De meest individuele, en internationaal geroemde Belgische ontwerpers hebben Antwerpen als uitvalsbasis, en daarin speelt de modeacademie een doorslaggevende rol. De Zes van Antwerpen, maar ook designers als Lieve Van Gorp, Jurgi Persoons, Anna Heylen, Véronique Branquino, Wim Neels, Anne-Sophie de Campos-Resend'S en Christoph Broich: allemaal ex-studenten die het mooie weer maken in modeland, naast geografisch-uitgeweken academiekinderen als Martin Margiela, Josephus Thimister en Kaat Tilley. Hun reputatie vijzelde sinds de jaren '80 het profiel van de prestigieuze modeschool op; de instelling wordt beschouwd als broeinest van talent en catalysator van de modeactualiteit.

"Voor de buitenwereld is de academie vaak het enige aanknopingspunt", vertelt Linda Loppa. "Dus belt of faxt iedereen die iets met de Antwerpse of Belgische mode wil doen, hierheen. En ik kan je verzekeren, dat is een hele stroom: bedrijven, ook van over de landsgrenzen, die ons contacteren of interessante aanbiedingen doen, verenigingen die rond mode willen werken, voorstellen voor stages voor afgestudeerden, jongeren uit het buitenland die willen weten wat zich hier afspeelt, studenten die een thesis schrijven rond het modefenomeen... Deze school heeft maar een beperkt aantal leerkrachten en medewerkers; om al die binnenkomende berichten op een fatsoenlijke manier te behandelen, komen we handen tekort. We voelden het al een hele tijd aan: er is behoefte aan een serieus modemanagement. Veel mensen, en zeker niet alleen wij, hebben de laatste vijftien jaar hard gewerkt om de Belgische mode te promoten. Als er niet snel een structuur komt om dat alles in banen te leiden, dan is al die inspanning misschien voor niets geweest, zo dachten we."

Zo'n twee jaar geleden werd Linda Loppa benaderd door Annick Bogaert van het Strategisch Plan Antwerpen. "Daar zat men met een probleem: de stad wordt overspoeld door modetoeristen, en men kan hen niets concreets aanbieden, een museum of zo. We hebben toen de koppen bij elkaar gestoken. Eén ding stond vast: al die zaken konden we niet vanuit de modeacademie regelen. Onze taak is lesgeven. Vandaar het idee van het Flanders Fashion Institute: een overkoepelend lichaam dat zich kan bezighouden met dergelijke promotionele en organisatorische gegevens. Samen hebben we een lijvig dossier opgesteld waarin we de problematiek hebben aangekaart en een reeks voorstellen hebben geformuleerd. Door die samenwerking met het Strategisch Plan Antwerpen hebben we ons ook kandidaat gesteld voor het Cultureel Ambassadeurschap, want dat bleek te kunnen. We wisten niet dat we ons daarvoor moesten inschrijven! Samen met Patrick De Muynck, die hier lesgeeft, en Geert Bruloot, eigenaar van de winkel Louis en al sinds tijden een voorvechter van de Belgische mode, werd een vzw opgericht, die we Mode Antwerpen hebben gedoopt. In mei vorig jaar hebben we de titel van Cultureel Ambassadeur voor Vlaanderen 1997 gekregen uit handen van de Minister van cultuur Luc Martens en minister-president van de Vlaamse Gemeenschap Luc Van den Brande. Daarmee was het initiatief en de oprichting van het FFI bezegeld.

We beschouwen die vzw, waar ondertussen ook journaliste Gerdi Esch inzit, als een kleine cel binnen het grote geheel. Een voorlopige ruggengraat, een kern die alles in beweging houdt maar mettertijd misschien kan verdwijnen. Ondertussen is het FFI door het Antwerpse stadsbestuur ondergebracht bij een grootschalig project ter promotie van deze stad. In die context kan je het FFI een hefboomproject noemen. Schepen Hugo Schiltz heeft ons al een gebouw toegewezen, in de Drukkerijstraat in Antwerpen, om het instituut te herbergen, wat natuurlijk een geweldige start is. Er is een pand voorhanden én geld voor de restauratie ervan. Misschien, maar dat zijn nog vage plannen, kunnen we daar meteen ook de modeschool in onder brengen.

Je moet weten, de modeafdeling heeft een paar jaar geleden even op springen gestaan. De modeopleiding werd hervormd naar hogeschoolniveau, er moesten mensen afgedankt worden, en tot overmaat van ramp konden we niet langer onze vroegere klaslokalen gebruiken want die waren aan zeer dringende renovatie toe. We zijn toen met z'n allen op straat gekomen en hebben alarm-persconferenties gegeven om een oplossing te zoeken. Nu zitten we met onze studenten gehuisvest, voorlopig dan toch, in een kantoorgebouw, weg van de Kunstacademie. Jammer eigenlijk, want vroeger zaten we midden de beeldhouw-, grafiek- en schildersafdelingen en die binding zijn we nu kwijt. Maar we redden ons prima.

Je ziet het, het vraagt een hele organisatie om een evenwichtige structuur op te bouwen. Dat vraagt veel tijd en overleg. Maar het komt er, dat staat vast. Iedereen verlangt naar een frisse wind."

Samen met Linda Loppa overlopen we het lijstje doelstellingen van het Flanders Fashion Institute. Bovenaan staat: de internationale promotie van de Vlaamse cultuur. "Dat doen we al jaren", legt ze uit. "Maar het kan beter. We willen catalogi uitbrengen, of een tijdschriftje. En het mag niet enkel lokaal blijven. We zien het als een wisselwerking: men komt van het buitenland naar ons toe, en omgekeerd willen we ook over de landsgrenzen kijken. We hebben echt behoefte aan een degelijke databank, een archief. Een voorbeeld: er zijn genoeg mensen die zich bezighouden met het conserveren van oude(re) kledingstukken, maar waar kan je typische outfits van de jaren '80 bekijken? Ik zeg maar iets: een minder recent silhouet van Dries Van Noten of van Ann Demeulemeester. En het gaat niet alleen om kleren; we willen ook video's, foto's, uitnodigingen of andere items van onze ontwerpers verzamelen, zelfs van de allerjongste, om een soort bibliotheek aan te leggen. Wees gerust, ze willen allemaal meewerken".

Verder in het rijtje staat: het actief steunen van de jonge generatie modeontwerpers. "Het is niet de bedoeling ons te bemoeien met hun interne structuur. Maar als we kunnen helpen, dan willen we dat doen. Contacten met fabrikanten leggen bijvoorbeeld of helpen bij het opzetten van een defilé. Ook promotiewerk: het valt ons op dat sommigen in Parijs nog steeds niet op de hoogte zijn van het bestaan van onze beginnende ontwerpers. Onze steun kan ook andere vormen aannemen: ik denk aan workshops, of ontmoetingen regelen tussen kunstenaars, schrijvers en designers."

Het FFI wil zich ook toeleggen op het organiseren van tentoonstellingen, maar dan wel, volgens Loppa, "boeiende, vooruitziende expo's, niet zomaar kleren in een glazen kast." Verder moet de economische sector meer bij de modescène betrokken worden en wil men een herwaardering voor verlorengaande ambachten als borduren, drapage en het maken van schoenen. "Veel jonge ontwerpers zitten bij dezelfde fabrikanten in België", aldus Linda Loppa. "Dat roept bij ons de vraag op: moeten er niet meer van die bedrijven komen? En zoals ik eerder vertelde, zijn er veel bedrijven die zich willen associëren met de Belgische mode, uit Italië of uit Engeland. Zoiets regel je niet vanuit het staatsonderwijs. Een ander punt is dat er hier en daar een klein fabriekje over kop dreigt te gaan, veelal gespecialiseerd in interessante ambachten. Het maken van handschoenen bijvoorbeeld. Dat mag niet verloren gaan."

Tenslotte: heeft ze een uitleg waarom Antwerpen door zowat iedereen als de alternatieve modemetropool wordt gezien? "Tja, ik vraag het me soms ook af. Een sluitende verklaring kan ik niet geven. Hier is een zekere rust, humor ook. Antwerpen is een internationaal dorp waarin iedereen z'n ding doet op hoog niveau. Ik hoor het soms van de Japanners die hier op bezoek komen. De meesten zijn ervan overtuigd dat ze hier kunnen aarden. In Japan vinden ze hun draai niet, vertellen ze me. Te competitief en te groot. Hier is dat anders: je stapt in je wagen en tien minuten later sta je al bij een tricotfabrikant."

Peter De Potter / Foto Lieve Blancquaert