Van een huis als dit kun je twee aparte reportages achter elkaar publiceren, niemand zou een verband vermoeden. Toch gaat het om één en dezelfde woning in hartje Brussel. Het is niet nieuw om onder één dak twee totaal verschillende ruimten in te richten. Het is wel een luxe die niet meer van deze tijd lijkt.

Of wordt dat weer een trend: spelen met stijlen en sferen. In de negentiende eeuw was dat heel gewoon. Veel herenhuizen hadden een kamer in Chinese, Japanse of Turkse stijl. Meestal kreeg de bibliotheek of de fumoir een exotisch en de eetkamer een renaissance-interieur. De salon was dan weer klassieker opgevat, met stucwerk en marmer tegen de schoorsteen.

In de loop van de twintigste eeuw ging die diversiteit teloor. Misschien is het ogenblik aangebroken om zowel in de decoratie als in de architectuur een grotere verscheidenheid na te streven. Deze woning is in elk geval een boeiende illustratie.

De woning staat netjes in de rij, heeft een koetspoort met ernaast twee achter elkaar liggende salons. Alleen de achterste werd bij de woning betrokken. Daar werd alles met veel zorg opgeknapt, van de marmeren schoorsteenmantel tot het sierlijke venster en het stucwerk. Echt romantisch is de aankleding niet, maar zeker niet minimaal Spartaans.

Bustes en sierobjecten zorgen voor speelse franjes. Daar horen blikvangers bij, zoals een paar kunstwerken van Jean-Marc Louis en een stel uitgeharde schilderborstels: een decoratieve vondst. Dit vertrek is de ideale kamer voor avondwerk.

We ontdekken het eigenlijke woonhuis achter het gebouw. Je moet een klein binnenterras over en dan beland je in een voormalig atelier van een schrijnwerker. Dit zakelijk opgetrokken bouwsel, niet meer dan een plat dak met enkele metalen ramen, was zeer vervallen. Bovendien lag het nokvol afval en was het dakvenster volledig begroeid, waardoor er nauwelijks licht binnendrong. Aanvankelijk was het niet de bedoeling om hier te gaan wonen, maar na de volledige ontruiming bleek het toch een leuke plek. Bovendien is het er, verscholen achter het eigenlijke huis, stil wonen.

Na het opfrissen van de ruimte en gieten van een betonnen vloer kon met de inrichting worden begonnen. De binnenmuren bleven bewaard: een perfecte indeling voor een kleine douchecel en een slaapkamer. De toegang tot de slaapruimte werd exterieur in een witte doos verpakt.

Helemaal achterin, onder de glazen koepel, vinden we de kookhoek, min of meer ingericht als een professionele keuken met meubilair van chroomstaal. De meeste kasten werden trouwens gerecupereerd uit een restaurant. Voor de rest is de inrichting vrij strak opgevat met wat oud en nieuw designmeubilair. Dit bewijst nog maar eens dat dergelijke industriële ruimten vrij gemakkelijk om te toveren zijn. De problemen zijn meestal van technische aard: het vocht weren, de verwarming en de lichtinval.

Piet Swimberghe / Foto's Jan Verlinde