M anon Uphoffs personages lijken te zijn vastgelopen in hun eigen verlangens. Mara's vader interesseert zich alleen voor de kunst en voor zijn echtgenote. Elke dag begint hij na thuiskomst van zijn werk te schilderen. Het onderwerp dat hij op het doek vereeuwigt, is elke keer hetzelfde: Mara's moeder. Maar zijn schilderijen worden nooit tentoongesteld, net zo min als zijn vrouw de verwachtingen waarmaakt die hij in zijn huwelijk met haar heeft gesteld. Mara's minderbegaafde halfbroer Eddie heeft een grenzeloze bewondering voor de oudste zoon, Theo. Wanneer die het huis verlaat en voor Eddie nagenoeg onbereikbaar wordt, weet hij niets beters te doen dan, als een ware fetisjist, Theo's oude schoenen te verzamelen en te koesteren. Mara zoekt het geluk aanvankelijk vooral in de roes die het snuiven van haar vaders verfoplossingen haar brengt, en later aan de zijde van haar vriendje Helmi, een pukkelige en zwijgzame jongen. Geen van hen vindt het ware geluk. Het huwelijk ontaardt in ruzies, de oude schoenen belanden bij het Leger des Heils, en Mara's jeugdliefde is, zoals bijna alle kalverliefdes, ten ondergang gedoemd. Toch is Gemis allerminst een somber boek. Net als in haar debuut, de verhalenbundel Begeerte, geeft Manon Uphoff niet alleen blijk van een groot inlevingsvermogen, maar ook van een bijzonder gevoel voor zwarte humor. De tragikomische gebeurtenissen in het leven van Mara en haar familieleden hebben bovendien iets louterends. Ook als haar romanpersonages niet verzoend raken met de banaliteit van het dagelijks bestaan, lijkt die voor de lezer na het dichtslaan van het boek iets draaglijker te zijn geworden.

Gemis speelt in een niet nader bepaalde periode en in een niet nader genoemde stad, maar wie tussen de regels leest, zou tot de conclusie kunnen komen dat het gaat om de jaren zeventig en om de slaapstad Nieuwegein, bij Utrecht. Daar werd Manon Uphoff in 1962 geboren en ze groeide er op.

Manon Uphoff: Ik heb inderdaad een tijdje in zo'n wijk gewoond. Ik werd niet zozeer getroffen door het vernuft van de architecten en stedenbouwers, als wel door het onlogische en onaffe. Er was bijvoorbeeld ergens een tunneltje, maar als je het inliep bleek dat het eenvoudigweg nergens op uitkwam. Straten en plantsoenen vormden soms jarenlang één grote blubberpoel, om nog te zwijgen van de aangeplante bomen die pas na tien jaar het stadium van een iel stammetje met wat takjes waren ontgroeid, als ze tenminste in de tussentijd niet waren geveld door één of andere boomziekte. Op papier mogen die nieuwbouwwijken er misschien fraai hebben uitgezien, in de praktijk duurde het jaren eer het zover was.

Wilde u ook de gevolgen van het wonen in zo'n omgeving voor een opgroeiend meisje laten zien?

Ook, ja. Veel van die nieuwbouwwijken zien er onderhand misschien toonbaar uit, maar echt gezellig worden ze nooit. Wanneer Mara eens op een avond een rode lamp in haar kamer zet en wat voor het raam zit te mijmeren, stoppen er beneden in de straat diverse auto's en heeft één vent zelfs het lef aan te bellen, om zich haastig met een gemompeld excuus uit de voeten te maken als hij zijn vergissing inziet. Die mannen weten net zo min wie er in die wijk woont als de bewoners weten wie er in die auto's door hun straten rijden. Overdag spijbelt Mara veel. Die uren brengt ze onder meer door in het park, waar ze een al tamelijk oude rattenvanger leert kennen die zich afvraagt waarom de gemeente in de parken vijvers laat aanleggen: je kunt er niet in zwemmen of roeien, er zit geen vis in en het krioelt er van de ratten. Voor Mara is er dus werkelijk niets te beleven in die wijk. Voor vertier moet ze bijvoorbeeld in het weekend gaan logeren bij een vriendin in de stad.

Ze is nog tamelijk jong als zij en haar vriendin twee Chinezen leren kennen en met hen een verhouding beginnen. Dat gebeurt vrij impulsief. Waarom zijn uw personages zo weinig bedachtzaam?

Ik vind dat niet zo uitzonderlijk. Hartstochten overkomen je nu eenmaal vaak. De meeste mensen kennen zichzelf niet goed genoeg zodat ze die hartstochten volkomen in de hand zouden hebben, zeker niet als ze nog jong zijn. Neem Mara's vader. Hij was al getrouwd en had twee kinderen toen hij door het deurwaarderskantoor waar hij werkte op een echtpaar werd afgestuurd dat een schuld had van enkele duizenden guldens. Hij zag die vrouw en werd prompt zo verliefd op haar dat hij niet alleen zijn gezin voor haar in de steek liet, maar ook op kantoor zo met de boekhouding knoeide dat de schuld "betaald" was. Dat de hoge verwachtingen uiteindelijk niet werden ingelost is een tweede: de Chinezen gaan al na enkele weken terug naar Hongkong, en de hartstocht van Mara's vader krijgt steeds meer vorm op het doek, waarop hij altijd weer haar moeder vereeuwigt, en steeds minder in het dagelijkse samenzijn met haar.

De hartstocht verstilt dus in zekere zin, zoals in het snuiven van de verfoplosmiddelen door Mara of het koesteren van Theo's oude schoenen door Eddie...

Ja, maar niet alleen omdat verwachtingen niet worden ingelost, ook omdat ze meer bezig zijn met hun eigen begeerte dan met de persoon op wie ze gericht is. Mara krijgt bijvoorbeeld nog heel lang, maar wel met steeds grotere intervallen, ansichtkaarten uit Hongkong. Die verzamelt ze, maar pas jaren later beseft ze dat ze eigenlijk best eens had kunnen terugschrijven. Voor de minderbegaafde Eddie vormen de oude schoenen van Theo het enige contact met zijn geliefde broer, maar als die eens op bezoek komt, weet hij niets anders te zeggen dan steeds maar: "Zo, Theo. Zo, Theo". Kinderen hebben dat nu eenmaal in veel sterkere mate dan volwassenen.

Ik herinner me dat ik als achtjarige een teddybeertje had waaraan ik vreselijk gehecht was. Onderweg van het huis van een vriendinnetje waar ik had gelogeerd naar onze woning heb ik het verloren. Ik was natuurlijk ontroostbaar, zodat mijn vader de dag nadien een nieuw beertje voor me kocht. Het was uiterlijk niet te onderscheiden van het eerste, maar ik merkte het toch direct en heb het weggegooid. Dat deed ik niet alleen omdat het mijn beertje niet was, maar ook omdat door die ontdekking de magie plots verdwenen was. Ik kon er geen gevoelens meer op projecteren, dus had het ook geen enkel nut meer.

Maar van Mara's vriendje Helmi kan je toch niet beweren dat hij uitsluitend met zijn eigen begeerte bezig is? Hij is zo gek van Mara dat hij bereid is letterlijk alles voor haar te doen.

Zijn liefde is zo enorm dat ze bijna heldhaftig is. Hij spreekt haar nooit tegen. Als ze wil dat hij ook een snuif van de verfoplosmiddelen neemt, doet hij dat, als ze vindt dat er van hun liefde een tastbaar, onuitwisbaar merkteken moet zijn, laat hij haar met de scherf van een bierflesje een teken in zijn rug kerven. Maar iemand die nooit tegenspreekt, kan op den duur ook aardig op de zenuwen werken. Vandaar dat ze hem op allerlei manieren gaat uitdagen, in de vergeefse hoop op een boze reactie. Ik heb er ook enkele dingen in verwerkt die dodelijk zijn voor elke jeugdliefde. Helmi en zijn broers spelen bijvoorbeeld in een bandje, en wanneer dat eindelijk eens optreedt, klinkt hun muziek natuurlijk net iets te luid en te vals om goed te zijn. Wanneer je zo'n optreden moet bijwonen, wekt het geen bewondering maar gêne op.

Ik heb Helmi beschreven als een puisterige, zwijgzame jongen. Verscheidene mensen in mijn omgeving hebben daar negatief op gereageerd. Ze vonden dat ik zo'n banale jongen had neergezet. Maar ik weet niet of Helmi wel zo banaal is. Misschien denkt men dat omdat gewaarwordingen steeds meer alleen belangrijk lijken voor zover ze visueel zijn. Onlangs keek ik naar een medisch televisieprogramma en zat ik plots in iemands endeldarm. Dergelijke visuele ervaringen stel ik eerlijk gezegd niet op prijs. Hetzelfde geldt voor de tendens in de kunst om vooral "mooie" lichamen te tonen. Vrouwen en mannen moeten jong en perfect zijn, maar een lichaam is niet alleen om naar te kijken, je bént ook je lichaam. Vandaar dat ik opzettelijk puistjes en littekens beschrijf. Die zijn volgens mij werkelijkheidsgetrouwer, en wie weet ook wel erotischer dan de beschrijving van de meest perfect vormgegeven lichaamsdelen.

Manon Uphoff, Gemis, Podium, 172 blz., 490 fr.

Jeroen Kuypers & Piet de Moor