Na mijn studie aan het Henry Van De Velde Instituut in Antwerpen viel het me op dat architecten weinig of geen oog hebben voor het interieur van een historisch gebouw. Als de gevel mooi is afgewerkt, zijn ze al tevreden", zegt Geert Wisse. "Hou er toch maar rekening mee dat ik meer dan tien jaar geleden ben afgestudeerd, intussen is er wel wat veranderd en krijgen oude interieurs meer aandacht. Als student koos ik behang als onderwerp voor een kleine dissertatie. Al vlug stelde ik vast dat dit in België nooit eerder was bestudeerd, bruikbare informatie was nauwelijks voorhanden. Op mijn zoektocht naar documentatie werkte ik in veel musea, onder meer bij het Kunstpatrimonium in Brussel."
...

Na mijn studie aan het Henry Van De Velde Instituut in Antwerpen viel het me op dat architecten weinig of geen oog hebben voor het interieur van een historisch gebouw. Als de gevel mooi is afgewerkt, zijn ze al tevreden", zegt Geert Wisse. "Hou er toch maar rekening mee dat ik meer dan tien jaar geleden ben afgestudeerd, intussen is er wel wat veranderd en krijgen oude interieurs meer aandacht. Als student koos ik behang als onderwerp voor een kleine dissertatie. Al vlug stelde ik vast dat dit in België nooit eerder was bestudeerd, bruikbare informatie was nauwelijks voorhanden. Op mijn zoektocht naar documentatie werkte ik in veel musea, onder meer bij het Kunstpatrimonium in Brussel." Geert kwam voor zijn onderzoek ook in tientallen oude herenhuizen en kasteeltjes met origineel behangpapier. Zo ontdekte hij dat er eind achttiende eeuw minstens 25 fabrikanten in ons land waren. Zijn studie leidde onder meer tot de interessante tentoonstelling Stemmen uit het behang, die in 1997 plaatsvond in de kantoren van de ASLK in Brussel. Wisse bouwde die expositie op in samenwerking met het Musée du Papier Peint uit Rixheim (Frankrijk), zowat het belangrijkste museum van behang. Stilaan ontpopte Wisse zich tot de specialist van het land. Lang koetserde hij de stille hoop om in ons land een thematisch studiecentrum uit te bouwen. "Ik had al aan een locatie gedacht: de Koninklijke Musea voor Kunst- en Geschiedenis, die bezitten een interessante collectie van behang uit de late negentiende en vroege twintigste eeuw. De verzameling werd lange tijd in zulke erbarmelijke omstandigheden bewaard dat er ooit een deel van weggegooid moest worden. Ik stelde dus voor om de collectie te inventariseren en bestuderen, maar uiteindelijk is er niets van in huis gekomen."Dat studiecentrum kwam er niet, maar Wisse is wel oud behang blijven bestuderen, hij publiceert daarover ook kunsthistorische artikelen. Maar voor Geert Wisse kon het niet bij academisch werk blijven. In 1995 vatte hij het plan op om zelf behang te produceren. Hij wist dat daar vraag naar was. Bij interieurrestauraties wordt soms oud behang gevonden, doorgaans in slechte staat of zeer fragmentair bewaard. Om die ensembles weer tot hun recht te laten komen, moet het originele voorbeeld worden aangevuld of vervangen. "Als er niets voorhanden is, dan kiezen architecten snel voor de klassieke oplossing: effen wit geschilderde muren die proper worden verlicht met een halogeenlamp. Op die manier zijn al veel waardevolle interieurs verknoeid."Al die jaren studie leverde Geert Wisse ook een kleine collectie op van oude meubel- en behangpapieren, voorbeelden die hem in staat stellen de techniek grondig te bestuderen. Geert maakt tot nu toe alleen papier voor restauratieprojecten: reconstructies van historisch behang. Hij begon zijn loopbaan in het statige Hotel D'Hane-Steenhuyse in de Gentse Veldstraat, waar op basis van gevonden fragmenten verscheidene salons opnieuw behangen dienden te worden. Nadien werd hij onder meer betrokken bij de restauratie van het hotel Errera aan de Warande in Brussel. Momenteel werkt hij voor een Berlijns en volgend jaar voor een Amsterdams museum. We merken trouwens dat de museuminrichting opnieuw evolueert naar stijlkamers, in plaats van zalen waarin alle objecten apart, zonder verband, in glazen kasten worden geëxposeerd. Geert Wisse vertrekt meestal van een gevonden fragment. "Soms is dat zo onvolledig dat een deel van de ornamenten moet worden gereconstrueerd, daarvoor kan ik terugvallen op mijn documentatie. Ik kan het ook zelf aanvullen. Het eerste werk is het hermaken van de originele tekening. Dat gebeurt met een potlood. Nee, niet met de computer, die schept een artificiële afstand. Want het gaat erom dat je de opbouw moet begrijpen en dat kun je het best door alles zelf te tekenen. Tekenen en goed kijken, dan pas begrijp je hoe de motieven zijn opgebouwd", legt Wisse uit. Zodra de tekening klaar is, wordt het kleurenpalet bepaald, evenmin een gemakkelijke klus. "Je onderschat altijd hoe kleurrijk alles was. Bij slechte conservatie gaan veel schakeringen verloren, daarom moet ik de beschikbare fragmenten diep genoeg onderzoeken. Om je een idee te geven van de kleurenweelde van vroeger, moet je maar kijken in het boek Authentic Decor van Peter Thornton, dat vol interieurschilderijen staat. Dat werk heeft trouwens mijn interesse voor behangpapier nog extra geprikkeld", zegt Wisse. Ten slotte zeefdrukt hij het behang ook zelf, weliswaar met een moderne techniek. Maar het papier zelf, de drager dus, verschilt niet van de vroegere voorbeelden. "Er wordt niet gedrukt op losse vellen, zoals voor meubelpapieren, ook papiers de tapisserie genoemd. De vellen geschept papier worden aan elkaar gelijmd tot banden van ongeveer tien meter. Het continu drukken met drukcilinders raakte pas in de negentiende eeuw in zwang. Mijn techniek hoort historisch thuis in de tweede helft van de achttiende eeuw", legt Geert Wisse uit. Hetzelfde behang wordt dus in verscheidene keren gedrukt, één drukgang per kleur. De productie ligt uiteraard laag, het is ook niet de bedoeling om tot een massaproduct te komen. Er is meestal net voldoende om dat bewuste vertrek van het project opnieuw te behangen. Op die manier hoopt Geert Wisse zijn steentje bij te dragen tot de monumentenzorg. Hij wordt ook geconsulteerd voor conservatieprojecten. Want in historische panden hangt vaak oud behang dat door de tand des tijds is aangetast. Bij restauraties wordt het al te snel verminkt of verwijderd. "Het kan vaak goed worden gerestaureerd, zeker papier van voor 1840, het zogenaamde lompenpapier. Nadien werd papier van houtpulp gemaakt, dat is dunner en bijzonder broos, toch kan ook dat worden hersteld", verzekert Wisse ons. In het slechtste geval kan men kiezen voor een historisch verantwoorde replica. Terecht roept Geert Wisse alle bouwheren en architecten op zorgzamer om te springen met oud behang. Dat hoeft niet eens zó oud te zijn om kunsthistorische waarde te hebben. Straks is er meer behangpapier beschermd uit de vroege negentiende eeuw dan uit de twintigste. Ook papier bewaren uit de jaren dertig of vijftig heeft zin. Indien het intact en representatief is, kan het met wat verbeelding geïntegreerd worden in een nieuw interieur. Ten slotte wijzen we erop dat oud behang in herenhuizen vaak verscholen zit onder recenter papier. Bij renovaties worden vaak alle lagen ineens verwijderd. Dat is jammer, de onderste lagen bevatten soms pareltjes die relatief makkelijk bloot te leggen zijn. Dat materiaal is zowel interessant voor de bouwhistoricus als voor een binnenhuisarchitect, die kan op basis van zo'n vondst een stijlkamer reconstrueren of opknappen.Piet Swimberghe / Foto's Jan Verlinde