Door de vele hommages aan de wereldtentoonstelling van 1958 krijgt Brussel er een belangrijke toeris-tische troef bij : de architectuur uit de fifties. Tot voor kort werd op dit patrimonium neergekeken, maar nu wordt het herontdekt. Destijds stond de welvarende hoofdstad sterk onder Amerikaanse invloed, wat resulteerde in het ontstaan van de typische Expostijl, ook wel Atomiumstijl of Robbedoesstijl genoemd, naar de blitse strip vol moderne architectuur van André Franquin. De nieuwe bouwkunst gaf Brussel net zo'n grondige facelift als de art nouveau, want in iedere straat valt er wel iets van te ontdekken, van een leuke gevelmozaïek tot een heus flatgebouw.
...

Door de vele hommages aan de wereldtentoonstelling van 1958 krijgt Brussel er een belangrijke toeris-tische troef bij : de architectuur uit de fifties. Tot voor kort werd op dit patrimonium neergekeken, maar nu wordt het herontdekt. Destijds stond de welvarende hoofdstad sterk onder Amerikaanse invloed, wat resulteerde in het ontstaan van de typische Expostijl, ook wel Atomiumstijl of Robbedoesstijl genoemd, naar de blitse strip vol moderne architectuur van André Franquin. De nieuwe bouwkunst gaf Brussel net zo'n grondige facelift als de art nouveau, want in iedere straat valt er wel iets van te ontdekken, van een leuke gevelmozaïek tot een heus flatgebouw. Omdat er recentelijk al zoveel geschreven werd over de bekende Expomonumenten, zoals het Atomium, trokken wij op zoek naar de minder bekende gebouwen. Daarover verscheen onlangs de handige architectuurgids Bruxelles '50 '60 van Caroline Berckmans en Pierre Bernard, waarin veel bijzondere gebouwen staan. De auteurs hebben daarvoor de stad een jaar lang straat per straat uitgekamd. Het boek spoort je aan tot een heuse ontdekkingstocht door onbekende wijken. Bij wijze van voorsmaakje vroegen we aan de auteurs wat je zeker niet mag missen. De meeste blikvangers van de fifties bevinden zich in de buitenwijken van de hoofdstad. Maar we vertrekken toch in het oude hart, dat rond 1958 een grondige gedaanteverwisseling onderging. Jammer genoeg werd er toen veel waardevols gesloopt. Wat meteen ook de reden is waarom er zo lang werd neergekeken op de Expostijl, aldus Pierre Bernard. Toch zijn sommige van die moderne gebouwen best een ommetje waard, zoals het Telexgebouw (Keizerinlaan) naast de Sint-Michielskathedraal, eind jaren vijftig ontworpen in pure Corbusierstijl door niemand minder dan Léon Stynen en Paul De Meyer. Veel projectontwikkelaars hoopten toen het centrum plat te gooien voor wolkenkrabbers, zoals de gesloopte Martinitoren uit 1957 en de Hiltonbuilding (Waterloolaan) uit 1963. Maar ook het stervormige Berlaymontcomplex, ontworpen in 1959, is pure fifties, al werd het onlangs grondig gerenoveerd. Van alle torens is volgens Bernard die van de Prévoyance Social (Koningsstraat 151), in 1956 ontworpen door Hugo Van Kuyck, de best bewaarde getuige. Qua structuur vindt hij de Bank Brussel Lambert, nu ING (Marnixlaan 24), minstens zo interessant. Het typisch Amerikaanse kantoorgebouw, in '59 ontworpen door het bureau Skidmore, Owings & Merrill, heeft een bijzondere constructie : de dragende pijlers zitten niet binnenin, maar werden in de gevel verwerkt. En natuurlijk is er ook nog de goed bewaarde maar ongezellige Ravensteingalerij uit 1954, net achter Brussel Centraal. De jaren vijftig waren een gouden tijd voor de betoningenieurs, stelt Pierre Bernard. Al vóór de Expo werd er in Brussel enthousiast geëxperimenteerd met gewapend beton. Voor een schitterende creatie moet je naar het auditorium Paul-Emile Janson van de ULB (Franklin Rooseveltlaan 48), in 1956 ontworpen door Marcel Van Goethem. Het dak van deze buitengewone constructie hangt op aan kabels die steunen op twee betonnen poten. Dit auditorium was geen echt Expogebouw, maar werd wel als conferentiehal gebruikt. Veel gebouwen in fiftiesstijl hebben een elegant, golvend silhouet en zijn licht van constructie. Hout was een veelgebruikt bouwmateriaal. Daarom ontwikkelde de Kortrijkse firma De Coene houten spanten om grote ruimten te overspannen. Van de vele bouwwerken die deze firma op de Expo optrok, blijft het Kortrijkse Dakpannenkantoor in Laken (Atomiumlaan 6), ontworpen door Geo Bontinck, het markantste voorbeeld. De Coene leverde ook spanten voor moderne kerken, zoals de Heiligenborre in Bosvoorde, van Jan Windels uit 1956, en de Sint-Piuskerk (Roosendaelstraat) in Vorst, in 1965 ontworpen door Paul en Marcel Mignot. Met deze spanten werden ook overal in het land geprefabriceerde schoolgebouwen opgetrokken. Een van de best bewaarde staat in Molenbeek (Ninoofsesteenweg 1001), met overhangende luifels en muren van breuksteen. Molenbeek telt trouwens veel gebouwen uit de jaren vijftig, vooral dan in de buitenwijken, in de buurt van de Ring. Brussel kende in die tijd immers een grote uitbreiding, vooral aan de noord- en de westkant. Van Neder-over-Heembeek en Laken, over Jette, Ganshoren, Koekelberg en Sint-Agatha-Berchem, tot Molenbeek en Anderlecht ontdek je hele buurten uit de jaren vijftig die quasi intact bewaard zijn. Rustige wijken waar je tijdens het weekend gemakkelijk kunt fietsen. Je ontdekt er de typische urbanisatie van toen, want alle jonge koppels droomden van een flatje in plaats van een rijhuis. Pierre Bernard raadt aan om een kijkje te gaan nemen in de Prins van Luiklaan in Anderlecht, waar de flatgebouwen versierd zijn met kleurrijke mozaïeken. De architecten toen waren niet bang voor zwierige en bont gekleurde decoraties met glasramen of gevelpanelen. Dat merk je ook in de wijk Moortebeek in Molenbeek, langs de Louis Mettewielaan, waar je zowel een oude fiftiesgarage als een kerk, rijhuizen en prachtige flatgebouwen kunt bewonderen. In Ganshoren ontdekte Pierre Bernard een heuse Robbedoesstraat : de Villegaslaan. Er staan puike gebouwen van een fiftiesarchitect die tot voor kort volkomen onbekend was : Raoul Brunswyck. Omdat hij heel zijn leven in dezelfde wijk heeft gebouwd, ontsnapte hij aan de aandacht van de architectuurcritici. Tussen 1957 en 1963 bouwde hij in Ganshoren veel moderne woningen versierd met mozaïeken, smeedwerk en beeldhouwwerk van Gentenaar Walter De Buck. Pierre Bernard raadt ook een ommetje aan langs de Modelwijk in Laken. Daar werd net naast de terreinen van Expo 58 een volledig nieuwe stad gebouwd met sociale woningen, een ode aan Le Corbusier. Het project stond onder leiding van Renaat Braem en bleef onafgewerkt, want er kwam geen winkelcentrum of kerk. Braem ontwierp de volgens hem 'ideale stad', met onder meer een gescheiden circulatie voor voetgangers en auto's. In Evere, in en rond de Cicerostraat, was een andere volgeling van Le Corbusier aan de slag : architect Willy Van Der Meeren. Voor de huisvestingsmaatschappij Ieder zijn Huis bouwde hij er moderne sociale woningen, met onder andere een schitterend flatgebouw dat nu leeg staat, maar dat ooit wordt gerestaureerd. De destijds onbegrepen Van Der Meeren was een van de voorlopers van de Atomiumstijl. Omdat het de jaren van de auto waren, werd er ook daarvoor heel wat infrastructuur opgetrokken. Aan de Gentse Steenweg in Molenbeek bleef een schitterende Fiatgarage bewaard uit 1962 (op nr. 294) en een Pontiacgarage (op nr. 526) uit 1958. Voorts zijn er ook nog de oude cinema's Mirano (Leuvensesteenweg 38) en Marignan (Leuvensesteenweg 33) in Sint-Joost. In Sint-Lambrechts-Woluwe staat er een mooi zwembad, de Poseidon, uit 1959, ontworpen door Isia Isgour, met imposante glazen vensters en een schuin dak. In Ukkel is er het zwembad Longchamp, in 1965 ontworpen door Charles De Meutter en Jean Koning, in de vorm van een rog. Het is iets jonger, maar fifties van stijl. Van alle fiftiesmonumenten zijn de vil-la's het minst zichtbaar, omdat ze verscholen liggen in het groen. De mooiste staan in Ukkel, waar belangrijke architecten bouwden als Jacques Dupuis, André Jacqmain en Albert Bontridder. Volgens Pierre Bernard kun je ze nog het best gaan bewonderen in de winter, als er geen bladeren aan de bomen hangen. Maar voor een zomerse fiets- of wandeltocht is dit natuurlijk minder aantrekkelijk. Door Piet Swimberghe I Foto's Caroline Berckmans en Pierre Bernard