Jesse Brouns
...

Jesse BrounsNoguchi werd geboren in Los Angeles, bijna achtennegentig jaar geleden. Hij overleed in 1988. Zijn Amerikaanse moeder, Leonie Gilmour, was schrijfster. Zijn Japanse vader, Yone Noguchi, een belangrijke dichter. Hij heeft zijn vader nooit persoonlijk gekend: de man verliet zijn zwangere vrouw en heeft later geweigerd zijn zoon te ontmoeten (uitgezonderd enkele afspraken in 1931). Kort na zijn geboorte nam Leonie haar zoon mee naar Japan. Op zijn veertiende, in 1918, werd hij naar een internaat gestuurd in Indiana. Zijn moeder bleef nog vijf jaar in Japan. Ze overleed in 1933. Noguchi kwam in aanraking met de abstracte kunst in New York. In Parijs liep hij stage bij Constantin Brancusi: zes maanden in het atelier van de beeldhouwer uit Roemenië, anno 1927. In de jaren dertig schoolde Noguchi zich in Japanse ceramiek, die traditiegetrouw geen grenzen trekt tussen kunst en toegepaste kunst. Via zijn moeder leerde hij in 1929 de choreografe Martha Graham kennen. Ze zouden meer dan dertig jaar samenwerken. Noguchi ontwierp bijna alle decors voor de voorstellingen van Grahams dansgezelschap, het Modern Dance Theater. Hoogtepunten van hun samenwerking waren drie door de Griekse mythologie geïnspireerde voorstellingen: Herodiade (1944), Cave Of The Heart (1946) en Errand Into The Maze (1947). De decors van Noguchi - organische, uitgepuurde vormen die onder de schijnwerpers tot leven leken te komen - vormden een perfect tegengewicht voor de choreografieën van Graham. In 1949 en 1950 reisde Noguchi door Europa, Egypte, India en Cambodja. Hij geraakte er in die periode van overtuigd dat kunst niet alleen in musea en kerken hoorde te staan, maar midden in het leven. Hij vond ook dat kunst meer kon zijn dan het persoonlijke uitdrukkingsmiddel van een kunstenaar. Zijn eerste projecten met sociaal cachet dateren van de jaren dertig, toen hij zijn eerste openbare ruimtes ontwierp: speelpleinen, tuinen, plaza's en atriums. Zijn Play Mountain uit 1933 was bedoeld als speelplein met vijver, heuveltjes en waterglijbaan in een woonbuurt in New York. De plannen werden afgekeurd door de legendarische Robert Moses, als New York City Parks Commissioner vele decennia lang verantwoordelijk voor openbare werken en groene ruimtes in de stad (zie The Power Broker van Robert A. Caro, wat mij betreft de beste biografie aller tijden). Ook een project voor Central Park ( Contoured Playground, 1941) bleef onuitgevoerd. Het duurde meer dan twintig jaar voor Noguchi zijn eerste speelplein kon bouwen, in Tokio. En hij kreeg pas in het midden van de jaren zeventig zijn eerste opdracht voor een plein in de Verenigde Staten, Playscapes in Atlanta. In 1986 vertegenwoordigde hij zijn vaderland op de Biënnale van Venetië met een marmeren sculptuur die werd beschreven als half kunstwerk, half spel. Slide Mantra kreeg nadien een permanente stek in het Bayfront Park van Miami, als roetsjbaan. Werkwijze: men neme een aantal stukken hout die men met de hand assembleert tot een skelet. Men rolt en spant er een koord van uitgerafelde bamboe omheen en kleeft er van moerbezieschors gemaakte papierstrips op. Als de lijm droog is, kan het houten steunskelet worden gedemonteerd en verwijderd van de lamparmatuur. Noguchi noemde zijn voor dagelijks gebruik bestemde lichtsculpturen akari, wat licht betekent in het Japans (in beide betekenissen: gloeilampgewijs en wat het gewicht betreft). Noguchi was ook gepassioneerd door ceramiek. "De aantrekkingskracht van ceramiek ligt gedeeltelijk in de contradicties die de materie oproept", schreef hij. "Ze is tegelijk ingewikkeld en eenvoudig en bezit een aspect dat aan onze controle ontsnapt. Ze is tegelijk broos en toch trotseert ze de eeuwen. Ze verdraagt geen latere aanpassingen, noch besluiteloosheid van de kunstenaar. De beste creaties lijken heel spontaan te ontstaan. Voor mij roept ceramiek de aarde en het woud op, beelden die ik associeer met Japan, niet met het Amerika van vandaag."Tijdens dat ene lange verblijf in Japan, anno 1951, waagde hij zich niet alleen aan verlichting en ceramiek. Hij boog zich ook over een aantal openbare projecten. In 1950 was hij bevriend geraakt met de architect Kenzo Tange, en die liet hem borstweringen ontwerpen voor een stel bruggen in het Park van de Vrede in Hiroshima. In dezelfde periode maakte hij met de architect Yoshiro Taniguchi een tuin en hij verzorgde ook de inrichting van de Keio-universiteit in Tokio. Daarbij hoorde een monument ter herinnering aan zijn vader, die kort tevoren was overleden (er kwam nooit een verzoening). Samen met Tange werkte Noguchi later nog aan een aantal gemeenschappelijke projecten, zoals de fonteinen voor de Expo '70 in Osaka, een school voor bloemschikkers in Tokio (1977-78) en een plaza in Bologna (1979). In de Verenigde Staten werkte hij regelmatig samen met Gordon Bunshaft, hoofd van het architectenbureau Skidmore Owings & Merrill. Noguchi zou aanvankelijk de binnenkoer inrichten van Lever House, het belangrijkste en, wat de techniek betreft, revolutionairste gebouw van SOM in Manhattan, maar dat ging niet door. In 1962 begon hij met Bunshaft een Sunken Garden Project voor de campus van Yale (een piramide, een ring en een kubus van wit marmer, het geheel geplaatst in een soort lichtschacht). De Unesco bestelde een Japanse tuin annex contemplatieruimte voor de hoofdzetel in Parijs. In Detroit kreeg hij een opdracht van Anne Dodge, de weduwe van de automobielfabrikant. Zij wou een fontein als eerbetoon aan haar echtgenoot. Noguchi ontwierp de fontein en de bijbehorende Philip A. Hart Plaza (1972-79). Het Moere Nume Park in Sapporo, 162 hectare groot, werd pas na Noguchi's dood aangelegd. Een van de pronkstukken was een versie van de Play Mountain uit 1933. Noguchi in vijf stappen1. Een (dé) koffietafel. De koffietafel, een niervormige glazen plaat op twee onderling met elkaar verbonden steunpunten in rozenhout, werd in 1939 op bestelling ontworpen voor A. Conger Goodyear, de voorzitter van het Museum Of Modern Art. In 1944 werd het ontwerp door Noguchi aangepast om een artikel te illustreren van George Nelson (creatief directeur van Herman Miller): How To Make A Table. In de nieuwe versie bestaat de onderstructuur uit twee identieke elementen die in een rechte hoek zijn geplaatst. Herman Miller bracht de Coffee Table drie jaar later in productie. Het was Noguchi's beroemdste ontwerp en, vond hij zelf, zijn enige echt succesvolle project inzake industrieel design. De tafel werd ook uitgebracht met houten blad en een ander onderstel (een voet in de vorm van een roer plus twee poten in buizen van gebogen aluminium). In 1948 bracht Herman Miller ook een bijbehorende canapé plus voetbankje uit. De koffietafel werd in 1984 door Herman Miller heruitgegeven, zij het uitsluitend voor de Amerikaanse markt. Sinds het midden van de jaren negentig is de tafel ook gemakkelijk in Europa te vinden.2. Een stel lampen. Noguchi's lampen van bamboe en papier, de zogeheten akari, zijn geïnspireerd door traditionele Japanse fabricatietechnieken. Zijn eerste lichtarmaturen dateren van de jaren veertig; ze werden destijds uitgebracht door Knoll, dat naar verluidt een model van de markt haalde omdat het in grote hoeveelheden werd nagemaakt. Het ging toen om de driepotige Cylinder Lamp, waarin lampenkap en voetstuk elegant in elkaar overvloeien. Noguchi ontwierp de cylinder als cadeau voor zijn zus, in donker aluminium (het voor de handel bestemde model was van doorschijnend plastic, met poten in kerselaar). 3. Ceramiek. Noguchi reisde verscheidene keren naar Japan, waar hij zich schoolde in de ceramiek. Tijdens zijn laatste, lange verblijf, in 1951, logeerde hij bij de gereputeerde ceramist Kitaoki Rsanjiin, die de beeldhouwer had uitgenodigd om van zijn draaitafel en klei gebruik te maken. Noguchi maakte daarop een hele reeks sculpturen en gebruiksvoorwerpen in ceramiek (meer dan honderd ervan zijn te zien in het museum voor moderne kunst van Kamakura). Na 1952 maakte Noguchi nog een theekopje met bijbehorend schoteltje (ze werden pas veel later in productie gebracht). Inspiratiebron: een oude Japanse kop in terracotta die hij in zijn bezit had. In dezelfde periode maakte hij ook de nooit gecommercialiseerde prototypes voor een vork, een mes en een lepel. De verzilverde couverts combineren oosterse vormen en westers functionalisme. 4. Een stoel. In 1954 ontwierp Noguchi de Rocking Stool, een kruk die refereert aan Afrikaanse stoeltjes. Aanvankelijk wilde hij de Rocking Stool in polyurethaan laten uitvoeren, een materiaal dat op dat ogenblik nauwelijks werd gebruikt in de meubelindustrie. Maar in de definitieve versie is de stoel gemaakt van verscheidene duurdere materialen: de zitting en de licht afgeronde sokkel zijn van notelaar of teak, de verbindingselementen in diagonale kruisvorm van verchroomde staaldraad. De stoel, die later omgebouwd werd tot tafel, was een hommage aan Harry Bertoia, de meubelontwerper die met staaldraad furore maakte. En in feite nog steeds maakt: dit artikel is geschreven op een van zijn stoelen. 5. Een tafel. Noguchi had veel belangstelling voor het experimentele werk van zijn goede vriend R. Buckminster Fuller, de geestelijke vader van dome-structuren die hij leerde kennen in 1929. De geest van Fuller spreekt uit zijn veelal experimentele sculpturen en meubels in metaal, messing en aluminium. Noguchi begon al met staal te experimenteren circa 1927, na zijn stage bij Brancusi in Parijs. De Prismatic Table, uit 1957, wordt beschouwd als het laatste meubelontwerp van Noguchi. Het tafeltje was bestemd voor de catalogus van Alcoa, de Aluminium Company of America. Het was aanvankelijk uitsluitend in zwart verkrijgbaar, maar werd later ook in felle zuurtjeskleuren uitgevoerd. Het Alcoa-model heeft een rechte voet. Later ontwierp Noguchi een variant met drie poten: zijn tafel werd kubistische origami. Tot 21 april loopt in het Vitra Design Museum van Weil am Rhein de retrospectieve tentoonstelling Isamu Noguchi: Sculptural Design. Info: www.design-museum.de Noguchi Garden Museum, 32-37 Vernon Boulevard, Long Island City, New York. Info: www.noguchi.org, overigens een bijzonder complete webstek over leven en werk van Noguchi.Volgens Noguchi hoorde kunst niet alleen in musea en kerken te staan, maar midden in het leven.