M arinella Bonacina stelt vandaag haar appartement voor. Nochtans ontvangt ze ons niet thuis. Wel in de showroom van het familiebedrijf, Pierantonio Bonacina, in een elegant pand van de via Pontaccio, Milaan. De jonge vrouw heeft een excuus : haar appartement staat in de steigers. De verwarmingsinstallatie wordt heraangelegd ; buizen en kabels zijn ontbloot, wat onfatsoenlijk zou kunnen lijken. Bovendien is Bonacina op haar privacy gesteld. Ze ontvangt voornamelijk familie en vrienden ; als gezanten van de Belgische geschreven pers behoren wij tot geen van beide categorieën (gelukkig krijgt de fotograaf wel toegang).
...

M arinella Bonacina stelt vandaag haar appartement voor. Nochtans ontvangt ze ons niet thuis. Wel in de showroom van het familiebedrijf, Pierantonio Bonacina, in een elegant pand van de via Pontaccio, Milaan. De jonge vrouw heeft een excuus : haar appartement staat in de steigers. De verwarmingsinstallatie wordt heraangelegd ; buizen en kabels zijn ontbloot, wat onfatsoenlijk zou kunnen lijken. Bovendien is Bonacina op haar privacy gesteld. Ze ontvangt voornamelijk familie en vrienden ; als gezanten van de Belgische geschreven pers behoren wij tot geen van beide categorieën (gelukkig krijgt de fotograaf wel toegang). Ons gesprek, in een kleine vergaderzaal, verloopt eerst stroef. Als we informeren naar de geschiedenis van het bedrijf, waar ze de functie heeft van artistiek directeur, leest Bonacina voor uit een tekst in een glanzende brochure. Als we vragen wat er bijzonder is aan haar appartement, stopt ze ons een eerder verschenen tijdschriftartikel toe, terwijl ze ons aankijkt met een air van ga alstublieft snel weg. Na enige minuten, die een leven lijken te duren, ontdooit gelukkig de spraakwaterval in haar keel. De familie Bonacina begon zijn rietverwerkingsbedrijf op het einde van de negentiende eeuw in Brianza, de streek rond Milaan waar nog steeds een groot aantal Italiaanse meubelbedrijven is gevestigd. Europese landen met kolonies in Azië waren al langer vertrouwd met riet en rotan in alle mogelijke varianten, maar in Italië werd het materiaal uitsluitend gebruikt in een aantal kleinschalige ateliers, en dan nog hoofdzakelijk voor manden, schalen, sierkoffertjes en ander lichtgewichtspul. Fratelli Bonacina, opgericht door de broers Pietro en Giovanni Bonacina in Lurago d'Erba, was aanvankelijk zo'n atelier. De Bonacina's waren ambitieus, en anno 1909 wonnen ze hun eerste gouden medailles op buitenlandse beurzen met loodzware, schijnbaar belangwekkende namen : de Exposition internationale d'économie domestique van Parijs, de International Exhibition van Londen. Ze kregen de medailles voor een reeks meubelen die ze hadden bestemd voor hotels, baden en openluchtbioscopen, destijds een geheel nieuwe attractie. Fratelli Bonacina viel na verloop van tijd uit elkaar. Het bedrijf van broer Pietro werd voor de Tweede Wereldoorlog overgenomen door diens zoon, Pierantonio. (Een andere telg van de familie begon Vittorio Bonacina, een merk dat nog steeds bestaat ; de firma's onderhouden geen relaties). Pierantonio was blijkbaar een voortreffelijke product manager : in de jaren vijftig begon hij een bloeiende samenwerking met modehuizen als Fendi, voor wie hij een hele reeks handtassen ontwierp (een aantal houten prototypes staat in de showroom achter glas tentoongesteld ; het bedrijfsarchief bevat naar verluidt een enorme verzameling oude handtassen). Pierantonio Bonacina was bovendien mee met zijn tijd. Hij geraakte geïnspireerd door de nieuwe industriële designbedrijven, die na de Tweede Wereldoorlog in Brianza de Italiaanse meubelindustrie een nieuwe adem gaven, zoals Kartell of Cassina. In hun spoor bestelde hij ontwerpen van getalenteerde, moderne designers. Riet was voor hen een interessant materiaal omdat het exotisch was, en tot dan toe weinig gebruikt door de meubelindustrie. De uitstekende architect en de-signer Marco Zanuso, die in 1959 de Martingala-stoel ontwierp voor het merk, schreef het volgende loflied over riet : "In het klimaat van de jaren vijftig, toen design op zoek ging naar een nieuwe architecturale taal voor objecten, was rotan een bijzonder stimulerend materiaal, dat niet genoeg was onderzocht. Op een moment dat es en walnoot de industrie domineerden, en er veel inspanningen werden gedaan om de interieurs van woningen te verrijken, leerde rotan ons hoe een decor aantrekkelijker en gezelliger kon worden gemaakt door het gebruik van ongewone materialen." In 1958, 1959 en 1961 organiseerde Bonacina riettentoonstellingen in Lurago d'Erba met een bijhorende wedstrijd voor jonge designers. Bij de laureaten zaten onder anderen Mario Bellini en Tito Agnoli ; de eerste is nog steeds actief als architect en designer ; de tweede werd de creatieve rechterhand van Pierantonio Bonacina, en ontwierp onder andere de stoel Punto e Virgola voor het merk, in 1962. Bonacina werkte in die periode ook met Gio Ponti ( Continuum, 1963), Joe Colombo ( Nastro, 1964), Nanna Ditzel ( Egg, 1959), Fredrik Fogh ( Up and Down, 1960) en Mary Bloch ( Beach Cabin, 1962, een strandhuisje voor één persoon). Egg, een hangend ei van geweven riet, is wellicht het beroemdste ontwerp uit het erfgoed van het merk. Bonacina woont in de wijk Brera, vlakbij Via Montenapoleone, zowat de meest exclusieve winkelstraat van Milaan. Ze betrekt er sinds drie jaar een ruim appartement met haar echtgenoot, Cristiano Nardi, die in de oliebusiness werkt. De mastodont (vierhonderd vierkante meter, meer dan vijf meter hoge plafonds) werd gerenoveerd en heringericht door de architecte Cristina Vigano. "Het is een typisch Milanees appartement uit de negentiende eeuw. Het was nooit eerder gerenoveerd. Ik hou van de sfeer, van het oude parket van Engelse eik dat we hebben gerestaureerd. Het is een woning voor elke dag. Ik verzamel kunst, maar ik wil niet in een galerie leven." Haar grote passie : tekeningen. "Ik heb mijn eerste tekening gekocht toen ik twintig was, in Parijs, een werk van Cocteau." Ze vertelt dat ze graag met lijsten en kaders puzzelt. "Ik heb een gang van vijftien meter lang, die oorspronkelijk was bedoeld als aparte ingang voor het personeel. Daar hang ik elk jaar een nieuwe installatie. Op dit moment hangen er 1999 plastic vorkjes, een werk van Valerio Governi, een vriend." Bonacina heeft in het appartement een eigen schilderatelier. "Ik ben zeker geen kunstenaar, maar ik schilder wel graag. Ik hou van kleuren, ik vind het leuk om dingen te proberen." De meeste meubels zijn, zoals verwacht, van het familiebedrijf. Sommige stukken zijn prototypes. Ze kregen het selecte gezelschap van designklassiekers ontworpen door Eileen Gray, Verner Panton of Ludwig Mies van der Rohe, en van een paar mannelijke billen door de kunstenaar Remo Bianco, een werk uit de jaren vijftig. De billen worden elektrisch verwarmd, wat 's winters praktisch is. Toen zij een klein meisje was, in de jaren zeventig, werkten de Bonacina's al minder vaak met bekende designers (de ontwerpen uit de jaren zestig zijn nog steeds in productie ; van ontwerpen uit de jaren zeventig en tachtig is in de catalogus geen spoor). De kleindochter van Pierantonio heeft nochtans heerlijke herinneringen aan haar kindertijd, toen ze speelde in de fabriek. "Het depot lag volgestouwd met rotan. De sfeer daar was magisch. En het was fascinerend om iedereen bezig te zien, al dat handwerk." Ze werd twee jaar geleden artistiek directeur van het merk, na een opleiding filosofie. "Ik kan moeilijk uitleggen wat ik precies doe. Het is voor alles creatief werk. Heel natuurlijk ook. Ik hou van de ontmoetingen met designers, maar ik ben ook graag in de fabriek. De sfeer is vergelijkbaar met die van een coutureatelier. We hebben veel geïnvesteerd in technologie, maar de afwerking gebeurt volledig met de hand. En we maken alles zelf. Er wordt niets uitbesteed, tenzij enkele onderdelen in staal."Bonacina werkt graag in groepsverband. "Mijn moeder, mijn vader, ons hele team, iedereen is even belangrijk." Haar bijdrage ? "Mijn eigen smaak. Ik ben geen designer, ik ga zelf geen meubels ontwerpen. Maar ik kan bijvoorbeeld wel mee op zoek gaan naar nieuwe materialen. Zo werken we nu met Krilon, een mengsel van plastic en nylon, en we bestuderen op dit eigenste moment de mogelijkheden van een ander nieuw materiaal, wat erg stimulerend is. We willen niet de gevangene worden van een enkel materiaal. Ons bedrijf staat en valt met onderzoek. Ik tracht het huis in een richting te duwen waar ik zelf kan achter staan. Ik wil de traditie voortzetten, maar tegelijk een nieuwe weg inslaan. We werken dan wel met riet, maar we hebben geen uitstaans met de etnische stijl. Er zitten geen etnische elementen in ons meubilair. Onze stijl is resoluut hedendaags ; het etnische zit uitsluitend in het materiaal. Anderzijds geloof ik ook niet in trends. Ons bedrijf bestaat al meer dan 110 jaar. Wij hebben nooit de modes gevolgd. Wij hebben onze eigen stijl. We hebben het minimalisme aan ons laten voorbijgaan, net als de wengé-bevlieging. Wat interessant is, is onze manier van leven, dat zijn noties van geluk, je goed voelen. Die evoluties zijn veel belangrijker." Legt Marinella Bonancina als vrouw andere klemtonen ? "Ik denk dat vrouwen zowel met hun hersenen als met hun hart werken. Zo functioneer ik zelf ook. Ik zeg niet dat vrouwen gevoeliger zijn dan mannen. Maar misschien is onze aanpak toch anders."En wat denkt ze ten slotte van het thema van de jongste editie van Interieur - design voor iedereen ? Ze denkt lang na, ze wil liever geen controversiële uitspraken doen. "Het is een concept waar ik van hou. Design is inderdaad voor iedereen. Maar dat mag niet betekenen dat design goedkoop wordt. Design is niet louter een getekend product : het is een goedgemaakt product. Een kopie die in het Verre Oosten door kleine kinderen wordt gemaakt, dat is voor mij geen design." n Tekst Jesse BrounsRiet was voor de moderne, naoorlogse designers een interessant materiaal omdat het exotisch was, en tot dan toe weinig gebruikt door de meubelindustrie. "We werken dan wel met riet, maar we hebben niets uit te staan met de etnische stijl. Onze stijl is resoluut hedendaags, het etnische zit uitsluitend in het materiaal."