Hij leerde de Engelsen wat smaak is, en is de enige icoon van de jaren zestig die dat in de jaren negentig opnieuw werd. De perfecte wereld van Habitat-oprichter en toprestaurateur Terence Conran : ?Ik ben de Armani van het meubilair.?
...

Hij leerde de Engelsen wat smaak is, en is de enige icoon van de jaren zestig die dat in de jaren negentig opnieuw werd. De perfecte wereld van Habitat-oprichter en toprestaurateur Terence Conran : ?Ik ben de Armani van het meubilair.?Annejet van der Zijl / Foto Lord Snowdon Ooit was Butler's Warf een slordig stukje haventerrein aan de zuidoever van de Theems, waar rauwe cockneystemmen uitschreeuwden boven de herrie van kranen en machines, ratten wegdoken in de hoeken van de pakhuizen, en schepen de stank en het vuil van alle wereldzeeën met zich hadden meegebracht. Nu ruikt het er naar versgebakken brood en liggen knoflookbollen smaakvol gerangschikt in de vensterbanken van de tot smetteloosheid gerestaureerde pakhuizen. Af en toe komt een glanzende auto aanglijden : een vroege lunchganger voor een van de restaurants, waar fotogeniek personeel druk doende is de ambiance nog verder te perfectioneren. Voor het Design Museum koesteren goedgeklede blanke mensen zich in de ochtendzon. Er is een winkeltje waar je veel te dure thee en olijfolie kunt kopen, spullen die er thuis nooit zo luxueus uitzien als hier, waar alles op elkaar is afgestemd. Dit is Conran-country : het resultaat van iemands levenslange obsessie voor hoe dingen eruitzien. De wereldberoemde ontwerper zelf zit achter zijn werktafel in het midden van in Butler's Warf gelegen hoofdkantoor. Boven zijn hoofd weet Terence Conran zijn veelvuldig in interieurtijdschriften afgebeelde appartement en zijn bijna dertig jaar jongere vriendin, de zoveelste in de rij schoonheden met wie hij zijn leven deelde. Er verdrongen zich altijd vrouwen rond de veelvoudig miljonair, recentelijk door Vanity Fair uitgeroepen tot de enige die een bepalende rol speelde in zowel het Swinging London van de jaren zestig als in de huidige revival van de Britse hoofdstad. Hij is zelfs geridderd : Sir Style noemen ze hem nu. Het is moeilijk om in deze gezette, wat moe ogende man de Terence Conran te ontdekken zoals hij op zwart-witfoto's uit de jaren zestig is vastgelegd : broodmager, en haast ontroerend mooi. Er zijn mensen die zeggen dat het deze toevallige schoonheid was die hem destijds tot de populairste ontwerper van de Sixties maakte. Want echt getalenteerd was hij niet : kent iemand een klassiek Conran-ontwerp ? Maar dit zou een te makkelijke conclusie zijn. Misschien had Terence Conran wel niet zoveel authentiek talent, maar wat hij wel had was Het Oog. Letterlijk door een ongeluk in zijn jeugd kan hij maar met één oog zien maar vooral figuurlijk. Zoals een van zijn collega's ooit vertelde, kan je Terence in een enorme hal vol troep zetten en hij pikt feilloos het enige smaakvolle object eruit. Waarschijnlijk had hij dit talent van zijn moeder, die van goede doch verarmde huize was. Nouveau pauvre, zoals hij het ietwat spottend noemt. Zelf was de in 1933 geboren Terence een verlegen, eenzelvig en niet al te studieus kind, dat in Surrey, waar hij opgroeide, liever vlinders verzamelde dan met leeftijdgenootjes te spelen. Uiteindelijk besloot hij pottenbakker te worden. Op de Londense Central School for Arts and Crafts deed hij zijn liefde op voor de helderheid van Bauhaus en de Scandinavische ontwerpen ; op reis in Frankrijk raakte hij in de greep van het bourgondische leven van de campagne.Maar voor beide liefdes was in de naoorlogse Engelse stijlwoestijn weinig plaats. ?Het was ongelofelijk grijs, morsig en deprimerend?, zegt hij. ?Er was niets in de winkels en wat er was, was lelijk. Mensen kochten wat hun ouders ook hadden.? Vanzelfsprekend was geen mens geïnteresseerd in Conrans (nu nogal gedateerd aandoende) ontwerpen, dus besloot hij, in navolging van vrienden als Mary Quant en Biba, zijn eigen winkel te openen. In dit Ikea-tijdperk is het nauwelijks voor te stellen wat een revolutie die eerste Habitat-winkel in 1964 betekende. Al snel verdrongen popsterren, trendy royalty en hippe chics zich rond de winkel in Fullham Road, waar voor het eerst in de Britse winkelgeschiedenis achtergrondmuziek werd gedraaid en je zelf de spullen uit de schappen kon halen. Maar het waren niet Conrans eigen ontwerpen die zo massaal aansloegen, het waren de Franse pannen, de Scandinavische dekbedden, de zelfmaakmeubels en andere producten die hij deels importeerde, deels onbekommerd stal van anderen en onder zijn eigen naam op de markt bracht. Naarmate Habitat uitgroeide tot een honderden winkels tellende, internationaal opererende keten, verloor het zijn revolutionaire karakter uit de beginperiode. Niet doordat de winkel veranderde, maar doordat zoveel mededingers (zoals Ikea) zich op dezelfde markt gingen manifesteren. Ook Terence verloor zijn revolutionair elan. Hij groeide letterlijk en figuurlijk mee met Habitat. Al snel was zijn ontwerpbedrijf een van de grootste van Europa, en ontwierp hij kantoren, huisstijlen en winkelinrichtingen overal ter wereld, onder meer voor Metz, de Bijenkorf en de Hema. Zijn bij zijn eigen uitgeverij verschenen boeken, met name The House Book uit 1974, werden klassiekers. En terwijl de conranisering van de wereld onstuitbaar voortging, werd Conran zelf vooral heel erg rijk. ?Maar het ging me niet zozeer om commercieel succes?, zegt hij. ?Mijn basisfilosofie is dat met aandacht ontworpen spullen het leven extra kwaliteit geven. Volgens mij hebben mensen geen inherent slechte smaak. Hun smaak wordt gevormd door wat hun wordt aangeboden en een goed, redelijk geprijsd ontwerp zal dus gekocht worden.? Was het inderdaad deze zendingsgeest, of was het simpelweg geldingsdrang die hem er in de jaren tachtig toe dreef het ene na het andere bedrijf over te nemen ? Of was hij gewoon aangestoken door zijn liefdesrelatie met de toen nogal megalomane tijdgeest ? In ieder geval kon Conran zich in 1986 president-directeur noemen van Storehouse, een conglomeraat met ruim 33.000 werknemers, waarvan Habitat en de exclusievere Conran Shop nog maar bescheiden partjes waren. Rond deze tijd kocht hij Butler's Warf, waarvan het door hem geïnitieerde Design Museum het showpiece zou worden. Maar nu hij zich in toenemende mate op de gewone man richtte, bleek die helemaal niet te zitten wachten op Conrans intellectuele principes. En zelf kon hij zo'n grote onderneming eigenlijk niet aan. Hij had Habitat groot gemaakt door zijn perfectionisme, zijn charme en zijn vermogen andere mensen te inspireren en hard voor zich te laten werken. Nu kreeg de winkel de veelzeggende bijnaam Shabitat, naar shabby, armoedig. Ook de voorheen hechte Conran-kliek begon barsten te vertonen. Een secretaresse beklaagde zich dat hij haar de bloemen die op haar bureau stonden in het gezicht had gegooid omdat ze volgens hem niet vers genoeg waren. Zijn fijnbesnaard esthetische gevoel bleek al evenmin combineerbaar met zijn familieleven. Hij kon eenvoudigweg niet tegen een rommelig huishouden, en dus kwam de opvoeding van zijn vijf kinderen praktisch geheel voor rekening van zijn tweede, respectievelijk derde vrouw. Zijn echtgenotes hadden ook nog op een andere manier te lijden onder 's mans passie voor schoonheid, aangezien hij die even frequent als openlijk met andere vrouwen beleed. Toen eind jaren tachtig de recessie toesloeg, duikelde het hele Conran-imperium als een kaartenhuis in elkaar. Tussen 1987 en 1990 daalde de winst van het Storehouse-imperium van 116 naar 11 miljoen pond en Conran werd gedwongen af te treden. Butler's Warf werd onder curatele gesteld, en het eerder omhoog geschreven Design Museum werd afgedaan als een groot uitgevallen etalage voor de Conran Shop. Bovendien overleden twee van zijn trouwste medewerkers en besloot zijn derde vrouw hem na een lijdensweg van dertig jaar te verlaten. ? Conran's losing touch?, kopten de kranten. Het leek een roemloos einde voor de inmiddels 59-jarige ontwerper, die weliswaar Butler's Warf en de Conran Shop wist te behouden, maar Habitat, het grootste gedeelte van zijn vermogen en zijn reputatie kwijt was. Het enige dat hem niet in de steek liet, was zijn beroemde Oog en zijn goede verstandhouding met de tijdgeest. Begin jaren negentig opende Conran Quaglino's, zijn eerste Frans georiënteerde megarestaurant. Iedereen versleet hem voor gek. Maar zoals Londen in de jaren zestig rijp was voor een esthetische revolutie, was het nu klaar voor een culinaire ommekeer, en hoeveel restaurants hij de jaren daarop ook opende, de klanten bleven toestromen. ?Een paar weken geleden belde Tony Blair me op?, vertelt hij niet zonder trots. ?Of ik in de Pont de la Tour nog plaats had voor Bill & Hillary, die bij hem op bezoek waren.? Terence is terug aan de top. Zelfs een zevenhonderd stoelen tellend megarestaurant als Mezzo zit avond na avond vol, en in de recent geopende Blue Bird-gastrodome verdringen zich de blondines in Chanel-pakjes om een stukje van Conrans goede leven in huis te halen. En het imperium blijft groeien, ondanks de moede ogen van de eigenaar en zijn herhaalde verzekering dat hij ?nooit meer een groot bedrijf zou willen hebben?. In New York wordt binnenkort een Conran Shop geopend, eerdaags hoopt hij het Great Eastern Hotel in Liverpool Station te gaan exploiteren, en plannen voor nieuwe restaurants worden alweer gemaakt. Zoals zijn zoon Sebastian ooit vaststelde : ?Mijn vader is projectverslaafd.? Tegenwoordig heeft hij, waakzaam zodra zijn kinderen ter sprake komen, een ?heel goeie verhouding? met hen. En dat is geen wonder : ze zijn nu oud genoeg om te werken en daarover te praten. ?Ik ben gewoon geen man om te gaan golfen of zeilen?, zegt hij. ?Als iemand me op de boot uitnodigt, ga ik wel, maar ik kijk alleen maar of ik onderweg nog ideeën kan opdoen. In mijn leven is er geen verschil tussen werk en vrije tijd. Ik reis de wereld af op zoek naar inspiratie, ik lees veel en het allerliefst zit ik te tekenen ; 92 procent van de dingen die ik doe, vind ik leuk. In dat opzicht heb ik enorm veel geluk gehad.? Zoals Conran het blijkbaar niet kan helpen steeds weer groter te worden, zo lijkt een onzichtbaar mechanisme hem altijd upmarket te duwen hoe hard hij als overtuigd socialist ook roept dat hij vooral de massa wil opvoeden. Maar zijn gastrodomes, restaurants en vooral Conran Shops worden bevolkt door mensen die het zich kunnen veroorloven voor zoiets simpels als een keukenleitje vijf keer de normale prijs te betalen, alleen maar omdat het ding Conran's keurmerk heeft gekregen. Conran, zelfbenoemd nouveau pauvre, is nu de held van de Londense nouveau riche, die meer geld dan gevoel voor schoonheid heeft. Zelf is hij helemaal niet blij met dit soort constateringen. ?Ik vind het vreselijk als mensen hun hele inrichting bij één winkel kopen, ook al is het de mijne?, zegt hij. ?Mijn ideale interieur is een hoogstpersoonlijke combinatie van duur en goedkoop, oud en nieuw. Ik droom nog steeds van een goedkope winkel met goed ontworpen spullen, maar economisch is daar geen basis voor dan moet je meteen een hele keten hebben. Dus ja, ik zit nu in het duurste segment. Maar ik denk en hoop dat cultuurveranderingen die boven beginnen naar beneden doorsijpelen. Mensen kopen bij Ikea, dan bij Habitat en ten slotte bij mij. Ik ben de Armani van het meubilair.? Met dat verschil natuurlijk dat Armani met eigen ontwerpen komt, terwijl in de Conran Shop allerlei leuke en mooie dingen uit de hele wereld bij elkaar worden geveegd en vervolgens voor veel te hoge prijzen worden verkocht. ?We verkopen wel degelijk exclusieve ontwerpen?, zegt Conran. ?Maar daar kunnen de winkels niet op drijven. Wel werken we nu aan een exclusieve Conran-lijn, die bijvoorbeeld in de betere warenhuizen verkocht kan worden. Maar dan wel met absolute controle over de staf en de presentatie. Ik kwam laatst ergens en toen hadden ze een prijskaartje naast onze spullen gehangen. Met sellotape !? Horreur ! Sellotape ! Voor zoiets alledaags is in Conrans wereld van mooie plaatjes geen plaats. En dat is precies waardoor Butler's Warf zo'n comateuze uitstraling heeft : het is allemaal zo perfect bedacht dat het nauwelijks nog leeft. Blijkbaar voelt hij dat zelf ook wel aan : ?Als ik mocht kiezen wat ik nog in de wereld zou kunnen veranderen, dan zou ik proberen het plezier van de handmatige arbeid weer terug te brengen?, zegt hij. ?Alle ontwikkelingen van de laatste jaren gaan daar steeds verder van af, terwijl het zo bevredigend is iets zelf te maken, met individualiteit en spontaniteit en enthousiasme.? Hij kan het niet helpen : het sluit weer perfect aan bij de huidige tijdgeest, waarin het doe-het-zelven ongekend populair is. En Terence zou Terence niet zijn als hij ook dit gedachtegoed niet alweer in een potje had gestopt en had verkocht. En dus zag het eerste Terence Conran Do It Yourself-tuinmeubelboek vorig jaar het licht. Het is een doorslaand succes. Conran : Een paar weken geleden belde Tony Blair me op. Of ik in mijn restaurant Pont de la Tour nog plaats had voor Bill & Hillary, die bij hem op bezoek waren.