De meubels van Jules Wabbes (1919-1974) zijn niet voyant, maar eenmaal je ze hebt bewonderd vergeet je ze nooit, want ze zijn elegant en heel herkenbaar. Zo moet de man vermoedelijk zelf ook een beetje zijn geweest, want hij was geen avant-gardist pur sang, maar een ongewone persoonlijkheid die zich onderscheidde van veel andere architecten en designers uit zijn generatie.
...

De meubels van Jules Wabbes (1919-1974) zijn niet voyant, maar eenmaal je ze hebt bewonderd vergeet je ze nooit, want ze zijn elegant en heel herkenbaar. Zo moet de man vermoedelijk zelf ook een beetje zijn geweest, want hij was geen avant-gardist pur sang, maar een ongewone persoonlijkheid die zich onderscheidde van veel andere architecten en designers uit zijn generatie. De in de Brusselse gemeente Sint-Gillis geboren Jules Wabbes was een telg uit een Mechelse familie. Zijn peetoom, pastoor Philip Wabbes, kende als kunstverzamelaar tal van schilders. Hij gaf de jonge Jules zijn eerste culturele vorming. En als snel geraakte de jongeling ook gefascineerd door de natuur. Hij hield enorm van dieren en kweekte zelfs papegaaien, toekans en een neusbeer uit Brazilië. Daarnaast verzamelde hij gesteenten, fossielen en schelpen. Hij hield ervan deze natuurlijke materialen te bewonderen en te betasten. Iets wat hem later van pas kwam toen hij meubels ontwierp, want hij onderscheidde zich door prachtige houtsoorten te gebruiken met ingewikkelde vergaringen. Maar voor de jonge Wabbes zich tot designer ontpopte, legde hij al een flinke weg af. Zo vertoefde hij nog een tijdje in de theaterwereld. Tijdens de oorlog kwam hij in contact met een Brussels toneelgezelschap, stond even zelf op de scène, en leerde via de acteurs tal van intellectuelen en kunstenaars kennen, zoals de actrice en muzikante Louise Carrey. Een belangrijke ontmoeting, want ze zouden jaren samenwerken : in 1943 openden de twee een antiekzaakje aan de Charleroisteenweg in Brussel. Hij zocht porselein, kristal, glas, antieke horloges en scheepsmodellen uit, die zij verkocht. Van in zijn jeugd had hij immers al een neus voor oudheden ontwikkeld, toen hij als kind naar de vlooienmarkt trok. Wabbes geraakte gefascineerd door oude labo- en bureaumeubels op een moment dat niemand daar oog voor had. Om dergelijk meubilair op te frissen richtte hij een restauratieatelier op, waar hij leerde werken met hout en metaal. Dat kwam goed uit, want de klanten van de antiekzaak vroegen nu ook om hun interieur in te richten. Wabbes begon meubels te maken, aanvankelijk alleen met recuperatiemateriaal. Kunstschilder George Carrey, de man van Louise, moedigde hem aan om in een hedendaagse stijl te ontwerpen. In 1948 ontwierp hij voor minister Paul De Groote, een vriend van Carrey, een massieve mahoniehouten tafel die na verloop van tijd barstte. Maar Wabbes vond een oplossing. Hij bouwde een nieuwe tafel waarvan het blad werd opgebouwd uit aan elkaar gelijmde plankjes, zoals een parketvloer. Een procedé dat hij heel zijn oeuvre door heeft gebruikt. Het is natuurlijk een eeuwenoude techniek, maar op deze wijze aangewend oogt hij wel modern. Ondertussen nam de interieurinrichting een snelle vaart. Hij mocht woningen en kantoren inrichten, en ging ook lampen ontwerpen. In 1950 richtte hij in de Brusselse Boomkwekerijstraat een studiebureau op voor architectuur en industrieel design. Er kwam interessant volk over de vloer : kunstenaars, architecten, acteurs, regisseurs en zelfs lui uit de mode. Wabbes geraakte bevriend met mensen als Serge Vandercam, Bram Bogart, Pierre Alechinsky, Olivier Strebelle, Michel Olyff en Reinhoud d'Haese. De jaren vijftig betekenden zijn doorbraak als interieurdesigner. In '51 ging hij samenwerken met de jonge architect André Jacqmain, later een van onze belangrijkste naoorlogse bouwmeesters. Bijna tien jaar zouden ze vennoten blijven. Wabbes nam ook deel aan internationale tentoonstellingen in Milaan (de Triënnale), Toronto, New York en Brussel, waar hij verschillende onderscheidingen kreeg. Heel belangrijk waren zijn reizen naar de States, waar hij onder de indruk kwam van de natuur en de architectuur. Hij bezocht woningen en kantoren, zoals The Glass House van Philip Johnson in New Canaan. In New York ontmoette hij designers als Raymond Loewy en Edward J. Wormley, met wie hij ging samenwerken. Hij ontdekte er ook het oeuvre van Frank Lloyd Wright, die net als Wabbes design en natuur combineerde. Deze bagage kwam hem goed van pas : Wabbes begon ook hier de moderne Amerikaanse interieurstijl voor woningen en kantoren te introduceren, wat zijn samenwerking met André Jacqmain verrijkte. In 1954 werd Wabbes de industriële designer van Sabena, waardoor hij een aantal vliegtuigtypes mocht inrichten. En in datzelfde jaar kregen hij en Jacqmain de belangrijke opdracht om een groot administratief gebouw op te trekken voor de verzekeringsmaatschappij Foncolin. Het intussen gesloopte pand was een van de eerste realisaties met een dragende gevel van geprefabriceerde betonnen vensters. Wabbes vatte het interieur op als een Amerikaans kantoor met verplaatsbare wanden. Het meubilair dat hij voor deze plek ontwierp, werd de basis van zijn gehele meubelcollectie. De kenmerken ervan zijn simpel samen te vatten. Het houten blad van elke tafel of bureau is zelfdragend en opgebouwd uit verlijmde latten. Voor de bibliotheekkasten werden ook de hoekverbindingen op deze wijze verlijmd. Dit zorgt voor een extra esthetisch detail, want op die manier worden de kopse kanten van het hout zichtbaar. Sommige boekenkasten kregen een rug van witte formica. De bladen van de bureaus rusten op een metalen onderstel met ladeblokken. De constructie met horizontale en verticale steunen is steeds zichtbaar, zoals bij het jaren-twintigmeubilair van Gerrit Rietveld. Ook Frank Lloyd Wright wendde dergelijke constructies aan in zijn architectuur. De meubels van Wabbes hebben dus een uitgesproken architectonische opbouw. De ontwerper koos voor nobele materialen zoals wengéhout. Van de laden zijn de verbindingen met zwaluwstaarten duidelijk zichtbaar. De metalen poten zijn van mat vernikkeld staal. Hij bedacht modules waarmee hij een uitgebreide gamma aan meubels kon bouwen, van vergadertafels tot bureaus voor typisten. Ondertussen stroomden de projecten binnen, ook voor het buitenland. Op de wereldtentoonstelling van 1958 mocht hij samen met Jacqmain het Internationaal Paleis der Wetenschap inrichten. In 1960 gingen de wegen van beide ontwerpers uit elkaar, Wabbes legde zich meer toe op zijn meubelbedrijf Le Mobilier Universel, gesticht in 1957, dat furore maakte. Eind jaren zestig werkten de twee wel nog eens samen voor de inrichting van de hoofdzetel van Glaverbel, een van dé belangrijkste gebouwen uit die tijd. En in 1968 vroeg Jacqmain aan Wabbes om het restaurant van het Belgische paviljoen op de wereldtentoonstelling van Osaka aan te kleden, waarvoor hij onder meer een grote zeshoekige aluminium luchter ontwierp. Vanaf 1972 werkte hij voor de universiteit van Louvain-la-Neuve, onder andere aan de inrichting van de bibliotheek voor de wetenschappen. De jaren zestig betekenden zijn commerciële doorbraak, Le Mobilier Universel kreeg steeds meer bestellingen. Het is onmogelijk om na te gaan hoeveel meubels het bedrijf ooit heeft gemaakt, daarvoor zijn de archieven te onvolledig bewaard. Hoewel de meeste stukken bestemd waren voor de Belgische markt, kreeg hij toch ook opdrachten uit het buitenland. In 1959 ontving zijn bedrijf bijvoorbeeld een grote bestelling van de Amerikaanse overheid om de nieuwe door Marcel Breuer opgetrokken ambassade in Den Haag te stofferen. Le Mobilier Universel diende daarvoor meubels te vervaardigen die door Edward Wormley waren ontworpen. Uit die samenwerking groeiden weer andere opdrachten, zoals voor de Amerikaanse ambassades van Rabat en Dakar. En ook met Wormley ging Wabbes nauw samenwerken. Hij schoot goed op met de Amerikaan, die net als hij een fanatieke verzamelaar van ongewone objecten en oudheden was. Wabbes legde zich in de eerste plaats toe op kantoormeubilair, maar leidde uit deze collectie ook meubels en objecten af voor woningen. Zijn gamma omvatte tafels, bureaus, bibliotheken, opbergmeubels, lampen en zitmeubilair. In de loop van de jaren verfijnde hij de afwerking : de tafels kregen sierlijke poten van donker staal, het houtparket werd gecombineerd met vlakken van zwarte en witte kunststof. De glijders van de laden zijn van verchroomd staal en de handvatten van argentaan. Daarop staat trouwens meestal de naam van de ontwerper. Met dergelijke meubels werd hij op de Triënnale van Milaan bekroond in 1957. En in 1960 werd hij er gelauwerd voor een collectie schoolmeubilair van plywood, die niet in productie kwam. Want hoewel de meubels een voorbeeld zijn van industrieel design, kwam er door de hoge graad van verfijning veel handwerk kijken. Toen hij meer woningen ging inrichten, ontwierp hij ook bedden, deurknoppen, handdoekhangers, zeephouders en zelfs haardijzers. Voor de productie van metalen voorwerpen stichtte hij in 1969 overigens een aparte maatschappij, de Général Décoration. Net als andere ontwerpers, zoals Jean Prouvé, kampte ook Wabbes na verloop van tijd met problemen met zijn productiemaatschappijen. Vanaf het midden van de jaren zestig werd hij zelfs stilaan uit het bestuur geweerd van Le Mobilier Universel, waarop hij een beroep deed op andere producenten, zoals het meubelbedrijf De Coene uit Kortrijk. Na zijn dood in 1974 werden zijn meubels nog een tijd geproduceerd door Le Mobilier Universel en daarna door de firma Bergwood. De stijl van de woningen die hij in de jaren zestig inrichtte, was dan wel vrij modern, maar toch eerder burgerlijk dan baanbrekend. Hij verkoos een combinatie van ruwe en strakke wanden, van ongepleisterde baksteen en meubelplaat. Zijn kleurpalet was vrij donker. Hij gebruikte amper wit, maar wel eierschaal en veel bruine en grijze tinten. De vloeren waren steeds van natuursteen. Zijn geliefkoosde houtsoorten waren teak, wengé en mutenyé. Hij combineerde zijn eigen meubels met die van Ludwig Mies Van Der Rohe, Gio Ponti en Edward Wormley. De ruimtes waren multifunctioneel opgevat, met bijvoorbeeld een zithoek gecombineerd met een bureau of eethoek. Veel van zijn interieurensembles werden later grondig verbouwd, maar hier en daar is er toch een woning bewaard. Kantoren zijn er amper nog, omdat het meubilair er in de jaren negentig meestal grondig werd aangepast door de komst van de computer. Dat was net het moment waarop Wabbes werd herontdekt door designantiquairs. Eerst de kantoormeubels, daarna de zitmeubels, tafels en ten slotte ook de lampen. De handelaren zorgden voor een flinke herwaardering, ook op de buitenlandse markt. Het boek dat in 2002 verscheen over Wabbes, geschreven door zijn dochter Marie, heeft de belangstelling nog aangewakkerd. Tegenwoordig is de vraag naar zijn creaties groot en liggen de prijzen hoog, al is de kwaliteit navenant. Voor de meubels of lampen wordt er al snel een paar duizend euro neergeteld. Eigenlijk zijn meubels van Wabbes nooit goedkoop geweest. Zijn ontwerpen worden vooralsnog niet op-nieuw geproduceerd. Misschien komt daar ooit verandering in, maar vermoedelijk schrikken de producenten terug voor de fijne en complexe afwerking. 'Jules Wabbes, 1919-1974', door Marie Ferran-Wabbes, 2002, La renaissance du livre, ISBN 90-5066-200-5Door Piet Swimberghe