Het leven schuift oeverloos verder, als een geduldige stroom vol hamerhaaien en modder, en al wat uit je handen komt, zijn een paar woorden van minder belang. Woorden waarin mensen zich af en toe herkennen, waarvoor ze je waardering sturen of zelfs onverholen complimenten. "Men moet zo weten te schrijven, dat de lezer zich verbeeldt dat de gedachten bij hemzelf zijn opgekomen", zei iemand die al ontzettend lang dood is. Soms brengen je woorden wel iets teweeg, ja, wat wellicht méér is dan van 99 procent van de woorden gezegd kan worden. Want woorden zijn gewillig en verwaand. Ze zijn krachteloos als de hand van een woedende grijsaard, die op een heuvel onzin staat te brullen in de wind. Ze laten de hemel huilen van hebzucht en haat, nemen je mee naar plaatsen waar regenbogen zich met doffe smakken in de klei...

Het leven schuift oeverloos verder, als een geduldige stroom vol hamerhaaien en modder, en al wat uit je handen komt, zijn een paar woorden van minder belang. Woorden waarin mensen zich af en toe herkennen, waarvoor ze je waardering sturen of zelfs onverholen complimenten. "Men moet zo weten te schrijven, dat de lezer zich verbeeldt dat de gedachten bij hemzelf zijn opgekomen", zei iemand die al ontzettend lang dood is. Soms brengen je woorden wel iets teweeg, ja, wat wellicht méér is dan van 99 procent van de woorden gezegd kan worden. Want woorden zijn gewillig en verwaand. Ze zijn krachteloos als de hand van een woedende grijsaard, die op een heuvel onzin staat te brullen in de wind. Ze laten de hemel huilen van hebzucht en haat, nemen je mee naar plaatsen waar regenbogen zich met doffe smakken in de kleigrond boren, om je vervolgens weer stamelend achter te laten. Woorden zouden zuinig moeten worden gehanteerd. Ze zouden alleen gebruikt mogen worden als ze wie ze leest doen lachen en huilen tegelijk. Ze zouden monden moeten doen openvallen, gezangen doen verstommen en mensen verlossen van wanhoop en pijn. Ze zouden mannen moeten doen vechten op leven en dood, en vrouwen zwanger maken. Woorden moesten als toverspreuken zijn, die alleen nog bestaan in de zielen van mensen. Omslachtige proefboringen, met pompen die droog staan te draaien, vergallen het leven van wie zich schrijver waant. Je weet wat er in de ondergrond sluimert, tussen slapen en waken vang je er vaak genoeg glimpen van op. Meestal echter ben je niet in staat het boven te halen terwijl het nog leeft en vlug als water is. Wat je oppompt is droesem, drek waarin af en toe een schepseltje heen en weer schiet dat zo kleurrijk is en fraai gebouwd dat je je toch weer aan een volgende proefboring waagt - bij voorbaat gedoemd om te mislukken. Zo veranderen woorden van een zegen in een vloek. Terwijl mensen je geringe talent prijzen en je toefluisteren dat zij ook zoiets wensten te bezitten, ervaar je het zelf meer als een handicap. Iets waarin je lelijk kunt verdwalen. Een rare speling van de genen, voor de uitbouw van een uitgebalanceerd en gelukkig leven ongeveer even nuttig als bijvoorbeeld het syndroom van Gilles de la Tourette. "Een blanco vel papier", zegt weer iemand anders, "is Gods manier om duidelijk te maken hoe moeilijk het is om God te zijn." Je wilt ze best ruilen, die koortsige neiging om in woorden te graaien, voor bijvoorbeeld de gave om kookeilanden te ontwerpen, of uitgewoonde rijwoningen van de hand te doen voor veel te veel geld. Was je maar vrederechter geworden, denk je soms wel, of radioloog, want dat zijn de professies waarin de jongens waarmee je lang geleden studeerde zijn terechtgekomen. Zoiets zou je ook wel willen, iets waarvan het nut voor iedereen duidelijk is en geen verdere uitleg behoeft. Iets waarin je onbetwistbaar bedreven bent. Dat mag zelfs loodgieter zijn, of plakker, of om het even welke andere fatsoenlijke stiel die ervoor zorgt dat mensen op je zitten te wachten. "Ongevraagd een roman schrijven", zegt nog een derde persoon, "lijkt een beetje op een kind krijgen terwijl je dakloos bent." Als het je om geld te doen is, kun je inderdaad beter dakpannen leggen. Toch weet je dat je levenslang verslaafd bent. Al die woorden samen zijn als een Mata Hari op ellenlange benen, die je kushandjes en geile knipoogjes toewerpt en waar je je af en toe eens tegenaan mag schurken, bij voorkeur als ze strontzat is, om te genieten van haar koele huid en warme lippen. Diep vanbinnen weet je dat ze niet goed voor je is, te hoog gegrepen, en dat ze je achter je rug waarschijnlijk verraadt. Toch denk je er elke dag over om je voltijds, 24 uur op 24, aan haar eredienst te wijden. Misschien loop je met open ogen de afgrond in, maar zelfs dat is veruit te verkiezen boven het op je 74e met dichtgeslibde aders te sterven tussen vers gestreken lakens. Beseffend dat je er nooit voluit voor bent gegaan. Dat je altijd met de handrem op hebt gereden. Dat je wel hebt gezwommen, maar de rand van het zwembad nooit echt los durfde te laten.Jean-Paul Mulders