Remo Perrotti ziet eruit als een Italiaan en klinkt als een Limburger, met dat zangerige accent dat in de rest van de wereld met gemoedelijkheid geassocieerd wordt. "Maar ik betrap mijzelf erop dat ik onder Italianen luider begin te spreken en meer gesticuleer." Remo's vader kwam in 1952 uit de Abruzzen naar Houthalen, tien maanden later volgde zijn moeder met Remo's oudste zus. Twee zussen en een broer werden op de keukentafel geboren in de houten barak waarin het gezin toen woonde. Toen Remo en zijn jongere broer ter wereld kwamen, woonden de Perrotti's al in een stenen huis in een zogenaamde tuinwijk. Altijd al een buitenbeentje in het gezin week Remo later uit naar Schaarbeek, Hoeilaart en het Leuvense. Maar op zijn vijftigste woont hij opnieuw in Limburg, dicht bij het circuit van Zolder. "Naarmate ik ouder werd, voelde ik de behoefte om mijn wortels op te zoeken. Ik durf het bijna niet te zeggen, zo melig klinkt het, maar Limburg geeft toch een ander gevoel. Zeker de mijnstreek. Dat mijn moeder ziek was, was een reden te meer om terug te komen. Haar dood maakte veel los bij mij. Ik besefte hoe weinig mensen er nog over waren van de oergeneratie van de Italiaanse barakkenbewoners. De dag vóór de begrafenis besloot ik te gaan filmen, vertrekkend vanuit mijn verlies. Maar het mocht geen nostalgisch familiefilmpje worden. Veel beelden van mijn moeder toen ze jong was, heb ik daarom bewust niet gebruikt. Wél filmde ik tijdens de begrafenis, wat natuurlijk totaal schizofreen is. Sta je daar overmand door verdriet bij de kist waarin je moeder ligt en tegelijk probeer je de boel te regisseren. 'Waar ben ik in godsnaam mee bezig ?' ging het door me heen. De familie en de pastoor namen het mij natuurlijk ook niet in dank af, al helemaal niet omdat we geen handicam gebruikten, maar een ENG-camera met een enorm statief. Ook achteraf heb ik mij daardoor heel slecht gevoeld."
...

Remo Perrotti ziet eruit als een Italiaan en klinkt als een Limburger, met dat zangerige accent dat in de rest van de wereld met gemoedelijkheid geassocieerd wordt. "Maar ik betrap mijzelf erop dat ik onder Italianen luider begin te spreken en meer gesticuleer." Remo's vader kwam in 1952 uit de Abruzzen naar Houthalen, tien maanden later volgde zijn moeder met Remo's oudste zus. Twee zussen en een broer werden op de keukentafel geboren in de houten barak waarin het gezin toen woonde. Toen Remo en zijn jongere broer ter wereld kwamen, woonden de Perrotti's al in een stenen huis in een zogenaamde tuinwijk. Altijd al een buitenbeentje in het gezin week Remo later uit naar Schaarbeek, Hoeilaart en het Leuvense. Maar op zijn vijftigste woont hij opnieuw in Limburg, dicht bij het circuit van Zolder. "Naarmate ik ouder werd, voelde ik de behoefte om mijn wortels op te zoeken. Ik durf het bijna niet te zeggen, zo melig klinkt het, maar Limburg geeft toch een ander gevoel. Zeker de mijnstreek. Dat mijn moeder ziek was, was een reden te meer om terug te komen. Haar dood maakte veel los bij mij. Ik besefte hoe weinig mensen er nog over waren van de oergeneratie van de Italiaanse barakkenbewoners. De dag vóór de begrafenis besloot ik te gaan filmen, vertrekkend vanuit mijn verlies. Maar het mocht geen nostalgisch familiefilmpje worden. Veel beelden van mijn moeder toen ze jong was, heb ik daarom bewust niet gebruikt. Wél filmde ik tijdens de begrafenis, wat natuurlijk totaal schizofreen is. Sta je daar overmand door verdriet bij de kist waarin je moeder ligt en tegelijk probeer je de boel te regisseren. 'Waar ben ik in godsnaam mee bezig ?' ging het door me heen. De familie en de pastoor namen het mij natuurlijk ook niet in dank af, al helemaal niet omdat we geen handicam gebruikten, maar een ENG-camera met een enorm statief. Ook achteraf heb ik mij daardoor heel slecht gevoeld." Mamma Irma begint en eindigt bij de figuur van Remo's populaire, sociaalvoelende moeder, maar de eigenlijke hoofdfiguur van de documentaire is haar generatiegenoot Antonio Magistro, met zijn hoed en flamboyante pakken een kleurrijk personage in Meulenberg, de volkswijk waar hij zijn hele leven zou blijven hangen, ook al trokken de andere Italianen er weg. 'Al Capone' noemden ze hem weleens in de lokale cafés en een minder fijngevoelige regisseur had hem als een schertsfiguur kunnen opvoeren, maar Perrotti toont Antonio vooral als een innerlijk verscheurd man, nu eens bitter : "Ik heb mijn leven weggesmeten in België", dan weer berustend : "Ach, een mens moet wel gelukkig zijn." Remo Perrotti : "Mensen die elders het geluk gaan zoeken, het is van alle tijden. In zijn jeugd kende Antonio bittere armoede. In de film vertelt hij hoe hij zelfs niet altijd geld had om brood te kopen en dan maar een steen in papier verpakte, om de andere olijfplukkers te doen geloven dat hij zijn lunch bij zich had. De eerste grote groep Italianen kwam in 1948 naar België. Mijnwerkers werden toen echt geronseld, per un sacco di carbone, wat ook de titel van een boek over de Italiaanse migratie is. Voor elke werkkracht die het land leverde, kreeg de Italiaanse staat een ton kolen. Aanvankelijk kwamen de mannen alleen. In Milaan werden ze zowat binnenstebuiten gekeerd, alleen de gezonden en sterken mochten vertrekken. Het was dan ook echt beestenwerk. Stel je voor, je komt uit een zonnig land en dan stoppen ze je onder de grond, in het donker, om de ziel uit je lijf te werken. Antonio's moeder schold zijn vrouw voor hoer uit omdat ze hem had laten gaan. Na de mijnramp van Marcinelle in 1956 stuurde Italië trouwens geen mijnwerkers meer, toen zijn ze behalve Spanjaarden, Grieken en Portugezen ook Turken en Marokkanen beginnen te ronselen." "De eerste inwijkelingen hadden geen idee waar ze zouden terechtkomen, het was echt een sprong in het ongewisse. Waarom wilde iemand naar Charleroi, Zolder of Houthalen ? Omdat Vincenzo, de broer van de bakker daar zat. De inwijkelingen probeerden ergens naartoe te gaan waar er al streekgenoten waren. Daar klitten ze samen in houten barakken dicht bij de mijnen. Want het was niet zo dat de eerste migranten door de plaatselijke bevolking met open armen ontvangen werden. Dat heb ik zelf ook nog ondervonden, toen ik niet bij een vriendinnetje thuis mocht komen omdat ik een vremde was, een spaghettivreter. En mijn broer mocht niet binnen in dancings. Zelf zat ik toen in de punkscene, daar was geen discriminatie. Maar dat was later, toen we al in de tuinwijk woonden. In veel Italiaanse families was het normaal dat je mee met je vader de put in ging, mijn ouders waren daar compleet tegen. Ik was trouwens nog jong toen de mijnen begonnen te sluiten, de eerste in Zwartberg." De barakkenverhalen zitten vol weemoed en nostalgie. "Het klinkt als een cliché, maar volgens mijn moeder waren het de mooiste jaren : ze hadden weinig, maar wel elkaar. En in de put was iedereen zwart. De samenhorigheid was groot alsook de tolerantie. Barakkenvolk, het was een soort geuzennaam. Bij de alleenstaande mannen zaten er speciale gevallen, ontheemden en losgeslagen figuren, maar de mensen accepteerden elkaar zoals ze waren. Wie over de schreef ging, kreeg een tweede en desnoods derde kans. Dat geduld met elkaar, die vergevingsgezindheid kennen wij niet meer." Antonio's verhalen en liedjes zitten vol heimwee naar het vaderland. Zijn ogen blinken als hij het over het eten heeft : "Een simpel stuk brood, een zongerijpte tomaat, wat olijfolie. Als je dat eet, voel je je als een leeuw." Waarom is hij na zijn jaren in de mijn niet naar Italië teruggekeerd ? Perrotti : "Bij de meeste migranten, ook mijn ouders, was het plan : we blijven vijf of tien jaar in België en dan gaan we naar huis. Maar ja, hoe gaat dat : de kinderen groeien hier op, gaan naar school, trouwen hier. En na al die jaren zijn ze van het eigen land vervreemd. Wie destijds wegtrok, werd soms met een scheef oog bekeken : 'Ha, die denkt dat het op een ander beter is.' Met de staart tussen de benen terugkeren is lastig. Uiteindelijk legden de meeste migranten zich neer bij hun bestaan hier, al dan niet met enige bitterheid." Antonio mocht er dan met zijn geverfde haar, hoed en zijden dassen als een charmeur uitzien, na de dood van zijn vrouw die samen met hun derde kind in het kraambed bleef, is hij nooit hertrouwd. "Omdat ik niet wilde dat mijn kinderen in slechte handen terechtkwamen", zoals hij zelf zegt in de film. En dus werkte hij niet alleen 28 jaar in de mijnen, maar zorgde ook in zijn eentje voor zijn twee dochters. Schrijnend zijn de beelden van Antonio aan het eind van zijn leven, zo-goed als blind en doof, in een verzorgingshuis. Wat opvalt, is dat hij nauwelijks Nederlands verstaat, laat staan spreekt. "Dat is typisch voor de migranten van de eerste generatie. De mijntaal was een mengeling van Nederlands, Italiaans, Frans en Duits. Het was behelpen ; op de duur sprak ook de Vlaamse melkboer een beetje Italiaans. Net als Cyc, bijvoorbeeld, de Poolse vriend van Antonio. Als er thuis een officiële brief kwam, dan moesten wij, kinderen, vertalen. Van onze schoolrapporten begrepen mijn ouders enkel de cijfers. Kinderen kunnen ontsporen doordat ze hun ouders van alles kunnen wijsmaken, je ziet dat nu ook bij migranten van andere nationaliteiten. Ouders die de taal niet meester zijn, hebben minder vat op hun kinderen. Nu, van Antonio kreeg ik het verwijt dat ik geen deftig Italiaans spreek, maar het dialect van de Abruzzen. Ben ik een Belg ? Of een Italiaan ? Allebei, maar misschien komt er een tijd dat er niemand meer is om Italiaans mee te spreken. Ook daarom heb ik de film gemaakt. Ik ben altijd al bezig geweest met beeld en geluid, maar dit project ligt me na aan het hart, het móést er gewoon komen." Door Antonio Magistro te kiezen als symbool voor een hele generatie, maakte Perrotti het zich niet gemakkelijk. "De man was een ongeleid projectiel. In het begin zat hij voortdurend naar de camera te lonken. Of midden in een uitleg begon hij te zingen. Hij kon ook grof uit de hoek komen. Mijn vader noemde hij een vagebond. In zijn ogen was de man een afvallige, omdat hij maar één jaar in de mijn gewerkt had en daarna voor de fabriek had gekozen. Maar na verloop van tijd was er een hechte band tussen Antonio en mij. Zo hebben we een groot feest met een optreden voor hem georganiseerd, dat moment de gloire verdiende hij. In feite was hij een soort anachronisme, zoals hij met zijn brommertje door Meulenberg reed en in dezelfde cafés bleef zitten, nu omringd door Polen, Turken en Marokkanen. Ik heb heel lang gedaan over de montage van de film, wat je niet toont, is soms even doorslaggevend voor het eindresultaat als wat je toont. Eerlijk gezegd was ik toch een beetje bang voor de reacties : Italianen houden nu eenmaal van alles wat er mooi uitziet en de beelden van Antonio die in zijn garage op een groezelig fornuis zijn potje kookt en daarbij rauwe worst staat te eten, zijn toch nogal ontluisterend." Perrotti had zich geen zorgen hoeven te maken. De drie vertoningen van de première van Mamma Irma waren uitverkocht en de reacties achteraf unaniem lovend. Publiek en recensenten apprecieerden het authentieke van de film : "Zo is het echt, dit gaat over het leven zelf." Sindsdien blijven de reacties komen, ook uit het buitenland. "Ik denk dat het komt doordat de film universele thema's aansnijdt : verlies, keuzes maken, verwachtingen die niet ingelost worden. Over de hele wereld verlangen mensen naar geluk voor henzelf en hun kinderen. In Italië maken ze nu de andere kant van migratie mee, mensen die met een kind in hun armen aanspoelen op de stranden. Alleen is de kans op een beter leven niet meer iedereen gegund." Antonio heeft het succes van zijn film niet meer mogen meemaken : in de week voor de première overleed hij. Zoals in dat liedje dat hij zo graag placht te zingen : "De zwaluwen zijn vertrokken uit dit land zonder zon, naar het land van viooltjes en liefdesnestjes. Vergeet mij niet... " DOOR LINDA ASSELBERGS & PORTRET WOUTER VAN VAERENBERGH"De Italianen probeerden ergens naartoe te gaan waar er al streekgenoten waren. Daar klitten ze samen in houten barakken dicht bij de mijnen" "In Italië maken ze nu de andere kant van migratie mee, mensen die met een kind in hun armen aanspoelen op de stranden"