Nu de twintigste eeuw erop zit, kreeg de kunstgeschiedenis er een stevige kluif bij: de tijd breekt aan om die vruchtbare periode te evalueren door het kaf van het koren te scheiden. Straks weten we wie de artistieke tenoren waren, en verdwijnen sommige goden onverbiddelijk naar het tweede plan als het slechts epigonen blijken van het grote talent, over het paard getild door critici, musea, verzamelaars en kunsthandelaars. Maar dat wordt pas over enkele jaren duidelijk.

Het veilinghuis Christie's doet een eerste poging met een boeiende selectie. Onder de titel Masterworks 1900-2000 worden op 8 juni in New York honderden kunstwerken en objecten geveild, bijna stuk voor stuk iconen van een eeuw die de kunst op haar kop zette. Het valt meteen op hoe copieus de twintigste eeuw was. Vergeleken met de eeuw voordien, die zoveel rustiger en behoudsgezinder was, werd zowat alles fundamenteel veranderd; geen kunsttak ontsnapte aan de revolutiewoede. Iedereen brak met de traditie, van de literatuur tot en met de vormgevers van alledaagse goederen. Je mag gerust stellen dat de twintigste eeuw in de kunstgeschiedenis dezelfde status krijgt als de Renaissance.

Ontwerpers zullen nog generaties lang inspiratie vinden bij het talent van de vorige eeuw. Dat is ook een nadeel, omdat deze rijke erfenis vernieuwers weinig mogelijkheden biedt. Het hoge niveau van de twintigste eeuw zorgt er zeker voor dat het oeuvre van de belangrijkste iconen straks een fortuin waard wordt.

De veilingcatalogus van Christie's bulkt van de hoge schattingen. Zo is een fauteuil met renommee goed voor vele tienduizenden dollars, een bom geld. Zelfs het fraaiste zitmeubilair uit Versailles is amper meer waard. Natuurlijk zijn die schattingen met een korrel zout te nemen: enkel de hamerprijs geeft een indicatie voor de waarde, en hoge schattingen zijn er om kopers te lokken.

Christie's start de veiling met de voortrekkers van het eerste uur: Mackintosh, Wagner en Hoffmann. Het ene object is al zeldzamer en hoger geprijsd dan het andere. Dat heeft niet enkel met faam te maken. Maar de ontwerpen van Josef Hoffmann zijn nu eenmaal ruimer verspreid dan de creaties van Henry van de Velde en Victor Horta, die overigens ook present zijn. Beide Belgen werkten echter mee aan kleinschalige producties, zeker Horta, waardoor hun ontwerpen nauwelijks te vinden zijn. Als leek veronderstel je dat ze door hun zeldzaamheid een bijzonder hoge waarde hebben, maar dat klopt niet. Een Thonet-stoel van Hoffmann is bijna evenveel waard als een unieke fauteuil van Van de Velde. Je hebt nu eenmaal een groot aantal objecten nodig om een echte marktprijs te ontwikkelen; voor wat zeldzaam is en visueel moeilijker herkenbaar, is de belangstelling geringer. Althans bij een ruim publiek. Verzamelaars kijken altijd wel uit naar rariteiten, maar zijn niet steeds de beste kopers. Door hun speurzin slagen ze er nu en dan in om een topstuk op de kop te tikken voor een redelijke prijs.

Naast de Belgen zijn er ook een aantal Franse tenoren vertegenwoordigd, zoals Emile Gallé en Louis Majorelle, twee exponenten van de romantische art nouveau. Het modernisme wordt ingeluid met een prachtige tafellamp van Frank Lloyd Wright en glaswerk van de Tiffany Studios.

Omdat de veiling plaatsvindt in Amerika, trok het venduhuis ook typisch Amerikaans materiaal aan dat bij ons minder bekend is. Het bewijst hoezeer die iconen toch verschillen naar gelang het werelddeel, en hoe slecht we zijn ingelicht over de rijke Amerikaanse interieurdecoratie. Wright kent iedereen, maar weinigen kennen zijn talrijke confraters die ook vanuit de Arts-and-Crafts-traditie evolueerden naar het modernisme, zoals Lamont Warner en de gebroeders Greene.

Een van de blikvangers op de veiling wordt zeker de prachtige Transat-zetel van Eileen Grey uit 1925, een simpele transatlantique, een houten plooizetel voor op een pakketboot, geschat op meer dan 100.000 $. Van zo'n bedrag voel je je ongemakkelijk als je weet wat er allemaal aan fraais te koop is uit diezelfde periode.

De Franse art deco is goed vertegenwoordigd, met onder meer emailvazen van Jean Dunand en meubilair van Jacques-Emile Ruhlmann. Met zo'n namen worden zeker veel rijkelui aangetrokken. Voor puristen die het Spartaanse functionalisme adoreren, zijn er ook meubels van Pieter Oud, Gerrit Rietveld, René Herbst en Le Corbusier. Van deze meubels valt het op dat ze in originele staat worden geveild, dus mét versleten stoffering. In de handel wordt veel antiek design verknoeid door harde restauraties: buismeubels bijvoorbeeld worden opnieuw verchroomd en bekleed, wat afbreuk doet aan de authenticiteit én de antiquarische waarde verlaagt.

Het is ook geen verrassing dat Raymond Loewy vertegenwoordigd wordt met een simpele potloodslijper, zij het in de vorm van een vliegtuigpropeller. Het aanbod van naoorlogs design is gering, op enkele stoelen van Eames, de befaamde kleurrijke boekenkast van Perriand en een kunstwerk van Ettore Sottsass na. Het naoorlogse goed komt immers veel voor, elke grote stad heeft gespecialiseerde kunsthandelaars die het aan de man brengen. Er is ook recenter werk van onder meer Shiro Kuramata, Ron Arad, André Dubreuil en Marc Newson, dat al sinds een paar jaar via het veilingcircuit wordt gepromoot. Het is zeer de vraag of het ooit standhoudt naast de tenoren van een halve eeuw vroeger.

Er zijn dus veel afwezigen, maar dit is nu eenmaal geen overzichtstentoonstelling. Christie's brengt enkel wat er kon worden losgekregen van verzamelaars en handelaars.

De veiling wordt afgerond met een topper van formaat: het Rockefeller Guest House in Manhattan (242 East 52nd Street), vlak bij het Moma. Dit kleine pand werd ontworpen door Philip Johnson, in Amerika de vader van de moderne architectuur. Blanchette Rockefeller, die tuk was op moderne architectuur, gaf hem in 1949 de opdracht om dit gastenverblijf te bouwen. Op ongeveer hetzelfde ogenblik werkte deze leerling van Mies van der Rohe zijn beroemde Glass House af in New Canaan: een glazen woning in het groen, de icoon van de minimalistische architectuur.

Het gastenverblijf in Manhattan is anders opgevat, maar was net zo vooruitstrevend. Beneden bedacht Johnson een grote open ruimte, een proto-loft, want van woningen in lofts was er toen nog geen sprake. Blanchette Rockefeller hield het pand slechts acht jaar in bezit en schonk het vervolgens aan het Moma. In 1964 verkocht het museum de woning, waarna Johnson er in de jaren '70 zelf een tijdje in woonde. Aan de wanden hing hij onder meer kleurrijk werk van Lichtenstein en Warhol. Het feit dat de meester het zelf ooit betrok, maakt het natuurlijk extra aantrekkelijk voor zijn fans.

We merken trouwens overal ter wereld een groeiende interesse voor de creaties van vermaarde architecten. Het heeft wat van een verzamelwoede. Ook bij ons worden specifieke ontwerpen opgekocht en gerestaureerd. Voor een optrekje van een bekende Belg zal je natuurlijk minder diep in de buidel moeten tasten dan voor het exquise gastenverblijf van Johnson, dat ten minste geschat wordt op 4.000.000 $.

Piet Swimberghe / Foto's Christie's