akkoord was gesloten dat de werken eigendom werden van de gemeenschap (en dus ook door hen worden onderhouden), triomfantelijk te heropenen en aan een grondige opknapbeurt te onderwerpen. In 1990 kocht de man een uitgeleefd strandhotelletje in het rustige kustplaatsje Castel di Tusa. Een betonnen bouwsel met een Miamilook, op een boogscheut van de Fiumara. De inrichting van de kamers liet hij over aan diverse kunstenaars, met als enige restrictie dat er plaats moest zijn voor een matras, een functionerende badkamer en een kledingrek. Presti's opzet was om van het Atelier sul Mare een soort museum te maken waarin je ook kunt slapen, zodat je niet alleen mentaal maar ook fysiek de kunst ervaart. Het excentrieke hotel opende met slechts een handvol kunstkamers. Het succes liet echter niet op zich wachten, en artistiek volk van over de ganse wereld vond zijn weg naar Tusa. De anarchistische mecenas haalde massaal de pers. Hij vond er niets beter op dan de inkomhal met de krantenknipsels te behangen. En ondanks zijn grijze haren gaat hij onverminderd door. Eind 2007 opende het hotel twee nieuwe kunstkamers, Hammam (Sislej Xhafa, 2007) en Lunaria (Ute Pyka en Umberto Leone, 2007), die de teller op zestien brengen. Devotione alla belezza ('Gewijd aan de schoonheid') prijkt als metersbrede slogan boven de glazen receptiebalie. Op de achtergrond de schematische figuurtjes van Michele Sciortino, de keramiekkunstenares van het huis. Wie voor een Art Room kiest, krijgt meteen bij aankomst een rondleiding en mag kiezen waar hij de nacht wil doorbrengen. Want naargelang de beschikbaarheid kan zelfs elke nacht van kamer worden gewisseld. Kwestie van zich tijdens het verblijf ten volle onder te dompelen in het kunstbad. De gang zet al meteen de toon : kanariegele muren, groen gelakte deuren, slogans, en enkele rood geschilderde keien op een oude tegelvloer, dat alles tegen een achtergrond met onmiskenbare stijlelementen uit de jaren vijftig. Een smal metalen deurtje brengt ons naar de Stanza del Profeta (1996), een werk van Presti zelf, in samenwerking met poëet Dario Belezza en actrice Adele Cambria. Het is een ode aan Paso-lini. Een smalle donkere gang leidt naar een ruimte waarvan de muren zijn bezet met leem en stro en voorzien van Arabische teksten, een verwijzing naar Jemen, het favoriete land van de cineast. Een kaderloos raam met zicht op zee werkt als een filmscherm waarvoor een oversized bed werd geplaatst. De ene kamer blijkt al wat poëtischer en toegankelijker dan de andere. In de sneeuwwitte Il Nido (1991) van Paolo Icaro staat een oversized ovalen bed als een reuzennest, getooid met een dekbed van lapjes, symbool voor de veren van een vogel. La Torre di Sigismondo (1993) is dan weer een pikzwarte kokerruimte gevuld met een rond, draaiend bed, vanwaaruit men enkel via een mechanisch bediend luik in het dak uitzicht heeft naar buiten. In La Stanza del Mare (Fabrizio Plessi, 1992) kan men zich de ganse nacht via zes televisieschermen laten meedeinen op de branding. Tot de recentere kamers behoren La Stanza dei Portatori d'Acqua (2006), eveneens van Presti, samen met Agnese Purgatorio, Danielle Mitterrand en Cristina Bertelli. Met deze kamer brengt Presti, samen met de Fondation Danielle Mitterrand, een aanklacht tegen het wereldwijd tekort een drinkwater. Dat wordt vertaald in een dubbele kamer met een smalle ruimte beslagen met aluminium en voorzien van zoutblokken, en een andere met gepolierd koper en een vijvertje waarin het zonlicht en de zee zich (letterlijk) oogverblindend weerspiegelen. Tekst en Foto's Kat De Baerdemaeker