Een torenhuis dat geplukt lijkt uit een Amsterdamse straat. Wat verderop herenhuizen in Franse stijl.
...

Een torenhuis dat geplukt lijkt uit een Amsterdamse straat. Wat verderop herenhuizen in Franse stijl. Een typerend kontrast voor het "Miljoenenkwartier", dit jaar het onderwerp van de Open Monumentendag in Gent. PIET SWIMBERGHEFOTO'S : JAN VERLINDE Het Miljoenenkwartier net achter het Gentse Sint-Pietersstation, is een monumentenpark uit de Dolle Jaren. Je ontdekt er rond een romantisch stadspark een prachtige verzameling huizen uit het interbellum, gebouwd in amper 15 jaar tijd. Tussen '25 en '40, trok de beau-monde uit de oude stad en liet op het terrein van de Wereldtentoonstelling van 1913 een sjieke wijk optrekken met hoofdstedelijke allures. Getalenteerde architekten ontwierpen de villa's, flats en rijhuizen. De wijk is fascinerend homogeen en toch verscheiden van karakter door de mengelmoes van stijlen. Voor het interbellum is deze buurt wat de Antwerpse Cogels Osylei is voor de belle époque. Dit jaar is het Miljoenenkwartier het onderwerp van de Open Monumentendag in Gent. Via een tentoonstelling met mooie catalogus en verzorgde rondleidingen, leer je de wijk grondig kennen. Je kan tevens het interieur van een pand bezoeken, de woning De Bondt. Wie geregeld de stad via de snelweg binnenrijdt, kent dit huis, want het kreeg een voorname plaats op de Krijgslaan. Het staat pal op een hoek en heeft een stevige, in het oog springende toren. Dat was ook de bedoeling van bouwmeester Joannes Albert De Bondt (1888-1969). De toren werd ondertussen verrijkt met een verguld beeld van Fritz Maierhofer. Ook het hoekige silhouet en de donkerbruine bakstenen huid trekken de aandacht. De woning zou even goed thuishoren in een Amsterdamse straat als hier. De Bondt was niet de enige bouwmeester die hoog opliep met zijn Nederlandse konfraters die toen erg avant-garde waren. Hij keek vooral op naar Willem Dudok die in Hilversum bouwde. Dat blijkt uit de kubistische gevel, de platte daken en de bakstenen die vermoedelijk uit een Nederlandse fabriek komen. De stenen zijn somber, maar sierlijk aangewend. Onderaan de plint liet De Bondt ze vertikaal plaatsen om het serienummer te laten zien. Een ongewoon detail. Zeker voor die tijd, maar architekt De Bondt was een zonderling. Dat merk je nog het best binnen. Het interieur werd met geduld en veel smaak hersteld. Het huis stond er verkommerd bij toen Willem en Miek Vandenkerckhove het enkele jaren terug kochten. Nu runnen ze er een juwelengalerie en vanaf 9 september loopt er de tentoonstelling "Jewels for Architecture" met onder meer werk van Fritz Maierhofer. "Ons komt die speciale architektuur goed uit. Maar niet iedereen was ervoor te vinden. Het pand stond immers twee jaar te koop, " zegt Willem. Ze tonen hun juwelen in de immense traphal, de belangrijkste en meest spectaculaire ruimte van het huis. Hiervoor haalde De Bondt wellicht inspiratie bij de Weense art nouveau. De hal doet denken aan het Brusselse Palais Stoclet van Hoffmann. Centraal staat een forse trap van beige en zwarte marmer, aan de buitenkant betegeld met witte en zwarte strepen. Door de tegels, de ronde nissen en de indirekte verlichting heb je het gevoel in een pakketboot te wandelen. Deze donkere tinten worden opgelicht door okerkleurige wanden. Oorspronkelijk stond de trap vol met beelden van Minne, zodat het wel een kunstgalerie leek. In een nis rest nog een bas-reliëf van Olivier Piette. Ook deze nis is bekleed met bladzilver. Erg mooi en elegant. "Maar daarvan was niets meer zichtbaar toen we hier kwamen, " legt Miek uit. "Het hele huis was spierwit geschilderd. Je voelde meteen dat dit niet klopte met de warme kleuren van het marmer en het vele hout. Dan hebben we gekrast en haalden het originele palet tevoorschijn dat verrassend warm is van tint. Het bladzilver werd overal aangewend om doorgangen en nissen te aksentueren. " Deze dekoratietechniek werd destijds veelvuldig toegepast, maar in de meeste huizen bleef er geen spoor van over. Via een beglaasde deur van smeedijzer kom je in de woonkamer. Helemaal in de hoek vind je een nis, een cosy-corner, in de onderkant van de toren. Dit is altijd een zithoek geweest. Veel van het originele meubilair is bewaard, omdat De Bondt vaste meubels koos. Ze werden gemaakt door de Kortrijkse Kunstwerkstede Gebroeders De Coene. Destijds voerde de vermaarde fabriek van Adolf en Jozef De Coene volledige interieurdekoraties uit. Daarvoor hadden ze schilders, smeden, marmerkappers, glasslijpers, tapijtwevers en een heel bataljon meubelmakers in dienst. Het bedrijf heeft voor en na de eerste wereldoorlog mooie interieurs gerealizeerd. Dat gebeurde in opdracht van architekten of door eigen ontwerpers. De meubels van De Coene zijn degelijk afgewerkt, bij voorkeur met fineerhout en politoer. Miek en Willem lieten alles zorgvuldig herstellen voor de komende Open Monumentendag. In de oude vitrines tonen ze hedendaagse juwelen. De Bondt heeft hier alles van naaldje tot draadje ontworpen. Dat is prachtig, maar het beperkt de vrijheid. In zo'n volledig aangekleed interieur is er nauwelijks plaats voor bijkomende dekoratie. "Daardoor moesten we na de verhuis veel oud meubilair verkopen, want hier paste niets. Hoe langer we hier wonen, hoe meer we ook weghalen, " zegt Willem. Ze lieten alleen een paar zitjes staan van de Studio Linja. Deze eenvoudige, kleurige stoelen zorgen voor een opgewekte noot. Ondertussen wordt de juwelengalerie een bedevaartoord voor architektuurliefhebbers. Miek en Willem Vandekerckhove hebben samen met Norbert Poulain veel gedaan voor de herwaardering van het oeuvre van De Bondt. Poulain speelde als voorzitter van de vereniging Interbellum een belangrijke rol in de bescherming van de buurt. In de wijk ontdek je wel meer huizen met zo'n "Hollandse" façade. Ook het hoekhuis, Onafhankelijkheidslaan 1 is hiervan een prachtig voorbeeld. Vooral de konfrontatie met de herenhuizen in Franse stijl, die rond het Graaf de Smet de Naeyerplein staan is boeiend om te zien. De tegenstelling tussen progressieve en konservatieve architektuur weerspiegelt de mentaliteit van de burgerij. De haute-bourgeoisie koos voor huizen in klassieke Franse stijl. Of voor een pronkhuis van architekt Charles Hoge, een Gentse bouwheer die van een bizarre mengelmoes van stijlen hield. Meer progressieve, liberale burgers deden een beroep op Jean Hebbelynck die een zoetgevooisde art-decostijl verkoos. Wie zijn nek durfde uitsteken, trok naar Geo Bontinck, De Bondt of Gaston Eysselinck. Aanhangers van laatsgenoemde koesterden meestal socialistische sympatieën. Eysselinck was dé modernist bij uitstek. Je vindt zijn eigen woning in een achterafstraat : op de hoek van de Vaderlandstraat. Dit bouwwerk uit 1931 is al helemaal in de stijl van Le Corbusier bedacht, met een donkere sokkel, brede ramen en een dakterras. Wonen, werken en slapen zijn per verdieping gescheiden. Spijtig genoeg is dit zonderlinge huis niet intakt bewaard, maar het is wel een ommetje waard. Wie de boeiende architektuurgeschiedenis van de wijk beter wil leren kennen, verwijzen we naar de puike architektuurgids over het Miljoenenkwartier van Leen Meganck. De rondbogen beheersen het art-deco- interieur van het huis De Bondt. Alle meubilair van de zitkameris origineel. Het komt uit de fabriek De Coene.Het huis De Bondt met zijn hoekige silhouet en de in het oog springende torenis het pronkstuk van de Krijgslaan.Het hele interieur, van de meubels tot en met de verlichting en de glasramen,werd tot in detail door de architekt gekoncipieerd.Het indrukwekkende trappehuis met de voyante tegels was oorspronkelijk versierd met beelden van Minne. Nu is dit de tentoonstellingsruimtevan de juwelengalerie.De buurt weerspiegelt de mentaliteit van de bourgeoisie van toen. Boven : één van de modernste kreaties vanCharles Hoge. Rechts boven : fraaie art-decovilla vanGeo Henderick. Daaronder : woonst in Franse stijl,erg geliefd bij konservatievere rijke burgers.Voor liefhebbers van art deco is de wijk een monumentenpark. Overal staan nog prachtige gebouwen met beeldige hekkens in smeedwerk.In het park van het Miljoenen- kwartier : een prachtig beeldhouw- werk van Aloïs De Beule en Domien Ingels, een restant van deWereldtentoonstelling van 1913.