Heel wat mensen zaten te wachten op een koffietafelboek van Mondino; hun (on)geduld is nu eindelijk beloond in de vorm van een erg lijvige, summier vormgegeven uitgave, Déjà vu. Een toepasselijke titel, omdat zowat elk beeld/clipfragment al eerder te zien was in de stijlpers, op een billboard of op de televisie, en omdat de fotograaf zelf geen gelegenheid voorbij laat gaan om zijn eigen werk niet als een solide oeuvre te omschrijven, maar als een serie losse prenten zonder enige eeuwigheidswaarde. De aanleiding om dan toch een overzichtsboek samen te stellen, was het jaar 2000. "Ik had zin in een boek over mijn werk van de jaren '80 en '90", vertelde hij onlangs in een interview met het Franse tijdschrift Photo. "Een boek dat hoort bij de 20ste eeuw, niet bij de 21ste. Ik ben ervan overtuigd dat men binnenkort geen woord meer wil horen over de afgelopen eeuw. Het zal gedaan zijn met eraan te refereren of retrogewijs de modes van toen op te diepen. Dit boek is dus een samenvatting van de voorbije tijden. En tegelijk het omslaan van een bladzijde."

Mondino heeft zelf de selectie gemaakt van de beelden in Déjà vu: oud en meer recent werk, door elkaar heen, zonder uitleg of legendes. Portretten, uittreksels uit modereportages, videostills, platenhoezen, stillevens, reclamefoto's, allemaal schreeuwen ze om aandacht, de ene al kleurrijker en frappanter dan de andere. Déjà vu mag dan als tijdscapsule bedoeld zijn, het heeft meer weg van een indrukwekkend visitekaartje. Voor Mondino's klantenbestand van de afgelopen twintig jaar is meer dan één fichebakje nodig: magazines als Actuel, Max, Têtu, Jalouse, The Face, Vogue, Elle, Dutch, Out en Numéro; modecampagnes voor Dior, Kenzo, Jean-Paul Gaultier, Yves Saint Laurent; reclames voor Schweppes, Kodak en Morgan; cd-covers voor Prince, Björk, Ryuichi Sakamoto; clips voor Madonna (Justify My Love), Neneh Cherry (Manchild) en Sting (Russians). Het celebrity-gehalte in Déjà vu is ook ongemeen hoog, zie de foto's van onder andere Keith Richards, Barry White, Coolio, David Byrne, Janet Jackson, Nelson Mandela, Madonna (alweer) en Vanessa Paradis.

Al deze prenten hebben zonder uitzondering één ding gemeen: ze beklijven hoegenaamd niet. Ze blijven niet hangen, hoewel ze meteen herkenbaar zijn; ze hypnotiseren niet, hoewel ze vaak als agressief, erotisch of prangend bedoeld zijn. Wat van Mondino een weinig interessante fotograaf maakt. Maar zijn waarde ligt elders. Déjà vu laat zich vooral bekijken als een ellenlang maar grondig trendspottingboek, zij het dan van trends die allang weer begraven zijn. Mondino heeft een ongemeen goed oog voor wat leeft in de muzikale, modieuze en grafische subculturen; hij scant en sampelt zonder zich bij een of andere stijlbeweging aan te sluiten, laat staan zich erin te verdiepen. Enkel de meest visuele uiterlijkheden neemt hij over, zo duidelijk dat zelfs de grootste leek niet anders kan dan het allemaal begrijpen.

Op die manier kwijt Mondino zich dus als geen ander van zijn (zelf)opgelegde taak: het grote lezers- en kijkerspubliek informeren over wat er gaande is in de hippe lifestylewereld en uitbeelden waar iedereen de mond van vol heeft, zonder moeilijke dubbele bodems of subtiliteit. In zijn fotostudio wordt grunge dus letterlijk uitgevoerd, met besmeurde en ongelukkig kijkende modellen, in zwart-wit. Fashion-biseksualiteit wordt dan uitgebeeld door twee blote meisjes die elkaar op commando omarmen of twee jongens die wang aan wang in de lens kijken. In een technicolor-modereeks van een paar jaar geleden, handelend over nerd-chic, hebben de mannequins bijgetekende sproeten, kijken ze scheel of dragen ze een bril met te dikke glazen. Een serie naar aanleiding van de Viagra-hetze, indertijd uitgeleend aan het Britse mannenblad Arena, toont een magere tienerjongen in een T-shirt met de naam van het medicijn als opschrift, op zijn knie een opengeslagen seksblad, en een andere jongen in een zwembroek waaruit een rijpe banaan piept. Androgynie is in Mondino-beeldtaal een man-met-sik met een handtas en zwaar opgemaakte ogen of een meisje met scheerschuim op kin en kaak. Meer nog dan het soort identikit-boekwerkjes met titels als (we verzinnen maar wat) Street Style A-Z of Tribes from London, catalogeert Mondino's Déjà vu netjes alle hippe hypes van de afgelopen decennia, al bij al spannender in beeld gebracht dan door minder zwaarwegende concurrenten. Zijn (eenzijdige?) duidelijkheid verklaart aldus zijn immense populariteit.

De reputatie van Mondino wordt vooral in stand gehouden doordat hij zijn prenten constant lardeert met een frisson van seks, rock-'n-roll en controverse. De vette knipoog dus, dezelfde die ook in Pirelli-kalenders of in Tarantino-films zit. Mondino kon zich dus naar hartenlust uitleven midden de jaren negentig toen postmoderne, nouvelle violence-blockbusters als The Usual Suspects, Reservoir Dogs en Natural Born Killers ophef maakten: hele reeksen leverde hij af, vol meisjes met geweren, gangsterline-ups en plassen bloed, zo glossy en tongue-in-cheek gebracht dat het duidelijk om modieuze pastiches ging. Idem dito voor Mondino's seksueel getinte beelden vol clichématige fallusvervangende symbolen. De voorgenoemde banaan wordt meer dan eens uit de fruitmand gelicht en uit orchideeën, zoals die op de hoes van Lovesexy van Prince, priemt altijd een suggestieve stamper, als in een hommage aan of persiflage op Mapplethorpe's bloemenfoto's.

Wanneer Mondino het heeft over schoonheidsidealen en de onvermijdelijke commentaar erop, grijpt hij ook hier liever naar de botte bijl. Algemeen aanvaarde topbeauty's als Shalom Harlow, Nadia Auermann en Kirsten McMenamy krijgen dan met behulp van computermanipulatie haakse littekens en blauwgeslagen ogen toebedeeld. Jongens en meisjes met al dan niet echte piercings en spleetjestanden hebben steeds voorrang. En beugels en zilveren tanden blinken ook meer dan vaak op Mondino-foto's, hoewel geen enkel van die beelden dezelfde impact heeft als de nu wereldberoemde beugelfoto van Jim Britt die Comme des Garçons in '88 als campagneprent gebruikte.

Mondino is wel de enige aangewezen man als hij samenwerkt met gelijkgestemde geesten als Jean-Paul Gaultier, make-upartiest Topolino of design-goeroe Philippe Starck, die, toeval of niet, op alle gebieden even Frans zijn als Mondino zelf. Allemaal delen ze hetzelfde gevoel voor kolderieke humor en jolige absurditeit; allemaal houden ze van theatrale vluchtigheid en herkenbare popculturele referenties. Starck laat zich dus gewillig opvoeren als knuffelbeer met een pruik uit kunstgras en Topolino mag zich uitleven met het verven van clownsgezichten en het beplakken van lichamen met ritsen en studs.

Maar met Gaultier is Mondino het meest verwant, dus verwondert het niet dat ze samen tot de meest in het oog springende resultaten komen. Niet echt grappig, maar wel dolletjes, niet echt dramatisch, maar wel campy, niet echt zinderend, maar wel un peu osé: het universum van Gaultier weet Mondino tot in de puntjes te visualiseren. De reclamefoto voor de Gaultier-schoonheidsproducten voor mannen is er het beste voorbeeld van: drie zeemannen met een wipneus onder de douche, in kittige poses en met een brede, zelfvoldane glimlach, zeepbellen en badschuim, neptatoeages en glimmende flacons. Het is tegelijk een onschadelijke modefoto, een luchtig bodybuildersplaatje, een treffende spotprent en een geairbrushte tienerposter, maar bovenal een uitgedokterd promotiebeeld dat er niet als dusdanig uitziet.

De klant is koning bij Mondino, wat van hem eerder een vermomde pr-man maakt dan een rebelse fotograaf; verkopen is zijn grootste forte, maar het publiek krijgt nooit de indruk erin geluisd te worden. Déjà vu bewijst sluitend dat hapslikfotografie ook een serieus metier is dat lang niet aan iedereen gegeven is. "Ik heb niet zoiets als een portfolio, want dat heeft iets artistiekerigs", zegt hij zelf. "Ik ben namelijk geen artiest."

Mondino, Déjà vu. Schirmer/Mosel. Richtprijs: 4650 fr.

Peter De Potter / Foto's Mondino